Waarom je beste vriend en je grootste vooroordeel uit dezelfde fabriek komen
Beste lezer,
Er is een moment op elk feestje, elke vergadering, elke tribune, waarop “ik” omslaat naar “wij“. Niemand tekent daarvoor. Er gaat geen bel. Maar vanaf dat moment telt de winst en het verlies van de groep opeens zwaarder dan die van jezelf, en daar hebben we een fraai woord voor verzonnen: saamhorigheid. Klinkend mooi, tot je de rekening bekijkt.
Deze keer ging ik met dat scharnier aan de slag. Niet als zoveelste ode aan verbondenheid, daar is de markt van verzadigd, maar als sectie op de operatietafel. Waarom worden mensen offervaardig zodra ze zich “wij” voelen, en waarom is diezelfde offervaardigheid altijd tegelijk het begin van wantrouwen naar wie erbuiten valt? Ik leg het naast Durkheims onopgeloste dubbelmens, Haidts bijenkast-schakelaar, de gok die geloven eigenlijk is, en een zomerkamp uit 1954 waar twaalfjarige jongens binnen een week elkaars vlaggen in de fik staken.
De conclusie is niet vrolijk, en dat is precies waarom hij het lezen waard is. Solidariteit en tribalisme blijken geen twee losse verschijnselen die elkaar toevallig kruisen. Het is één motor met twee uitlaten. Wie dat eenmaal ziet, kijkt nooit meer onschuldig naar een teamshirt, een vlag, of een kerkgang.
Het essay staat hierbij, met een literatuurlijst erachteraan voor wie de beweringen wil controleren of, beter nog, wil tegenspreken. Ik houd van tegenspraak. Laat maar horen.
Met een cynische groet,
Peter Koopman
Tien procent bij, negentig procent chimpansee
Waarom je beste vriend en je grootste vooroordeel uit dezelfde fabriek komen
Er is een moment, ergens tussen het derde biertje op een verjaardag en de laatste noot van het volkslied, waarop “ik” stilletjes plaatsmaakt voor “wij”. Niemand ondertekent daar iets voor. Er gaat geen alarm af. Maar de rekenmachine in je hoofd, die normaal gesproken alleen jouw kosten en baten optelt, schakelt om naar een collectieve boekhouding. Wat “ons” kost, telt opeens anders dan wat “mij” kost. Dat scharnier, dat simpele grammaticale trucje van enkelvoud naar meervoud, is een van de gevaarlijkste stukjes uitrusting die de evolutie ooit heeft afgeleverd. Het heeft steden gebouwd en het heeft ze platgebrand, vaak in dezelfde eeuw, soms door dezelfde mensen.
Neem het beeld van de celdeling maar serieus, want het is preciezer dan een losse metafoor. Wat gebeurt er als losse eenheden zich gaan gedragen als onderdelen van iets groters? Maynard Smith en Szathmáry hebben daar een heel boek aan gewijd, “The Major Transitions in Evolution”, en hun antwoord is ongemakkelijk consistent op elk niveau van het leven. Cellen werden organismen. Organismen werden kolonies. Mensen werden stammen, stammen werden staten. Bij elke stap levert de kleinere eenheid autonomie in en koopt daarmee overlevingskans op een hoger niveau. Een levercel kan niet meer zomaar besluiten ergens anders heen te fietsen. Een mens in een dicht netwerk van wederzijdse verplichtingen ook niet, al voelt dat minder biologisch en meer als “de familie” of “het team” of “het vaderland”. De prijs van elk wij is een stuk ik dat word ingeleverd, en dat wordt je vooraf zelden eerlijk verteld.
Homo Duplex is het label dat Jonathan Haidt op dat verschijnsel plakt in “The Righteous Mind”, al is de term zelf van Durkheim geleend, die er iets abstracters mee bedoelde: de mens als permanent slagveld tussen zijn biologische individualiteit en zijn sociaal geconstrueerde zelf. Haidt maakt er een dierentuin van. Negentig procent van de tijd zijn we chimpansee: statusbewust, coalities smedend, elkaar vlooiend voor gunsten en wraak nemend zodra het kan. De overige tien procent kan de schakelaar omgaan, de “hive switch”, en gedraagt de mens zich als bij in een korf. Even geen ik meer, alleen nog een radertje dat zichzelf graag opoffert voor het geheel. Kijk naar een leger in de aanval, een menigte bij een stadionfinale, een kerkdienst op zijn hoogtepunt. Andere kleding, zelfde schakelaar. Wie denkt dat het tweede een deugd is en het eerste een gebrek, heeft de pointe gemist: het is dezelfde uitrusting, alleen anders ingesteld.
