Onder de regenboogvlag lopen twee feestjes door elkaar, en bijna niemand vraagt welke
Beste lezer,
Drie weken vlaggen op de Amsterdamse grachten, gesponsord door banken die de rest van het jaar in grijze pakken vergaderen over hypotheekrentes. Wat er precies gevierd wordt, blijft onuitgesproken. Seksuele oriëntatie en genderidentiteit lopen al vijftig jaar onder dezelfde vlag, alsof het één biologisch verhaal is met twee hoofdstukken. Niemand op de boot vraagt hardop of dat wel klopt.
Dit essay stelt die vraag alsnog, en volgt het antwoord door vijf wetenschapsgebieden die elkaar zelden iets te vertellen hebben: Ian Hacking’s looping effects en Dennett’s Cartesiaans theater, Swaab’s omstreden hersenonderzoek naast de fantoomamputatiewens als waarschuwend nevengeval, en het opmerkelijkste bewijsstuk van allemaal, een dorp in de Dominicaanse Republiek waar als meisje opgevoede jongens op hun twaalfde alsnog man worden. Het eindigt bij het hardste probleem uit de filosofie van de geest: waarom voelt iets eigenlijk ergens naar.
Geen partijstandpunt, geen pleidooi. Wel een lezer die de volgende keer twee keer nadenkt voor hij een vlag voor wetenschappelijk feit aanziet.
Lees het hierbij ingesloten essay, Trots op een Raadsel, compleet met literatuurlijst voor wie verder wil.
Peter Koopman
Trots op een raadsel (long read)
Amsterdam heeft de vlaggen net opgeborgen. Drie weken lang hing de stad vol met regenboog: aan gevels, op bierviltjes, in de etalage van de Albert Heijn op de Overtoom, op de borst van bankmedewerkers die de rest van het jaar in een grijs pak vergaderen over hypotheekrentes. Iedereen liep mee, sponsorde mee, deelde een foto van de boot op de Prinsengracht. De vraag die niemand op zo’n boot stelt, en die eigenlijk gesteld zou moeten worden voor er nog een euro naar glitter gaat: wat vieren we precies?
Het makkelijke antwoord is vrijheid, gelijke rechten, het recht om lief te hebben wie je wilt zonder dat de politie langskomt. Terecht, en historisch verdiend, in een land dat pas in 2001 het homohuwelijk wettelijk maakte en daarvoor decennia een strafrechtelijke afkeer van homoseksualiteit cultiveerde die nu is weggepoetst tot een voetnoot op een geschiedenisles. Maar onder die ene vlag lopen inmiddels twee heel verschillende feesten door elkaar, en de meeste meelopers beseffen dat zelf niet eens. Het ene feest gaat over wie je begeert. Het andere gaat over wie je bent. Seksuele oriëntatie en genderidentiteit worden onder dezelfde regenboog gevangen alsof het één biologisch verhaal is met twee hoofdstukken, en dat is precies de vraag waarop de wetenschap nog geen bevredigend antwoord heeft: zijn het twee hoofdstukken van hetzelfde boek, of twee compleet verschillende boeken die toevallig in dezelfde kast staan omdat een bibliothecaris ergens rond 1970 besloot dat ze bij elkaar hoorden?
Ga er niet vanuit dat hier een politiek statement volgt over wie welke rechten verdient. Dat is een andere discussie, met andere maatstaven, en die laat ik voor wat ze is. Wat ik wil laten zien is iets ongemakkelijkers: dat de wetenschappelijke basis onder “ik ben geboren als de verkeerde sekse” nog volop in ontwikkeling is, dat serieus onderzoek zowel bevestigt als compliceert wat de meeste mensen op straat als vaststaand feit beschouwen, en dat je, wil je de zaak eerlijk doorgronden, minstens zes verschillende wetenschapsgebieden moet raadplegen die elkaar lang niet altijd iets te vertellen hebben.
