Beste lezer,
Een dichtslaande deur, een klap tegen je hoofd waar je niet op rekende, een emmer ijswater in je nek. Drie schrikreacties, drie totaal verschillende circuits in het lichaam, en toch dezelfde architectuur eronder: een reflex die niets weet, een herstel dat afhangt van context en voorgeschiedenis, en een verhaal dat er achteraf overheen wordt gelegd.
Dit essay volgt die drie gevallen stuk voor stuk, van hersenstam naar amygdala naar huidreceptor, en bouwt van daaruit een laag verder: naar Plessner’s idee dat de mens zich voortdurend moet heroriënteren, naar een ouder systeem dat daarbij intact blijft functioneren, en naar de gok die aan elke heroriëntering voorafgaat.
De adder onder het gras zit in de details. Wie denkt dat schrikken één ding is, één knop die aan of uit gaat, mist dat het lichaam minstens drie verschillende noodprocedures paraat heeft, elk met een eigen tijdslijn en een eigen prijs.
Lees door, en reken niet op een geruststellende afsluiter.
Veel leesplezier,
Peter Koopman
De schrik is eerlijk, het verhaal niet (2)
De deur. Iemand slaat een deur dicht, het oog knijpt binnen dertig tot veertig milliseconden dicht, de romp buigt kort daarna. Het signaal loopt van het binnenoor via cochleaire kernneuronen naar een klein hersenstamgebiedje, de nucleus reticularis pontis caudalis, en van daar rechtstreeks naar de motorneuronen, ruim voordat de cortex iets heeft geregistreerd (Davis, 1992). Wat voorafging aan de klap doet er wel toe: een zwak geluidje vlak voor de knal dempt de reflex meetbaar, een primitieve vorm van verwachting die al op hersenstamniveau wordt verwerkt, en die bij schizofrenie juist wegvalt (Braff & Geyer, 1990). Herstel verloopt hier via het oudste bekende leermechanisme dat er is: bij herhaling wordt de reactie kleiner, habituatie, tenzij het organisme toch al opgejaagd is, in welk geval dezelfde deur een grotere reactie oplevert in plaats van een kleinere, sensitisatie (Thompson & Spencer, 1966). De tiende dichtslaande deur van de dag negeer je. Diezelfde deur tijdens een onweersbui niet.
De klap. Een tegenstander raakt je onverwacht op het hoofd, midden in een wedstrijd. Hier ligt een ander circuit aan het stuur. Pijn en dreiging schakelen normaal gesproken tegengestelde systemen in: dreiging onderdrukt pijn om verdediging of aanval mogelijk te maken, en pas als de dreiging voorbij is neemt het herstelsysteem het over (Bolles & Fanselow, 1980). Welke concrete respons volgt, vluchten, vechten, bevriezen, hangt af van hoe dichtbij het gevaar al is op het moment van de klap, een continuüm dat loopt van voorzichtigheid tot paniek naarmate de dreiging dichterbij komt (Fanselow, 1994). Midden in een wedstrijd zit je al in de laatste fase van dat continuüm, dus het lichaam kiest voor doorvechten, niet voor pijn voelen, geholpen door een poortmechanisme in het ruggenmerg dat nociceptieve signalen letterlijk kan tegenhouden voordat ze de hersenen bereiken (Melzack & Wall, 1965). De rekening komt later. Sporters die “niets voelden” tijdens de wedstrijd, voelen vaak alles zodra het fluitsignaal klinkt en de recuperatieve modus overneemt.
Het water. Iemand giet van achteren een emmer ijskoud water over je heen. Huidreceptoren registreren de temperatuurval en sturen een sympathische stormvloed op gang: hartslag schiet binnen een minuut van rond de negentig naar boven de honderdvijftig, de ademhaling versnelt tot ongeveer het vijfvoudige, allemaal buiten je wil om (Tipton, 1989). Dat laatste is precies waarom dit de gevaarlijkste van de drie is: onwillekeurige hyperventilatie tijdens onderdompeling is een van de belangrijkste doodsoorzaken bij verdrinking in koud open water, ruim voordat onderkoeling ook maar een rol speelt. Ook hier geldt habituatie, meetbaar en blijvend bij mensen die regelmatig in koud water zwemmen, alleen dan via huid en sympathisch zenuwstelsel in plaats van via oor en hersenstam. Drie totaal verschillende hardware-ingangen, hetzelfde softwareprincipe.
Dat is het eerste dat opvalt als je de drie naast elkaar zet: schrikken is geen ding, het is een familie van noodprocedures die per zintuig, per dreigingstype en per moment in het gevecht een andere combinatie van onderdrukken, aanzetten en afremmen kiest. Wat ze delen is dat geen van drie op enig moment om toestemming vraagt.
Waar het interessant wordt, is bij wat er daarna gebeurt, en dat is precies waar dit essay eerder al naartoe werkte. Onder de drie reflexen ligt een ouder, nog altijd operationeel systeem dat zelf onderscheidt van extern: een kopie van elk motorisch bevel die wordt vergeleken met wat er binnenkomt, zodat het organisme weet welke sensaties het zelf veroorzaakte en welke van buiten kwamen (von Holst & Mittelstaedt, 1950). Datzelfde principe van vergelijken en bijstellen zit al in de dempende werking van een zwak geluidje vóór de knal: het systeem had iets verwacht, en paste zijn eigen reactie daarop aan, ruim voordat er een verhaal aan te pas kwam. Boven die laag zit geen neutrale weegschaal maar een stelselmatig scheve, want een gemiste dreiging is evolutionair duurder dan een overbodige sprong achteruit, en dus wordt er structureel te vaak vals alarm geslagen in plaats van te weinig (Nesse, 2001; 2005). De klap tijdens de wedstrijd laat zien hoe letterlijk dat uitstel werkt: het systeem giet de rekening niet weg, het parkeert hem, een gok dat overleven nu belangrijker is dan boekhouden nu.
