Het alibi van tien dinsdagavonden

Het alibi van tien dinsdagavonden

Trouwe Lezer (en luisteraar),

In het plaatselijke krantje stond deze week een advertentie, met gemeentelogo: de dagen worden korter, dus Krav Maga voor vrouwen. Ik heb er vijftig jaar in dat vak over nagedacht en wist niet zeker of ik het stuk mocht schrijven, want ik ben de instructeur in dit verhaal.

Het gaat over een vrouw die de advertentie leest, een instructeur die naar huis rijdt, een ambtenaar met een formulier, en een keuken in februari. Niemand liegt, iedereen doet wat er voor hem ligt, en de duisternis komt inderdaad onuitgenodigd, alleen niet van de kant waar de cursus naar kijkt.

Het volledige essay staat in de bijlage. Lees het als je iemand kent die zich heeft ingeschreven, of als je zelf ooit “goed zo” hebt geroepen in een zaal.

Veel leesplezier,

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie

Voor wie liever luistert: 

het essay zit er ook als ingesproken bestand bij, ongeveer acht minuten.

 

Het alibi van tien dinsdagavonden

De advertentie staat op pagina zeven, tussen de rommelmarkt en de oproep voor vrijwilligers bij de reddingsbrigade. Gemeentelogo linksboven. De dagen worden korter, staat er, en daaronder, in een lettertype dat stevigheid moet uitstralen: Krav Maga voor vrouwen, tien lessen, mede mogelijk gemaakt door de gemeente. Inschrijven kan nog.

Ze leest het twee keer. Bij de tweede keer is het park er al. Niet een bepaald park, gewoon het park, met de lantaarn die het al een jaar niet doet, en een gestalte die uit het niets komt omdat gestaltes in dit soort beelden altijd uit het niets komen. Ze heeft die man nooit gezien. Niemand heeft hem ooit gezien. Hij staat in duizend krantenberichten en nul politiestatistieken, en dat maakt hem niet minder aanwezig. Het beeld kost haar geen moeite; het was er al voordat ze de advertentie las, ergens opgeslagen, wachtend op een aanleiding.

Daaronder, zachter, het stemmetje. Niet luid, wel geduldig. Als je niets doet en er gebeurt iets. Het maakt de zin niet af, dat hoeft niet. Ze denkt aan haar dochter, aan de fietstocht van het station, aan een collega die ooit iets heeft meegemaakt, thuis, met iemand die ze kende, waar ze de details van vergeten is en de toon niet. Ze knipt de advertentie niet uit. Ze maakt een foto met haar telefoon, wat op hetzelfde neerkomt maar minder ouderwets voelt.

De zaal is warm. Dat valt haar als eerste op, de warmte en de geur van matten die vaker zijn gebruikt dan schoongemaakt. Twaalf vrouwen, één man met een polo waarop een logo staat dat aan een leger doet denken zonder er een te noemen. Hij praat rustig, hij praat zeker, hij zegt dat elk systeem faalt behalve het zijne en hij zegt het zonder te lachen. Ze staan in twee rijen. Haar partner is een verpleegkundige uit de straat achter de hare, die het net zo eng vindt als zij en dat ook zegt, en die, wanneer ze mag grijpen, eerst vraagt of het goed is.

Ze leert de hand op de pols, de draai, de knie. Ze leert waar de weke delen zitten, wat ze al wist, en dat je erop mag mikken, wat nieuw is. De instructeur roept goed zo, en dat is precies wat hij bedoelt. Bij de vierde les schreeuwt ze voor het eerst, omdat het moet, en de zaal schreeuwt met haar mee. Het klinkt belachelijk en het voelt anders, en ze kan niet uitleggen wat er anders is.

Na de zesde dinsdag loopt ze van de bushalte naar huis. Dezelfde route, dezelfde lantaarn die het niet doet. Ze loopt rechter, dat merkt ze niet. Ze kijkt om bij de hoek, dat merkt ze wel, en ze kijkt zonder te vertragen. De sleutels zitten tussen haar vingers, iets wat ze in een film heeft gezien en waarvan de instructeur zei dat het niets uithaalt, maar haar hand weet dat niet. Achter haar loopt een man met een hond. Ze kijkt naar hem. Hij kijkt terug, knikt, en steekt over.