Het zelf dat er eigenlijk niet is
Begin bij het begin, bij het “ik” zelf, want daar zit de grootste denkfout die bijna iedereen maakt zonder het te merken. We denken aan onszelf als een vaste kern die van jongs af aan aanwezig is en die door het leven heen wordt ontdekt of onthuld. George Herbert Mead brak daar al rond 1930 mee: er is geen zelf zonder de blik van anderen, het zelf ontstaat pas in de terugkoppeling van hoe de omgeving op je reageert.[1] Charles Cooley vatte het eerder al samen als het looking glass self, jij ziet jezelf zoals je denkt dat anderen je zien, en die geschatte blik vormt vervolgens wie je wordt.[2] Robert Kurzban zet er een venijniger toon bij: het zelf is geen orgaan, het is een pr-afdeling, een instantie die achteraf verklaringen verzint voor gedrag dat allang plaatsvond voordat er iets te verklaren viel.[3]
Dat laatste is geen retoriek. Michael Gazzaniga’s split-brain-onderzoek toonde aan dat de linkerhersenhelft een module heeft, de interpreter, die achteraf een verhaal verzint over waarom je iets deed, zelfs wanneer het echte motief in de andere hersenhelft zat en voor de interpreter volstrekt ontoegankelijk was.[4] Patiënten bij wie het corpus callosum was doorgesneden, verzonnen moeiteloos rationele verklaringen voor gedrag dat door de andere hersenhelft was aangestuurd, zonder te beseffen dat ze aan het confabuleren waren. Je ik stuurt niet, het rapporteert achteraf, met net zoveel gezag als een woordvoerder die zelf niet bij de vergadering zat.
En daar komt Ian Hacking bij, met een idee dat de rest van dit essay draagt: looping effects.[5] Een categorie krijgt een naam, mensen gaan zich naar die naam gedragen, en de categorie verandert daardoor weer vorm, in een lus zonder eindpunt. ADHD bestond niet in 1955 zoals het nu bestaat, niet omdat kinderen toen anders waren bedraad, maar omdat de taal ontbrak om een verzameling gedrag tot één ding te maken. Burn-out bestond niet voordat het woord er was, wat niet betekent dat niemand voor 1970 uitgeput raakte van werk, het betekent dat er geen erkende bak was om die uitputting in te gooien. Zodra Pride een naam en een podium geeft aan “ik voel me de verkeerde sekse”, trekt die naam mensen aan bij wie heel verschillende onderliggende processen spelen. En dat is precies waarom het zo lastig is om over dit onderwerp iets algemeens te zeggen zonder meteen tien uitzonderingen tegen te komen.
Bewustzijn heeft geen begroting
Een misverstand dat ikzelf eerder in deze reeks maakte, dus laat ik het meteen rechtzetten: bewustzijn is niet iets wat de mens “verworven” heeft, alsof er een project lag met een deadline en een investeerder. Evolutie heeft geen doel, geen plan, geen begroting die ergens op uitkomt. Er is variatie, er is selectie, en wat overblijft is wat toevallig werkte in de omstandigheden van dat moment. Robin Dunbar’s sociale-breinhypothese legt uit waarom onze hersenen zo disproportioneel groot zijn ten opzichte van ons lichaam vergeleken met andere primaten: niet om vuurstenen te slijpen, maar om bij te houden wie in een groep van rond de honderdvijftig individuen wie bedriegt, wie een bondgenoot is, wie een schuld heeft openstaan.[6] Een narratief zelf, een intern model dat het eigen gedrag aan zichzelf verklaart, is dan geen verheven geschenk maar een bijproduct van dat sociale rekenwerk, dat toevallig ook goed van pas kwam om zelf voorspelbaar te zijn en voorspellingen te doen over anderen.
Zeg dus niet dat de mens bewustzijn “kreeg” zoals je een cadeau krijgt. Zeg dat een organisme dat zichzelf modelleert beter kan inschatten wat andere organismen-met-zelfmodellen gaan doen, en dat dat overlevingsvoordeel bood in een soort die afhankelijk werd van coalities. Geen ontwerp, wel resultaat.