Pas daarboven komt het verhaal. Plessner beschreef de mens als een wezen dat nooit samenvalt met zijn eigen plek in de omgeving en zich daarom voortdurend opnieuw moet verhouden tot wat er gebeurt. Dat heroriënteren resulteert niet in een vaste kern maar in een autobiografisch zelf dat wordt samengesteld uit wat er op dat moment aan geheugen voorhanden is (Damasio, 2010), soms met verklaringen die achteraf gewoon verzonnen worden (Gazzaniga, 2011), en volgens recentere modellen is dat geen eenmalige gebeurtenis maar een continu bijstellingsproces op basis van fouten tussen verwachting en binnenkomst (Friston, 2010; Seth, 2021). Dat verklaart waarom dezelfde klap door de een wordt verteld als bewijs van doorzettingsvermogen en door de ander als trauma, en waarom hetzelfde koude water door de beginner “verschrikkelijk” heet en door de gewende zwemmer “verfrissend”. Het verschil zit niet in het lichaam op het moment zelf. Het zit in de kaart die erna wordt getekend, met dien verstande dat er, tegen elke te gemakkelijke conclusie in, wel degelijk al een gevoel van eigenaarschap over de eigen actie bestaat voordat dat verhaal begint (Gallagher, 2000), en dat niet iedereen zijn leven even narratief ervaart (Strawson, 2004).
Drie reflexen, drie circuits, één architectuur: een oud systeem dat vergelijkt, een scheve gok die overleven boven boekhouden zet, en een verhaal dat pas na afloop wordt geschreven door een instantie die er bij de klap zelf niet bij was. De volgende vraag is niet meer wat schrikken is. Het is waarom sommige mensen, na de klap of het water, nooit meer terug naar hun oude baseline zakken, terwijl anderen binnen een paar herhalingen niet meer de moeite nemen om te reageren.
Literatuur
Blair, R. J. R. (1995). A cognitive developmental approach to morality: investigating the psychopath. Cognition, 57(1), 1-29.
Bolles, R. C., & Fanselow, M. S. (1980). A perceptual-defensive-recuperative model of fear and pain. Behavioral and Brain Sciences, 3(2), 291-301.
Braff, D. L., & Geyer, M. A. (1990). Sensorimotor gating and schizophrenia: human and animal model studies. Archives of General Psychiatry, 47(2), 181-188.
Damasio, A. (2010). Self Comes to Mind: Constructing the Conscious Brain. Pantheon Books.
Davis, M. (1992). The role of the amygdala in fear and anxiety. Annual Review of Neuroscience, 15, 353-375.
Dutton, D. G., & Aron, A. P. (1974). Some evidence for heightened sexual attraction under conditions of high anxiety. Journal of Personality and Social Psychology, 30(4), 510-517.
Fanselow, M. S. (1994). Neural organization of the defensive behavior system responsible for fear. Psychonomic Bulletin & Review, 1(4), 429-438.
Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11, 127-138.
Gallagher, S. (2000). Philosophical conceptions of the self: implications for cognitive science. Trends in Cognitive Sciences, 4(1), 14-21.
Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.
Gehlen, A. (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.
Grillon, C. (2008). Models and mechanisms of anxiety: evidence from startle studies. Psychopharmacology, 199(3), 421-437.
Kerr, M., Siegle, G. J., & Orsini, J. (2019). Voluntary arousing negative experiences (VANE): Why we like to be scared. Emotion, 19(4), 682-698.
LeDoux, J. (1996). The Emotional Brain: The Mysterious Underpinnings of Emotional Life. Simon & Schuster.
Melzack, R., & Wall, P. D. (1965). Pain mechanisms: a new theory. Science, 150(3699), 971-979.
Meyer, W. U., Reisenzein, R., & Schützwohl, A. (1997). Toward a process analysis of emotions: The case of surprise. Motivation and Emotion, 21(3), 251-274.
Nesse, R. M. (2005). Natural selection and the regulation of defenses: A signal detection analysis of the smoke detector problem. Evolution and Human Behavior, 26(1), 88-105.
Patrick, C. J., Bradley, M. M., & Lang, P. J. (1993). Emotion in the criminal psychopath: Startle reflex modulation. Journal of Abnormal Psychology, 102(1), 82-92.
Plessner, H. (2019). Levels of Organic Life and the Human: An Introduction to Philosophical Anthropology (M. Hyatt, Trans.). Fordham University Press. (Oorspronkelijk gepubliceerd 1928)
Schachter, S., & Singer, J. (1962). Cognitive, social, and physiological determinants of emotional state. Psychological Review, 69(5), 379-399.
Seth, A. (2021). Being You: A New Science of Consciousness. Dutton.
Strawson, G. (2004). Against narrativity. Ratio, 17(4), 428-452.
Thompson, R. F., & Spencer, W. A. (1966). Habituation: a model phenomenon for the study of neuronal substrates of behavior. Psychological Review, 73(1), 16-43.
Tipton, M. J. (1989). The initial responses to cold-water immersion in man. Clinical Science, 77(6), 581-588.
Von Holst, E., & Mittelstaedt, H. (1950). Das Reafferenzprinzip. Naturwissenschaften, 37, 464-476.
