Beste lezer,
Vandaag een essay over twee zwaargewichten die elkaar afgelopen zaterdag in Ahoy te lijf gingen voordat hun partij ook maar gepland was, en over de brave post die daar twee dagen later op volgde: vechtsport draait om respect en zelfbeheersing, en dit hoort niet.
In het kort. Dat verhaal over respect en zelfbeheersing is een geloof, geen waarneming. Wie kijkt naar wat er is onderzocht, ziet dat vechtsport op zichzelf niemand rustiger maakt; als het al iets doet, komt dat door de trainer, niet door de sport. En wat een vechter in de ring beheerst, beheerst hij niet omdat hij zichzelf in de hand heeft, maar omdat de bel, de regels en de scheidsrechter dat voor hem doen. Haal die weg en er staan gewoon twee mannen. Toch blijft het geloof overeind, sterker nog na elke keer dat het misgaat, want wie er jaren en gebroken neuzen in heeft gestoken, kan het zich niet veroorloven dat het een tikspel was. Ik weet dat, want ik liep zestig jaar geleden zelf een zaal binnen omdat iemand me vertelde dat zijn handen dodelijke wapens waren.
De conclusie: de illusie was fout over alles, behalve over het enige wat telde; ze hield me binnen.
Kijk maar eens naar uw eigen handen en vraag u af wie u ooit heeft wijsgemaakt wat ze kunnen.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Dodelijke handen
- Ik ben zestien en sta op blote voeten op een koude vloer bij Buming, in de jaren dat de school net bestond. Voor me staat een man in een wit pak die met een ernst die ik nog nooit bij een volwassene heb gezien zegt dat zijn handen dodelijke wapens zijn. Ik geloof hem op zijn woord. Zestien is de leeftijd waarop je zoiets niet minder maar juist méér gelooft; alles in je lichaam wil dat het waar is. In de bladen staan advertenties van een Amerikaan die zichzelf The Deadliest Man Alive noemt en voor een paar dollar de geheimen van de dodelijke aanraking belooft, en over Mas Oyama gaat het verhaal dat hij stieren met de blote hand velde. Ik loop naar buiten als een jongen die zojuist heeft gehoord dat hij superman kan worden, mits hij op tijd komt en zijn contributie betaalt. Ik zou er later jaren lesgeven.
Zestig jaar later, zaterdag 5 september, Ahoy. Tussen twee partijen door wordt de zwaargewichtkampioen van GLORY de ring in gehesen om zijn titelgevecht van december te promoten. Mory Kromah heeft maandenlang zijn uitdager opgezocht met woorden, nu staat Antonio Plazibat naast hem. Kromah zegt dat hij niets is, dat hij shit is. Plazibat duwt hem in het gezicht. Daarna vliegen ze elkaar aan en gooit Kromah in de chaos een beveiliger tegen de grond. Het publiek krijgt precies waar het voor kwam, alleen iets eerder dan gepland.
Twee dagen later schrijft een ondernemer in beweging, transformatie en persoonlijke groei op LinkedIn dat dit haaks staat op alles waar vechtsport voor hoort te staan. Vechtsport draait om respect, discipline, zelfbeheersing. Je leert hard vechten binnen regels, je leert jezelf beheersen, en na afloop geef je elkaar een hand. Vechtsport gaat niet over agressie, schrijft hij, maar over controle over agressie. Honderdduizenden amateurs laten dat elke week zien. Hashtag respect.
Ik heb die post drie keer gelezen en elke keer werd ik iets vrolijker, want het is de zuiverste vorm van een fictie die zichzelf verdedigt die ik in jaren onder ogen heb gehad.
De cirkel van karton
Huizinga schreef in Homo Ludens (1938) dat spel bestaat bij gratie van een afgebakende ruimte, een cirkel waarbinnen andere regels gelden dan daarbuiten. De ring is zo’n cirkel. Het promosegment is er ook een, met eigen regels die iedereen kent: je kijkt elkaar aan, je zegt dat de ander niets is, je laat je wegtrekken. Kromah speelde dat spel volgens de regels. Plazibat brak het. Huizinga had voor zo iemand een woord, de spelbreker, en hij merkte op dat de spelbreker erger is dan de valsspeler. De valsspeler doet nog alsof hij meedoet. De spelbreker laat zien dat de hele spelwereld van karton is.
