Beste lezer,
Vandaag een essay dat begint met twee kinderen op een tafel. De ene krijgt een taart en een prinsenpak, de andere een verhaaltje over vakantie bij oma. Het mes is in beide gevallen echt, het applaus ook. En iedereen is blij.
Die laatste zin is geen sarcasme, en daar draait het stuk om. Dertig jaar folders in de wachtkamer hebben het aantal besneden meisjes niet doen dalen; UNICEF telde er vorig jaar dertig miljoen méér dan acht jaar eerder. Een gedrag dat zoveel afkeuring overleeft, werkt ergens voor. De lijn loopt via Whitehouse en zijn identity fusion, Zahavi’s dure signalen, Trivers’ ouder-kindconflict en Gerry Mackie, die ontdekte waarom Chinese voetbinding in één generatie verdween en waarom dat niets met preken te maken had.
De adder: het stuk laat het niet bij Somalische oma’s. Aan het eind liggen uw beugel, uw zwemles en uw turnende dochter naast de keukentafel op dezelfde balans, en de vraag wie hier eigenlijk betaalt en wie er int, wordt niet aan de ander gesteld, maar aan u.
Wie zich ongemakkelijk voelt, leest goed.
Veel leesplezier,
Peter Koopman
Het feest dat besnijdenis heet
Onder luid applaus scheidt een geoefende hand met één haal de voorhuid van het huilende kereltje van zijn lichaam. Er wordt mazzel tov geroepen, of er staat een taart klaar en het jongetje draagt een prinsenpak met een cape, want in Turkije heet het sünnet en is het een feest met fotograaf. Vanaf nu hoort hij bij de stam. Hij zal de regels en opvattingen die daarbij horen internaliseren en zich als man manifesteren.
Onder een verhaaltje over vakantie bij oma wordt het meisje naar het land van haar ouders gevlogen. Soms is het een keukentafel, vaker dan wij denken is het een kliniek: in Egypte gebeurt inmiddels ruim driekwart van de ingrepen door medisch personeel, met handschoenen en een factuur. Iemand verwijdert haar clitoris en haar leven. Vanaf nu hoort zij bij de stam. Zij zal de regels en opvattingen die daarbij horen internaliseren en zich als eigendom van een man manifesteren.
En iedereen is blij.
Die laatste zin is geen sarcasme. Het is de enige zin in dit stuk die wetenschappelijk interessant is. Verontwaardiging is het genre van de ngo-folder, en die folder ligt al dertig jaar in elke wachtkamer van Amsterdam tot Mogadishu zonder dat het aantal gevallen noemenswaardig daalt; UNICEF telde in 2024 ruim 230 miljoen levende vrouwen en meisjes die de ingreep ondergingen, dertig miljoen meer dan acht jaar eerder. Een gedrag dat ondanks tientallen jaren morele afkeuring blijft bestaan, is geen moreel probleem. Het is een gedrag dat werkt. De vraag is voor wie.
De snee als lidmaatschapskaart
Harvey Whitehouse onderscheidt twee soorten ritueel. De doctrinaire variant is frequent en saai: iedere week dezelfde preek, dezelfde liturgie, dezelfde bank. De imagistische variant is zeldzaam, pijnlijk en onvergetelijk. Whitehouse en Lanman lieten in 2014 zien dat juist die tweede soort iets oplevert wat gewone loyaliteit niet oplevert: identity fusion, een toestand waarin de grens tussen ik en groep in het zelfmodel wegvalt. Wie zo’n ritueel heeft doorstaan, vecht voor de groep zoals hij voor zichzelf zou vechten. Niet omdat hem dat is geleerd; omdat het onderscheid niet meer bestaat.
Het lab wist dit al langer. Aronson en Mills lieten in 1959 studenten een gênante toelatingsproef afleggen voor een discussiegroep die opzettelijk stomvervelend was gemaakt. Hoe pijnlijker de proef, hoe hoger de deelnemers de groep achteraf waardeerden. Sosis en Bressler vonden in 2003 hetzelfde op de schaal van gemeenschappen: negentiende-eeuwse religieuze communes met de zwaarste eisen aan hun leden overleefden het langst, en seculiere communes met dezelfde eisen niet. De kostbaarheid van de eis is het punt. Een lidmaatschap dat niets kost, is niets waard, en een lidmaatschap dat in het lichaam is gekerfd, kun je niet opzeggen.