De natuur gokt, zonder gokker
Dat “geen ontwerp, wel resultaat” verdient een eigen paragraaf, want het is de meest onderschatte zin in de hele biologie, en de taal werkt voortdurend tegen je als je hem probeert vast te houden. Zeg “de soort brengt variaties voort die de overlevingskans vergroten” en je hebt zonder het te merken alweer een doel ingebouwd, alsof er iemand aan het stuur zit die vooruitkijkt. Er is niemand aan het stuur. Er is een verschil tussen twee soorten “waarom” dat Ernst Mayr en, preciezer, Niko Tinbergen in de jaren zestig uit elkaar trokken: de proximate vraag, het mechanisme, en de ultimate vraag, de evolutionaire functie.[7] Op het proximate niveau is een mutatie volledig verklaarbaar: een kopieerfout van DNA-polymerase, een transposon dat zichzelf verplaatst, straling, een chemisch mutageen, een misser bij meiotische crossing-over. Geen mysterie, gewoon chemie. Op het ultimate niveau bestaat er geen “waarom” in de zin van doel of reden. Mutatie is blind ten opzichte van wat nuttig zou zijn, en pas achteraf, via wie er meer nakomelingen krijgt, “kiest” de omgeving met terugwerkende kracht wat bruikbaar bleek.
Motoo Kimura formaliseerde dat in 1968 met zijn neutrale theorie: het overgrote deel van moleculaire evolutie heeft zelfs helemaal niets met selectie te maken, gewoon genetische drift van varianten die noch schadelijk noch nuttig zijn.[8] Donald Campbell had er in 1960 al een naam voor die het dichtst bij de intuïtie van gokken zonder gokker komt, blind variation and selective retention, hetzelfde generate-and-testmechanisme dat volgens hem niet alleen evolutie maar ook leren en creativiteit aandrijft.[9] Richard Dawkins koos in 1986 welbewust een titel die precies dit beeld vasthoudt: de blinde horlogemaker, een proces dat oogt als ontwerp maar geen enkel vooruitzicht heeft.[10] En Stephen Jay Gould en Richard Lewontin leverden in 1979 misschien wel de scherpste waarschuwing tegen precies de arrogantie waar ik op doel: het Panglossiaans paradigma, de gewoonte in de evolutiebiologie om voor elk kenmerk achteraf een plausibel adaptief verhaal te verzinnen, alsof de wetenschapper wist wat de natuur “bedoelde”, terwijl veel kenmerken spandrels zijn, bijproducten van iets anders, zonder aparte functionele reden.[11] Diezelfde arrogantie zit aan beide kanten van de tijdlijn. Vooruitkijkend doen we alsof we weten waartoe een variatie dient. Terugkijkend doen we alsof we weten waarom ze precies zo moest ontstaan. Beide keren verkopen we een gok als een verklaring.
Eén nuance verdient het om die algehele blindheid niet te overdrijven. Susan Rosenberg liet zien dat bacteriën onder stress hun eigen mutatiesnelheid opschroeven: de dobbelstenen worden vaker gegooid wanneer het slecht gaat, zonder dat de uitkomst van elke worp gestuurd wordt.[12] De dobbelsteen blijft blind, het aantal worpen niet. Sikkelcelanemie laat vervolgens zien hoe context achteraf waarde toekent aan zo’n blinde worp: dodelijk in homozygote vorm, maar heterozygoten bleken significant beter beschermd tegen malaria, dus in malariagebieden bleef de variant hangen, elders werd ze weer weggeselecteerd.[13] En linkshandigheid is het voorbeeld dat het dichtst bij dit essay staat: eeuwenlang gepathologiseerd, kinderen fysiek gedwongen om rechts te schrijven, en toch blijkt uit tweelingonderzoek dat zelfs bij genetisch identieke tweelingen de concordantie ver onder de honderd procent blijft. Een fors deel is pure ontwikkelingsruis, niet terug te voeren op één aanwijsbare oorzaak, laat staan op een reden. Onthoud die drie voorbeelden, want ze komen terug zodra we bij het lichaam zelf uitkomen.
Het Cartesiaanse theater, en waarom “ervaren” een valstrik is
Hier wordt het lastiger, en hier zit precies de denkfout die de meeste discussies over genderidentiteit ondermijnt zonder dat iemand het doorheeft. Zeg je “ik ervaar mijn geslacht als vrouw” of “ik voel me in het verkeerde lichaam”, dan suggereert die zin een innerlijke kijker die naar een scherm staart en concludeert wat waar is. Daniel Dennett doopte dat beeld het Cartesiaans theater, juist om te laten zien dat zo’n zaaltje nergens in het brein bestaat.[14] Er is geen plek waar alle informatie samenkomt voor een publiek van één.