Dat is wat de ondernemer zo onrustig maakte. Niet de agressie; agressie is de reden dat Ahoy vol zit. Wat hem stoorde was dat iemand de cirkel openscheurde en er, tot ieders schrik, gewoon twee mannen in stonden.
Festinger beschreef in When Prophecy Fails (1956) wat een groep gelovigen doet als de voorspelde vliegende schotel niet komt. Ze verlaten de sekte niet. Ze gaan harder prediken. De zelfbeheersing kwam zaterdag niet, en maandag lag er een pamflet. Let op waar de schuld terechtkomt: bij GLORY, bij het geld, bij de show. Nergens bij de aanname dat vechters hun agressie beheersen. De fout zit altijd in de persoon of de omstandigheid, nooit in het model. Zo blijft een fictie heel, en zo blijft ze al zestig jaar heel.
De bestuurder die niet kwam opdagen
De aanname zelf is namelijk getoetst, en de uitslag is niet vriendelijk. Trulson (1986) liet jongens met gedragsproblemen taekwondo doen: de groep met de traditionele filosofie erbij werd rustiger, de groep die alleen de technieken kreeg werd agressiever. Endresen en Olweus (2005) volgden Noorse jongens in boksen, worstelen en krachtsport en vonden meer antisociaal gedrag, niet minder. Vertonghen en Theeboom zetten in 2010 de hele literatuur op een rij en concludeerden dat het effect vrijwel geheel afhangt van de trainer en de setting. Niet het kickboksen socialiseert; de man die toevallig de zaal runt doet dat, of hij doet het niet.
En dan is er de transfer. Sinds Thorndike weten we dat wat je in de ene context leert, nauwelijks meereist naar een andere; Sala en Gobet vatten in 2017 een eeuw onderzoek samen en vonden voor verre transfer vrijwel niets. Plazibat is daarvan het levende bewijs. Een man met tientallen professionele partijen, iemand die in de ring nooit zijn hoofd verliest, verliest het bij een microfoon. Niet omdat zijn zelfbeheersing hem in de steek liet, maar omdat zijn zelfbeheersing nooit van hem was. Ze was van de context: de bel, de arbiter, de dertig seconden rust, de wetenschap dat er een einde komt. Haal die weg en het organisme doet wat organismen doen als iemand ze in het gezicht duwt. Er was geen bestuurder die even niet oplette. Er was nooit een bestuurder.
Waarom je begint
Vraag mensen waarom ze zijn gaan vechtsporten en het antwoord is al decennia hetzelfde: zelfverdediging, dan fitheid, dan zelfvertrouwen. Het motief dat het vaakst wordt genoemd is tevens het motief dat het minst wordt waargemaakt. Vrijwel niemand op de mat komt ooit in een straatsituatie terecht, en wie het wel overkomt ontdekt wat Randall Collins in Violence (2008) uit duizenden foto’s en video’s opmaakte: mensen bevriezen, slaan mis, raken de verkeerde, en het is in seconden voorbij. Voor die situatie traint niemand, en ze is niet trainbaar op een manier die een zaal kan leveren. Rory Miller, die het bekeek vanuit een gevangenisgang, zegt het korter: de dojo leert je een spel spelen tegen iemand die hetzelfde spel speelt.
Dat maakt zelfverdediging de perfecte fictie. Ze kan niet weerlegd worden, want de toets komt nooit. En komt de toets toch, dan was het een uitzondering.
Waarom de illusie sterker wordt naarmate ze meer wordt tegengesproken, is ook al lang bekend. Aronson en Mills lieten in 1959 zien dat mensen een groep hoger waarderen naarmate de toetreding pijnlijker was. Vechtsport is een dure initiatie: gebroken neuzen, jaren, angst, en een schedel die elke klap onthoudt. Wie zoveel heeft betaald kan zich niet veroorloven dat het een tikspel was. De illusie groeit mee met de prijs, tot ze onbetaalbaar wordt om los te laten. Trivers legt in The Folly of Fools (2011) de laag eronder: zelfbedrog is geen storing maar een aanpassing, want wie zichzelf gelooft, liegt overtuigender tegen anderen. De kickbokser die gelooft dat hij zichzelf in de hand heeft, straalt dat uit, en op straat is die uitstraling meer waard dan wat hij kan. Kurzban maakt het in Why Everyone (Else) Is a Hypocrite (2010) af: de module die het verhaal vertelt heeft geen toegang tot de module die vecht. De persvoorlichter schrijft over respect terwijl de hand al onderweg is. Twee modules, één organisme.