Waarom zou je die schakelaar omzetten voor een verzinsel dat je niet kunt bewijzen? Hier wordt geloven interessant als gok, en niet in de trivialiserende zin. Pascal had één versie van de weddenschap: oneindige winst tegenover eindige inzet, dus rationeel om te geloven ook zonder bewijs. De religiewetenschap heeft er sindsdien een nuttiger versie van gemaakt. Sosis en Bulbulia lieten zien dat het kostbare, soms letterlijk pijnlijke deel van geloof, vasten, besnijdenis, tienden, geen ongelukkig bijproduct is maar het complete mechanisme. Dat heet costly signaling. Wie bereid is zoveel weg te geven aan een groep zonder directe tegenprestatie, liegt vermoedelijk niet over zijn inzet, want liegen was goedkoper geweest. Iannaccone noemt religies om die reden “clubs” met opzettelijk hoge instapkosten: hoe duurder het lidmaatschap, hoe minder freeriders, hoe hechter de rest. Geloof is dus geen denkfout van mensen die het rationeel beter hadden kunnen weten. Het is een handtekening die je niet kunt vervalsen, gezet in een valuta die alleen oprechten kunnen betalen.
En dan je rijtje van solidariteit, individualisme, non-conformisme, loyaliteit. Dat zijn geen vier losse plaatjes in een fotolijst, dat is één as met wisselende standen, en Haidt zet loyaliteit tegenover verraad expliciet neer als een van de zes fundamenten waarop mensen hun moraal bouwen in zijn Moral Foundations Theory. Wat daarbij zelden hardop wordt gezegd: solidariteit naar binnen en vijandigheid naar buiten zijn geen twee verschijnselen die toevallig vaak samen voorkomen. Het is één verschijnsel met twee gezichten. Wie loyaal is aan de groep, is per definitie minder loyaal aan wie erbuiten staat, en wie binnen de groep de non-conformist speelt, wordt zelf verdacht, niet om zijn ideeën maar om zijn weigering het groepssignaal af te geven. Non-conformisme is zelf een costly signal. Het wijst gewoon de verkeerde kant op.
Nu de klap, want die zit in de zin “Alles wat mensen samenbindt in een dicht netwerk van vertrouwen, maakt mensen minder zelfzuchtig” en verdient meer gewicht dan een bijzin. Dat klopt, en precies daarom is het geen reden voor optimisme. Bowles en Gintis muntten er in “A Cooperative Species” een term voor: parochiaal altruïsme. Dezelfde machinerie die offerbereidheid binnen de groep produceert, produceert wantrouwen of ronduit vijandigheid naar wie er niet bijhoort. Geen bug naast de altruïsme-feature. Dezelfde regel, ander adres. Sherif bewees het al in 1954 met twaalfjarige jongens in een zomerkamp, het beroemde Robbers Cave experiment: verdeel ze in twee groepjes, geef ze een wedstrijdje om een vlag, en binnen een week staan de tenten in brand. Mensen worden niet aardiger door binding. Ze worden aardiger binnen de cirkel die ze zelf getrokken hebben, en feller aan de rand ervan. Vertrouwen bouwt gemeenschap, en gemeenschap bouwt vertrouwen, maar wat het niet bouwt is een groter hart. Het verplaatst alleen de grens waarbinnen het hart nog klopt.
Er is hier ruimte voor tegenspraak, en die verdient het om serieus genomen te worden in plaats van weggewuifd. Niet iedere bioloog gelooft in groepsselectie als verklaring voor menselijk altruïsme. Pinker fileerde het argument in “The False Allure of Group Selection”, en West, Griffin en Gardner lieten met wiskundige precisie zien dat wat “voor de groep” lijkt, bijna altijd te herleiden is tot verwantschapsselectie of wederkerig eigenbelang op individueel niveau, geen mysterieuze groepsdeugd. Ook Henrich, in “The Secret of Our Success”, plaatst het accent liever bij culturele evolutie en collectief leren dan bij een aangeboren bijenkast-instinct: wat ons uniek maakt is niet dat we ons opofferen voor de groep, maar dat we van elkaar kunnen leren op een schaal die geen ander dier haalt. En Christopher Boehm laat in “Hierarchy in the Forest” zien dat egalitarisme bij jager-verzamelaars geen spontane broederschap was, maar actief afgedwongen werd, met roddel, uitsluiting en soms executie tegen wie te dominant probeerde te worden. Saamhorigheid is dan niet de bloem maar het hek eromheen.