Wat er waarschijnlijk wel gebeurt ligt dichter bij predictive processing: het brein genereert voortdurend een voorspelling van het eigen lichaam, een model, en toetst die voorspelling continu aan binnenkomende sensorische en interoceptieve signalen. Karl Friston bracht dat in technische vorm, Anil Seth toegankelijker.15 Gebruik Friston hier trouwens als beeld, niet als letterlijk mechanisme, om dezelfde reden als hierboven bij de gok zonder gokker: het vrije-energieprincipe gaat over hoe een waarnemend systeem tijdens zijn leven verrassing minimaliseert, niet over hoe mutaties ontstaan, de twee ideeën lenen elkaars wiskunde maar zijn geen identiek proces. Klopt de voorspelling niet met de input, dan ontstaat een aanhoudend foutsignaal, en dat foutsignaal stuurt gedrag en aandacht aan. Geen kijker die concludeert “dit ben ik”, een systeem dat zichzelf blijft bijstellen totdat het verschil tussen model en materiaal weer klein genoeg is om te negeren, of dat verschil nooit klein genoeg wordt en dus jarenlang onrust blijft genereren.
Thomas Metzinger geeft het model waar dit op landt: het phenomenal self-model.[17] Het kenmerk van dat model is transparantie, het presenteert zichzelf niet als model, het presenteert zichzelf als de werkelijkheid zelf. Daarom voelt “ik ben een vrouw” niet als een conclusie maar als een constatering van iets dat er al lag. Niet omdat het een verzinsel is dat je jezelf wijsmaakt, wel omdat het een model is dat zich per definitie verbergt achter zijn eigen output. De rubber hand illusion van Botvinick en Cohen laat het proces in het klein zien: tik een rubberen hand synchroon met de verborgen echte hand van een proefpersoon en binnen enkele minuten incorporeert het lichaamsschema het rubber als eigen bezit, met huidgeleidingsreacties en al zodra er met een hamer naar wordt gezwaaid.[18] Geen bewuste beslissing, een model dat zich herberekent op basis van correlatie tussen zien en voelen.
Zeg dus liever: het lichaamsschema van sommige mensen genereert een aanhoudende, stabiele voorspelling die niet overeenkomt met de fysieke input die het lichaam levert, en dat foutsignaal is niet met argumenten weg te redeneren omdat het onder het niveau van argumenten opereert. Dat is een heel andere claim dan “ik ervaar dat ik eigenlijk een vrouw ben”, en het scheelt nogal wat filosofische bagage.
Wat de hersenen van transgender personen wél en niet laten zien
Het bekendste harde bewijs komt van een postmortemonderzoek uit 1995 naar de bed nucleus van de stria terminalis, een kerngebied in de hypothalamus dat bij transgender vrouwen qua celaantal meer overeenkwam met dat van cisgender vrouwen dan met cisgender mannen, en omgekeerd.[19] Dick Swaab bouwde daar later populair-wetenschappelijk op voort, tot bijna volksgeloof toe.[20]
Het probleem, en dat had ikzelf eerder te stellig neergezet, is causaliteit. De hersenen in die studies waren van volwassenen die vaak jarenlang kruishormonen hadden gebruikt voor overlijden of scan. Hormonen veranderen hersenweefsel aantoonbaar, dus de vraag blijft openstaan of de afwijkende kern de identiteit veroorzaakte, of dat de identiteit leidde tot hormoonbehandeling die vervolgens de kern veranderde. Swaabs eigen latere werk erkent dit als een niet-afgesloten vraag. Cordelia Fine wijst terecht op de bredere neiging in dit veld om kleine, methodologisch wankele hersenverschillen te verkopen als sluitend bewijs voor een aangeboren essentie, een risico dat ze neuro-essentialisme noemt en dat aan beide kanten van elk genderdebat opduikt zodra iemand een scan als trofee gebruikt.[21]
Waar je wel om een sluitender antwoord kunt, is een natuurlijk experiment zonder die hormonale ruis achteraf, en om een blinde variatie zoals hierboven beschreven die zich toevallig leent voor een schoon vergelijk tussen aanleg en opvoeding.