Tweeduizend jaar tegenbewijs
Ik heb vijftig jaar in een zaal gestaan en de superman nooit verkocht. Ik heb ook nooit beweerd dat wat hier gebeurt naar buiten meegaat; daar gelden andere regels, en wie dat niet weet komt er op een slechte avond achter. Wat ik aanbood was een tikspel in een specifieke omgeving. Meer is het niet, minder ook niet.
Het veranderde niets. De zaal vulde zich toch, en de mensen die binnenkwamen hadden allemaal iets bij zich wat ik niet had verkocht. Het was ergens anders gekocht: bij de films, bij de vrienden, bij Badr op televisie, bij de cultuur die al zestig jaar hetzelfde verhaal over dodelijke handen vertelt. Ik was een eerlijke leverancier in een markt die op leugens draait, en de klanten bleven komen. Dat zegt iets over de vraag, en het zegt vooral dat mijn eerlijkheid de illusie nooit hoefde te breken om de deur open te houden.
Pascal Boyer legt in Religion Explained (2001) uit waarom religie niet verdwijnt als de argumenten op zijn. Ze blijft niet omdat ze waar is of troost, ze blijft omdat ze meelift op systemen die er al waren: het opsporen van onzichtbare agenten, coalitiedenken, de reflex bij dreiging. Het vechtsportgeloof lift op dezelfde manier mee, op het dreigingssysteem en het dominantiesysteem. Elke jongen die bang is op het schoolplein heeft de hardware al; de dojo levert alleen de software. Daarom veranderen vijftig jaar tegenbewijs er niets aan, net zomin als tweeduizend jaar de kerk leegde. Bewijs is een tegenstander die op een ander veld speelt.
En toch. De man in het witte pak had ongelijk over allesbehalve over het enige wat telde. Zijn onzin kreeg een bange jongen een zaal in en hield hem daar bijna zestig jaar. De waarheid had dat nooit gedaan. Kom, het is een tikspel dat je niets oplevert en je hersenen langzaam beschadigt, vult geen enkele dojo. Superman wel. De fictie was fout, en ze werkte; ze werkte omdat ze fout was.
Die jongen staat nog steeds in de zaal. Hij heet nu coach en gelooft er niets meer van. Zijn handen zijn nog dezelfde handen. Dodelijk waren ze nooit.
Literatuur
Aronson, E. & Mills, J. (1959). The effect of severity of initiation on liking for a group. Journal of Abnormal and Social Psychology, 59, 177–181.
Boyer, P. (2001). Religion Explained: The Evolutionary Origins of Religious Thought. Basic Books.
Collins, R. (2008). Violence: A Micro-sociological Theory. Princeton University Press.
Elias, N. & Dunning, E. (1986). Quest for Excitement: Sport and Leisure in the Civilizing Process. Blackwell.
Endresen, I.M. & Olweus, D. (2005). Participation in power sports and antisocial involvement in preadolescent and adolescent boys. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 46(5), 468–478.
Festinger, L., Riecken, H.W. & Schachter, S. (1956). When Prophecy Fails. University of Minnesota Press.
Huizinga, J. (1938). Homo Ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Tjeenk Willink.
Kurzban, R. (2010). Why Everyone (Else) Is a Hypocrite: Evolution and the Modular Mind. Princeton University Press.
Miller, R. (2008). Meditations on Violence: A Comparison of Martial Arts Training and Real World Violence. YMAA.
Sala, G. & Gobet, F. (2017). Does far transfer exist? Negative evidence from chess, music, and working memory training. Current Directions in Psychological Science, 26(6), 515–520.
Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
Trulson, M.E. (1986). Martial arts training: A novel “cure” for juvenile delinquency. Human Relations, 39(12), 1131–1140.
Vertonghen, J. & Theeboom, M. (2010). The social-psychological outcomes of martial arts practise among youth: A review. Journal of Sports Science and Medicine, 9(4), 528–537.