Ze komt thuis en is niet bang geweest. Het is de eerste keer sinds de klok is verzet.

Hij rijdt na de les naar huis met de geur van de matten nog in zijn neus en twaalf namen in zijn hoofd, en hij is tevreden. Niet om het geld, al is het geld welkom; de gemeente betaalt de zaal en de vrouwen betalen de rest, en voor het eerst in jaren hoeft hij in oktober niet te rekenen. Hij is tevreden omdat het werkt. Hij ziet het werken. Hij ziet vrouwen binnenkomen met hun schouders naar voren en na drie weken staan ze rechtop, en wie dat niet als bewijs wil zien, is nooit in een zaal geweest.

Hij heeft in twintig jaar geen enkele cursist verloren. Dat is zijn zin, hij zegt hem op verjaardagen, en hij is waar. Niemand van zijn vrouwen is ooit in het park gegrepen. Twee hebben hem jaren later verteld dat er toch iets was gebeurd, thuis, en beide keren heeft hij geknikt en gezegd dat het hem speet, en beide keren heeft hij, zonder het te willen en zonder het te merken, in zijn hoofd genoteerd dat ze niet hadden gedaan wat ze geleerd hadden. De boekhouding kent maar één kolom. Wie niets overkomt bewijst het systeem, wie iets overkomt heeft het verkeerd toegepast, en een boekhouding die niet kan verliezen, voelt van binnen precies als gelijk hebben.

Drie maanden eerder ligt de aanvraag op een bureau op de tweede verdieping van het gemeentehuis, tussen een subsidie voor de buurtbus en een klacht over de lantaarn. Er is een raadsvraag geweest over de veiligheid van vrouwen in het donker, er is een motie aangenomen die daar iets aan wil doen, en nu moet er iets zijn dat je aan de raad kunt laten zien. Camera’s kosten geld en jaren. Meer surveillance is een gesprek met de politie dat altijd hetzelfde eindigt. Een cursus kost vierduizend euro, staat binnen zes weken in de krant, en levert een foto op van twaalf vrouwen in een zaal met een wethouder ernaast.

De ambtenaar is geen cynicus. Ze gelooft dat het helpt, een beetje, en een beetje is meer dan de lantaarn. Ze vult in dat het doel is “het vergroten van de weerbaarheid van vrouwen in de openbare ruimte”, omdat dat de zin is die het formulier verwacht, en ze denkt daarbij aan het park, want dat dacht de raad ook. Ergens tussen de motie en het formulier is de veiligheid van het plein verhuisd naar de knieën van de vrouwen die er lopen, en niemand in het gebouw heeft dat besloten. Het is gebeurd zoals de meeste dingen gebeuren: iedereen deed wat er voor hem lag.

Het is februari als het gebeurt, en het gebeurt niet in het park. Het gebeurt in haar eigen keuken, op een vrijdag, met de tweede fles open en een vriend van een vriendin die is blijven hangen omdat de anderen al weg waren en hij nog niet. Ze kent hem. Niet goed, wel genoeg om hem niet te vragen weg te gaan, want dat doe je niet, en genoeg om zijn hand op haar rug eerst te lezen als onhandigheid. De hand blijft. Ze lacht, een halve lach, en schuift een stap. De hand komt mee.

Er is geen aanval. Dat is wat haar lichaam als eerste registreert, en het weet niet wat het daarmee moet. In de zaal kwam de greep aangekondigd, van voren, met een partner die vroeg of het goed was. Hier vraagt niemand iets. Er is een man die te dichtbij staat en praat alsof er niets aan de hand is, en een vrouw die zoekt naar het moment waarop het begint, zodat ze weet wanneer ze mag. Dat moment komt niet. Het is er al twintig minuten, en het lijkt op niets.

De knie weet waar de weke delen zitten. De knie doet niets, want er staat geen boosdoener voor haar, er staat Mark, en Mark heeft haar fiets een keer gerepareerd. De hand op de pols, de draai, de schreeuw: het zit er allemaal in, ergens, en het wacht op een signaal dat niet komt. Wat er wel komt is de beleefdheid, ouder dan de cursus en dieper ingeslepen, die zegt dat je een gast niet vernedert, dat je het misschien verkeerd ziet, dat je het morgen gênant zult vinden. Ze zegt “doe even niet”, zacht, met een glimlach erbij zodat het geen ruzie wordt. Hij hoort de glimlach en niet de woorden.