Guevedoces, turnim-man, en het bewijs dat opvoeding kan verliezen
Julianne Imperato-McGinley publiceerde in 1974 een van de opmerkelijkste casusreeksen uit de endocrinologie, uit een dorpsgemeenschap rond Salinas in de Dominicaanse Republiek.[22] Genetisch jongens, XY, met functionerende testis en normale testosteronaanmaak, maar met een deficiëntie van het enzym 5-alfa-reductase, een mutatie in het SRD5A2-gen, exact het soort blinde, doelloze kopieerfout waar de vorige sectie over ging, waardoor testosteron prenataal niet wordt omgezet in DHT, het hormoon dat nodig is om de uitwendige geslachtsdelen te vermannelijken. De kinderen werden geboren met een uiterlijk dat op een meisje leek en werden als meisje grootgebracht, soms twaalf jaar lang, met jurkjes, meisjesnamen, meisjesrollen in het dorp. Bij de puberteit stijgt testosteron opnieuw fors, en voor de puberale veranderingen, de stemverlaging, de spiergroei, de groei van de fallus, de indaling van de testis, is geen DHT nodig, alleen testosteron zelf. Binnen enkele maanden vermannelijkte het lichaam zichtbaar. Lokaal kregen deze kinderen een bijnaam die zich vertaalt als “penis op je twaalfde”. De overgrote meerderheid schakelde bij de puberteit over naar een mannelijke genderidentiteit en mannelijke sociale rol, ondanks een decennium opvoeding als meisje, een bevinding die later werd bevestigd bij een vergelijkbare, apart ontdekte populatie van de Sambia in Papoea-Nieuw-Guinea, waar men spreekt van “turnim-man”.[23]
Dat is een directe klap voor de these die decennialang dominant was in de Angelsaksische psychologie, dat genderidentiteit bij geboorte in de kern neutraal is en volledig wordt ingevuld door opvoeding. Diezelfde these ging al eerder onderuit aan de zaak van David Reimer, de jongen die na een mislukte besnijdenis op babyleeftijd chirurgisch tot meisje werd gemaakt en strikt als meisje werd opgevoed, en die desondanks op zijn veertiende alsnog terugkeerde naar een mannelijke identiteit.[24] Twee onafhankelijke lijnen bewijs, twee continenten, dezelfde conclusie: opvoeding wint het niet altijd van wat er prenataal is aangelegd.
Er is een contrastgeval dat de zaak nog scherper maakt, en dat meteen duidelijk maakt dat het niet simpelweg om testosteron gaat. Complete androgeenongevoeligheid, CAIS: ook XY, ook functionerende testis met normale testosteronaanmaak, maar de androgeenreceptor zelf werkt niet, dus de cellen kunnen niets met het testosteron dat langskomt. Uitwendig ontwikkelt het lichaam zich vrouwelijk, want zonder werkende receptor is vrouwelijk de standaardroute in de menselijke ontwikkeling. Deze mensen worden als meisje opgevoed en identificeren zich vrijwel zonder uitzondering hun hele leven als vrouw, ondanks XY-chromosomen en inwendige testis die meestal om medische redenen worden verwijderd. Leg de twee casussen naast elkaar en het patroon wordt onthutsend precies: niet het testosteronniveau bepaalt de uitkomst, niet het uiterlijk van de geslachtsdelen bij geboorte, niet de chromosomen, maar of de androgeenreceptor in het brein prenataal kon reageren op wat er passeerde.
Twee kanttekeningen, om het niet mooier te maken dan het is. De onderzochte groepen zijn klein en geografisch geconcentreerd in gemeenschappen met veel onderlinge verwantschap, dus zomaar doortrekken naar de wereldbevolking is voorbarig. En zodra “penis op je twaalfde” lokaal een erkende, verwachte gebeurtenis werd, ontstond er ook een sociaal script dat de overgang vergemakkelijkte, opnieuw Hackings looping effect, een naam die er eenmaal ligt stuurt mee hoe soepel mensen de bijbehorende rol oppakken. Zelfs het mooiste natuurlijke experiment in dit domein is dus geen biologie in het luchtledige.