Hier past het gereedschap van Zahavi. Het handicap-principe zegt dat een signaal alleen betrouwbaar is als het te duur is om te vervalsen. De pauwenstaart, de gazelle die springt in plaats van rent, de jongen die de pijn van het mes verdraagt. Alleen zit er in het besnijdenisfeest een truc die Zahavi niet in zijn model had. Het signaal is kostbaar, maar de zender betaalt niet. Het kind ligt op tafel, de ouders innen het lidmaatschap. Trivers beschreef in 1974 het ouder-kindconflict: ouders en kinderen delen de helft van hun genen, en dus botsen hun belangen structureel over de andere helft. Wat wij in het Westen een liefdevolle traditie noemen, is in die boekhouding een rekening die de ouders op het lichaam van hun kind laten schrijven. En iedereen is blij, want iedereen die de rekening betaalt, kan nog niet praten.
De markt achter de keukentafel
Voor het meisje is het verhaal anders, en het verschil zit niet in het mes. Gerry Mackie publiceerde in 1996 een vergelijking die alles op zijn plaats zet: Chinese voetbinding en Afrikaanse infibulatie zijn dezelfde soort ding. Beide zijn conventies op de huwelijksmarkt. Geen enkele familie kan er eenzijdig mee stoppen, omdat een ongebonden of onbesneden dochter niet trouwt, en niet trouwen was in die economie een doodvonnis met vertraging. Iedereen doet dus mee, terwijl vrijwel niemand het individueel wil. Vrouwen voeren het uit, moeders regelen het, grootmoeders houden het been vast. Dat is geen bewijs dat vrouwen het willen; het is het bewijs van een evenwicht waar niemand uit kan zonder dat de anderen tegelijk stappen. Deniz Kandiyoti noemde dit in 1988 de patriarchal bargain: vrouwen handhaven het systeem dat hen klein houdt, omdat handhaven binnen dat systeem de enige route naar veiligheid is.
Mackie leverde ook de sleutel waarmee het slot openging. Voetbinding verdween in China binnen één generatie, niet door preken en niet door verboden, maar door verenigingen van families die elkaar publiekelijk beloofden hun zonen niet met gebonden voeten te laten trouwen en hun dochters niet te binden. Zodra genoeg families tegelijk over de streep gingen, klapte de conventie om. Het huwelijkskansspel draaide, en wat duizend jaar had standgehouden, was in twintig jaar folklore. Wie FGM wil beëindigen, moet dus niet de oma overtuigen dat ze een monster is. Hij moet de bruidegoms zover krijgen dat ze hardop iets anders vragen.
Daar zit de asymmetrie die het spiegelbeeld in de opening rechtvaardigt. Jongensbesnijdenis koopt lidmaatschap voor de jongen zelf; hij is straks de man die het lidmaatschap uitoefent. Meisjesbesnijdenis koopt verhandelbaarheid voor de familie; zij is straks het verhandelde. De snee is in beide gevallen een investering, maar de opbrengst komt bij verschillende rekeninghouders terecht.
De tegenstem, die niet zomaar weggaat
Brian Earp heeft de laatste tien jaar consequent laten zien dat de westerse indeling, mannenbesnijdenis als cultuur en vrouwenbesnijdenis als verminking, op weefselniveau niet houdbaar is. De WHO-typen Ia en IV, een prikje of het verwijderen van de clitorale voorhuid, zijn anatomisch minder ingrijpend dan een standaard jongensbesnijdenis. Infibulatie, type III, is oneindig veel erger. De grens loopt in onze wetgeving tussen de geslachten, niet tussen de ingrepen, en dat is een keuze van Brussel en Den Haag, geen feit uit de anatomie. Fuambai Ahmadu, antropoloog uit Sierra Leone, onderging de ingreep als volwassene, verdedigt hem en noemt onze afschuw een koloniale reflex van mensen die zelf hun zonen laten snijden en dat normaal vinden.