Wat er daarna gebeurt laat ik weg, omdat het er niet toe doet voor dit stuk en omdat het haar verhaal is. Wat ertoe doet is de ochtend erna, als ze op de rand van het bed zit en het enige wat ze kan bedenken is dat ze tien dinsdagen heeft betaald en op het moment zelf geen enkele les heeft gebruikt. Ze bedenkt niet dat er geen les was voor dit moment. Ze bedenkt dat ze het verkeerd heeft toegepast.

De cijfers zijn niet geheim, alleen niet in de advertentie. Het CBS vraagt het elke twee jaar na, en de laatste prevalentiemonitor zegt over vrouwen die in een jaar fysiek seksueel geweld meemaakten dat de pleger in bijna een kwart van de gevallen iemand van het uitgaan was, in ruim een op de tien een date of een goede vriend, en in een op de zes iemand uit de eigen huiselijke kring. Een onbekende kwam in bijna vier op de tien gevallen voor; hij bestaat dus, en hij is meestal geen gestalte in het park maar een hand in een volle kroeg. Interessanter is hoe het ging. Bij de gevallen waarin het tot seksuele handelingen kwam, was het drukmiddel in twee derde van de gevallen aandringen of zeuren, in een op de vijf een slachtoffer dat te veel op had, en in een op de zeven fysiek geweld. Dreiging met geweld: vier procent. En wat de vrouwen deden: de helft draaide hoofd of lichaam weg, ruim een derde bevroor, een derde zei duidelijk nee of schreeuwde, een op de zes duwde of vocht. Aangifte deed minder dan één procent.

Dat is de keuken, in getallen. De programma’s die wel meetbaar werken, de trial van Charlene Senn aan drie Canadese universiteiten, de cursussen die Jocelyn Hollander jarenlang volgde, besteden nauwelijks tijd aan techniek. Ze oefenen het moment van de hand op de rug, twintig minuten voordat er iets is dat op een aanval lijkt. Ze oefenen het onbeleefde nee tegen iemand die aandringt en je fiets een keer heeft gerepareerd, en ze halveren daarmee de cijfers. Dat staat op geen enkele flyer, omdat “leer je vrienden van je af te schudden” niet de cursus is waar een gemeente haar logo op zet.

Ik heb die boekhouding vijftig jaar bijgehouden. Niet met opzet, niemand doet dat met opzet. Ik heb mannen en vrouwen geleerd waar de weke delen zitten en hoe je een pols draait, en ik heb ze zien binnenkomen met hun schouders naar voren en rechtop zien vertrekken, en ik heb dat bewijs genoemd. Het is ook bewijs, alleen van iets anders dan ik dacht. Wat ik verkocht was geen techniek, het was de rust in een hoofd, gebracht in een verpakking die op een techniek leek, en de meeste van mijn cursisten hebben die verpakking nooit hoeven openmaken. De paar die het wel moesten, deden dat op een plek waar ik ze niet had voorbereid, met iemand die ze kenden, en ik heb toen geknikt en gezegd dat het me speet.

De dagen worden korter. De duisternis komt onuitgenodigd, dat klopt, alleen komt ze meestal niet door het park. Ze zit al binnen, op de bank, met een glas in de hand, en ze heeft je fiets een keer gerepareerd.

 

Literatuur

Hollander, J.A. (2004). “I can take care of myself”: The impact of self-defense training on women’s lives. Violence Against Women, 10(3), 205–235.

Hollander, J.A. (2014). Does self-defense training prevent sexual violence against women? Violence Against Women, 20(3), 252–269.

Senn, C.Y. e.a. (2015). Efficacy of a sexual assault resistance program for university women. New England Journal of Medicine, 372, 2326–2335.

CBS/WODC (2025). Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag 2024, tabellenset, tabel 7 “Fysiek seksueel geweld, details”. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Ook interessant voor jou!