Fantoomledematen, en het lichaamsdeel dat er niet mag zijn
Er bestaat een tweede, veel zeldzamere aandoening die het verhaal nog verder compliceert, en die precies laat zien waarom neurologische hardnekkigheid alleen niet automatisch de juiste behandeling aanwijst. Body Integrity Identity Disorder, tegenwoordig vaker Body Integrity Dysphoria genoemd, dankt de naamgeving aan psychiater Michael First sinds 2005.[25] Mensen met een intense, stabiele, vaak al vanaf de kindertijd aanwezige wens om een volledig gezond ledemaat te laten amputeren, meestal het linkerbeen, vaker mannen, is extreem zeldzaam. V.S. Ramachandran en David Brang legden een plausibel substraat bloot in de superieure pariëtale kwab, het hersengebied waar het lichaamsschema wordt opgebouwd, met een fysiologische marker erbij: bij deze patiënten is de huidgeleidingsreactie verminderd precies onder de gewenste amputatielijn, alsof het brein het lichaamsdeel op onbewust niveau al niet meer als eigen registreert.[26]
Precies zoals bij het lichaamsschema van transgender personen werkt hier bijna zonder uitzondering geen gesprekstherapie. En in de kleine steekproef mensen die alsnog een amputatie ondergingen, rapporteerde het gros opluchting in plaats van spijt.
Wat bewijst dat wel, en wat niet? Het bewijst dat een hardnekkig lichaamsmodel dat niet met retoriek te corrigeren is, echt bestaat, en dat het aanpassen van het lichaam aan het model soms de enige interventie is die iets doet. Het bewijst niet dat elk hardnekkig lichaamsmodel dezelfde route verdient. BIID en genderdysforie delen het kenmerk dat je het niet wegpraat, ze delen niet dezelfde hersenlocatie, niet dezelfde epidemiologie, niet dezelfde levensloop, niet dezelfde omvang van de literatuur. “Elke mismatch is legitiem en verdient aanpassing” is even lui als “elke mismatch is inbeelding en verdient wegredeneren”.
Zijn versus hebben
Dan een vraag die de rest van dit essay eigenlijk voortdurend onder de oppervlakte lag: waarom definieert een transgender persoon zichzelf actief als zodanig, terwijl iemand met spina bifida, een dwarslaesie of twaalf vingers dat niet doet? Die laatste groepen spreken over zichzelf, of horen anderen over zichzelf spreken, in de taal van “hebben”, een afwijking van de norm die je met je meedraagt. Waarom die asymmetrie, als het bij alle drie om biologische variatie gaat die niemand zelf heeft uitgekozen?
Niet omdat de een “echter” biologisch zou zijn dan de ander, dat is een verleidelijke maar foute conclusie. Kijk naar doofheid. Een groot deel van de prelinguaal dove gemeenschap, opgegroeid met gebarentaal en dovenscholen, wijst het label “gehoorbeperking” fel af en noemt zichzelf Doof met een hoofdletter, als culturele en linguïstische identiteit, niet als gebrek, een strijd die Harlan Lane in 1992 uitvoerig beschreef.[27] Dezelfde verschuiving zag je bij autisme, sinds Judy Singer in 1998 de term neurodiversiteit muntte: van “persoon met autisme”, iets wat je hebt, naar “autistisch persoon”, een identiteit, iets wat je bent.[28] Kleine mensen vierden hun eigen categorie via Little People of America nog eerder dan de meeste van deze bewegingen.
Waarom lukt dat bij doofheid, autisme, dwerggroei en genderidentiteit, en niet bij spina bifida, een dwarslaesie of polydactylie? Het antwoord ligt in wat de gehandicaptheidsstudies het medische model tegenover het sociale model noemen, een onderscheid dat Mike Oliver in 1983 scherp maakte: het medische model behandelt een afwijking als individueel defect dat gerepareerd moet worden, het sociale model behandelt haar als een vorm van menselijke variatie die pas beperkend wordt door een omgeving die er niet op is ingericht.[29] Doofheid werd sociaal model zodra er genoeg dove mensen bij elkaar zaten, op internaten, met een eigen taal, om er een cultuur van te maken. Spina bifida en polydactylie hebben dat momentum nooit gehad, niet omdat ze minder ingrijpend zijn, vaak juist ingrijpender, maar omdat er nooit een kritische massa met een gedeelde subjectieve ervaring en een gedeelde taal omheen is ontstaan die er een gemeenschap van kon bouwen. Weer Hackings looping effect, nu op het niveau van een heel framework: niet alleen de naam van een aandoening trekt mensen aan, het idee dat een aandoening een identiteit kán zijn in plaats van een defect, is zelf sociaal en historisch bepaald.