Ik geef Earp gelijk op het mes en ongelijk op de markt. Zijn argument is een argument voor consistentie: verbied beide, of sta beide toe, maar stop met het meten met twee maten. Dat is een verdedigbaar standpunt en het is niet het mijne, want de vraag is niet hoeveel weefsel er weggaat. De vraag is wie er straks iemand anders’ eigendom is. Ahmadu’s keuze als volwassene is precies wat het meisje op de keukentafel niet heeft, en het is precies wat Mackie’s conventie haar nooit zal geven zolang de bruidegoms zwijgen.
En nu u
Als het kind de prijs betaalt en de ouders het lidmaatschap innen, wat onderscheidt dit dan van elke andere investering die ouders in het lichaam van hun kind doen? De beugel op zijn twaalfde is een kostbaar signaal aan de markt van later. De zwemles is lidmaatschap van een stam die niet verdrinkt. Het vaccin is een snee met een naald waar het kind niet om heeft gevraagd. En de topsportouder die zijn dochter op haar achtste in de turnhal zet, laat haar lichaam ook een rekening betalen die hij zelf int, in de vorm van trots op de tribune. Waar ligt uw grens, en kunt u die trekken zonder de omkeerbaarheid als enige maat te nemen? Want dan zit u ineens aan de kant van Earp: de prik van type IV is omkeerbaar, en de beugel niet altijd.
Wie zich hier ongemakkelijk voelt, doet het goed. Het ongemak is de plek waar de bestuurder wordt teruggehaald: ergens wil u zeggen dat ú tenminste kiest voor uw kind, en dat de oma alleen gehoorzaamt. Alleen is uw beugelkeuze even hard door uw omgeving gedicteerd als de hare. U zit ook in een conventie, met een aardigere naam en een orthodontist die factureert.
John Lennon zong in 1972 dat de vrouw de neger van de wereld is, een zin die Yoko Ono hem drie jaar eerder in een interview had aangereikt. Het nummer werd door vrijwel elke radiozender geweigerd, om het woord, niet om de stelling. Dat is de reflex in miniatuur: de verontwaardiging gaat naar het vocabulaire, het mechanisme blijft ongestoord draaien.
Ergens landt volgende week een vliegtuig op Schiphol. Er stapt een meisje uit dat op vakantie is geweest bij oma. Ze loopt anders dan toen ze vertrok. Haar moeder houdt haar hand vast en glimlacht naar de douane, en de douane glimlacht terug.
Literatuur
Aronson, E. & Mills, J. (1959). The effect of severity of initiation on liking for a group. Journal of Abnormal and Social Psychology, 59(2), 177–181.
Earp, B. D. (2015). Female genital mutilation and male circumcision: toward an autonomy-based ethical framework. Medicolegal and Bioethics, 5, 89–104.
Earp, B. D. & Johnsdotter, S. (2021). Current critiques of the WHO policy on female genital mutilation. International Journal of Impotence Research, 33, 196–209.
Kandiyoti, D. (1988). Bargaining with patriarchy. Gender & Society, 2(3), 274–290.
Mackie, G. (1996). Ending footbinding and infibulation: a convention account. American Sociological Review, 61(6), 999–1017.
Shell-Duncan, B. (2001). The medicalization of female “circumcision”: harm reduction or promotion of a dangerous practice? Social Science & Medicine, 52(7), 1013–1028.
Sosis, R. & Bressler, E. R. (2003). Cooperation and commune longevity: a test of the costly signaling theory of religion. Cross-Cultural Research, 37(2), 211–239.
Trivers, R. L. (1974). Parent-offspring conflict. American Zoologist, 14(1), 249–264.
UNICEF (2024). Female Genital Mutilation: A Global Concern. 2024 Update.
Whitehouse, H. (2004). Modes of Religiosity: A Cognitive Theory of Religious Transmission. AltaMira Press.
Whitehouse, H. & Lanman, J. A. (2014). The ties that bind us: ritual, fusion, and identification. Current Anthropology, 55(6), 674–695.
Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The Handicap Principle: A Missing Piece of Darwin’s Puzzle. Oxford University Press.