Wie hierin verder wil lezen, moet niet alleen Haidt pakken. Peter Turchins “Ultrasociety” trekt de lijn door naar oorlog als motor van steeds grotere samenwerkingsverbanden. Robin Dunbars werk over de sociale hersenen en de roddel-hypothese verklaart waarom die netwerken van vertrouwen om te beginnen een harde bovengrens hebben, ergens rond de honderdvijftig. Ara Norenzayans “Big Gods” bouwt voort op precies het costly-signaling-verhaal en verbindt het aan de opkomst van grote, anonieme samenlevingen die alleen functioneren als een onzichtbare toezichthouder wordt geloofd. En wie het scepticisme wil, leest Pinker naast Wilson, niet in plaats van.
De vraag is dus niet of we ooit afraken van de parochiale, zelfingenomen hypocriet. Dat gebeurt niet, en de reden is elegant in zijn wreedheid: de hypocriet en de altruïst worden aangedreven door dezelfde motor. Verwijder de motor en je verliest ook de solidariteit die je wilde behouden. De enige knop waar echt aan te draaien valt, is niet de omvang van het meeleven maar de omvang van de cirkel waarbinnen het toegestaan is. Daar zit het hele project van beschaving in een notendop: niet de chimpansee eruit fokken, en niet meer bij worden dan goed voor ons is, maar de korf zo groot maken dat er, met tegenzin en geknars, ook een vreemde in past.
Literatuurlijst
Boehm, C. (1999). Hierarchy in the Forest: The Evolution of Egalitarian Behavior. Cambridge, MA: Harvard University Press.
Bowles, S. & Gintis, H. (2011). A Cooperative Species: Human Reciprocity and Its Evolution. Princeton: Princeton University Press.
Bulbulia, J. (2004). The cognitive and evolutionary psychology of religion. Biology & Philosophy, 19(5), 655–686.
Dunbar, R.I.M. (1996). Grooming, Gossip, and the Evolution of Language. Cambridge, MA: Harvard University Press.
Durkheim, É. (1914). Le dualisme de la nature humaine et ses conditions sociales. Scientia, 15, 206–221.
Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. New York: Pantheon Books.
Henrich, J. (2015). The Secret of Our Success: How Culture Is Driving Human Evolution, Domesticating Our Species, and Making Us Smarter. Princeton: Princeton University Press.
Iannaccone, L.R. (1992). Sacrifice and stigma: Reducing free-riding in cults, communes, and other collectives. Journal of Political Economy, 100(2), 271–291.
Maynard Smith, J. & Szathmáry, E. (1995). The Major Transitions in Evolution. Oxford: W.H. Freeman/Spektrum.
Norenzayan, A. (2013). Big Gods: How Religion Transformed Cooperation and Conflict. Princeton: Princeton University Press.
Pascal, B. (1670). Pensées. Postuum gepubliceerd.
Pinker, S. (2012, 18 juni). The false allure of group selection. Edge.org.
Sherif, M., Harvey, O.J., White, B.J., Hood, W.R. & Sherif, C.W. (1961). Intergroup Conflict and Cooperation: The Robbers Cave Experiment. Norman: University of Oklahoma Book Exchange.
Sosis, R. (2003). Why aren’t we all Hutterites? Costly signaling theory and religious behavior. Human Nature, 14(2), 91–127.
Turchin, P. (2016). Ultrasociety: How 10,000 Years of War Made Humans the Greatest Cooperators on Earth. Storrs, CT: Beresta Books.
West, S.A., Griffin, A.S. & Gardner, A. (2007). Social semantics: Altruism, cooperation, mutualism, strong reciprocity and group selection. Journal of Evolutionary Biology, 20(2), 415–432.
Wilson, E.O. (2012). The Social Conquest of Earth. New York: Liveright.