Er loopt een tweede, mechanistischer verklaring doorheen die mensen vaak verwarren met de eerste. Bij transgenderidentiteit, en bij het fantoomledemaat- en BIID-verhaal hierboven, is er waarschijnlijk een intern mismatch-signaal: het lichaamsschema voorspelt iets anders dan het lichaam levert, en dat genereert continue onrust die om oplossing vraagt. Bij een aangeboren dwarslaesie of spina bifida ontwikkelt het lichaamsschema zich synchroon met wat er daadwerkelijk is, er is niets om tegen te botsen, dus geen intern signaal dat om “worden” vraagt. Bij Doof-cultuur en de neurodiversiteitsbeweging speelt zo’n mismatch amper een rol, daar is de drijvende kracht bijna zuiver sociaal, een gedeelde taal en gemeenschap die een defect herkadert. Twee heel verschillende motoren, die toevallig hetzelfde eindresultaat opleveren: een gekozen, zelfgedefinieerde identiteit in plaats van een “met”-formulering. Gooi ze niet op één hoop, ook al voelen ze van buitenaf hetzelfde.
De pubers die het ineens ontdekken, en de vraag wie hen daar liet komen
Dan het lastigste stuk van het hele verhaal, want hier ontmoeten biologie en cultuur elkaar op een manier die zich niet netjes laat scheiden. Sinds ongeveer 2010 is er een scherpe stijging in verwijzingen naar genderklinieken bij adolescenten, met opvallend veel biologisch vrouwelijke jongeren en opvallend veel comorbide autisme en angstproblematiek, en in een deel van de gevallen geen voorgeschiedenis van genderdysforie in de kindertijd.
Lisa Littman publiceerde in 2018 een studie over wat ze rapid-onset gender dysphoria noemde, dysforie die ontstond nadat vriendinnengroepen of sociale media er intensief mee bezig raakten, vaak bij meerdere meisjes in dezelfde vriendengroep tegelijk.[30] Neem die studie niet als hard bewijs. Ze werd geworven via oudergemeenschappen die op voorhand al sceptisch stonden tegenover de transitie van hun kind, er was geen direct klinisch contact met de jongeren zelf, en het tijdschrift moest achteraf een correctie plaatsen na terechte kritiek op de methode. Neem het wel serieus als hypothese die apart getoetst moet worden, want het clusterfenomeen dat ze beschreef is in bredere Scandinavische registerdata terug te vinden, los van haar eigen studie.[31]
Daartegenover staat een oudere, methodologisch stevigere lijn onderzoek: de desistance-literatuur uit Toronto en Amsterdam.[32] Van kinderen die vóór de puberteit met genderdysforie werden verwezen, hield in oudere cohorten een fors deel dat niet vol tot in de adolescentie. Velen identificeerden zich later als homoseksueel in plaats van als trans, wat meteen weer een aanwijzing is voor hoe dicht seksuele oriëntatie en genderidentiteit in de kindertijd soms tegen elkaar aan liggen zonder hetzelfde te zijn. Ook hier is kritiek terecht: de diagnostische criteria van destijds waren losser dan nu, dus die oudere cohorten zijn niet zomaar te vergelijken met de strenger gescreende, vaak intenser en consistenter presenterende jongeren van vandaag.
Wat overblijft is geen uniforme populatie onder één label, en dat is precies waar Hackings looping effect weer om de hoek komt kijken. Een groep met vroege, aanhoudende, vanaf de kindertijd consistente identificatie, waar het neurodevelopmentele spoor het meest overtuigend is. Een tweede, later opkomende groep, vaker rond de puberteit, vaker in pieken binnen vriendengroepen en sociale media, waar sociale beïnvloeding als bijdragende factor niet valt uit te sluiten en waar het onderzoek nog nauwelijks op niveau is. Zodra “trans zijn” een beschikbare, sociaal legitieme verklaring wordt, met gemeenschap en verhaal eromheen, wordt die verklaring ook aantrekkelijk voor jongeren bij wie iets heel anders speelt: onzekerheid over het eigen lichaam in de puberteit, sociale angst, autismespectrumkenmerken die toch al zorgen voor een gevoel van niet-passen, of gewoon de doorsnee adolescente behoefte om ergens bij te horen die zich al honderd jaar aan elke beschikbare subcultuur hecht. Dat ondermijnt de eerste groep niet in het minst. Het maakt de tweede groep alleen onzichtbaar zolang beleidsmakers, activisten en critici iedereen onder dezelfde vlag blijven tellen.
Het gat dat geen enkele scan dicht
Er is nog een laag onder dit alles die geen van de bovenstaande onderzoekslijnen aanraakt. Elk model dat hierboven beschreven is, het foutsignaal tussen lichaamsmodel en input, legt uit hoe een systeem discrimineert, rapporteert, gedrag aanstuurt. Het legt niet uit waarom die discriminatie gepaard gaat met iets, waarom er iets is om iets te zíjn in plaats van dat de discriminatie gewoon in het duister plaatsvindt, zoals in een camera die ook rood van blauw onderscheidt zonder dat er iemand thuis is. David Chalmers noemde dat onderscheid in 1995 het verschil tussen de easy problems, hoe discrimineert, integreert, rapporteert een systeem, en het hard problem, waarom voelt dat ergens naar.[33] Thomas Nagel stelde dezelfde vraag eerder en beroemder met zijn vleermuis: breng elk zenuwcircuit van een vleermuis in kaart en je weet nog steeds niet hoe het is om via echolocatie de wereld te bewonen.[34]
Niemand heeft dat gat gedicht, van geen enkel kamp. Dennett en Keith Frankish kiezen illusionisme, de claim dat er na de easy problems geen residu overblijft.[35] David Rosenthals higher-order-theorie stelt dat een toestand bewust wordt zodra er een tweede representatie ontstaat die over de eerste gaat.[36] Stanislas Dehaene en Bernard Baars leggen het bij global workspace, bewust is wat wint in de concurrentie om breed te worden uitgezonden.[37] Giulio Tononi gaat de andere kant op met integrated information theory, bewustzijn als wiskundige eigenschap van de causale organisatie van een systeem zelf.[38]
Voor de klinische praktijk hoeft dat gat niet gedicht te zijn. Een arts die dysforie behandelt, hoeft niet te weten waarom iets ergens naar voelt, alleen welke interventie het foutsignaal vermindert en bij wie. Maar voor iedereen die op een boot door de Prinsengracht vaart en denkt dat de wetenschap het wel heeft uitgezocht: nee, op het niveau waar het er filosofisch echt toe doet, is dat nog niet gebeurd, en misschien gebeurt het nooit.
Trots, op wat dan wel
Terug naar de gracht, en naar de vraag waarmee dit stuk begon. Wat vier je, als je meeloopt onder de vlag die oriëntatie en identiteit al vijftig jaar in hetzelfde vaandel samenperst? Niet een afgeronde wetenschappelijke waarheid, want die is er niet, op geen van beide fronten. Niet een uniforme biologische verklaring, want de bewijslast wijst in minstens drie verschillende richtingen tegelijk: een sterke, deels causaal onduidelijke neurobiologische aanwijzing bij volwassenen, een schoner natuurlijk experiment bij intersekse condities dat opvoeding kan verslaan, en een groeiende, ongemakkelijke aanwijzing dat een deel van de huidige adolescente instroom minstens ten dele iets anders is dan wat de oudere cohorten lieten zien.
Wat je feitelijk viert, is het recht om een categorie te gebruiken die nog niet af is. Een naam die, precies zoals Hacking voorspelde, mensen aantrekt met heel verschillende onderliggende processen, en die daardoor nooit een schoon laboratoriumbegrip zal worden, hooguit een sociaal en klinisch werkbaar begrip waar voorzichtig mee omgesprongen moet worden. Dat is geen reden om de vlag te laten zakken. Het is wel een reden om te stoppen met doen alsof drie weken feestvieren en een neurowetenschappelijk vraagstuk hetzelfde soort zekerheid verdienen, en om, met Gould en Lewontin in het achterhoofd, achterdochtig te blijven tegenover iedereen die met stellige zekerheid vertelt waarom een variatie is ontstaan of waar ze goed voor is. Die zekerheid is bijna altijd een gok in een net pak.
Vier het gerust. Vier het net iets minder hard, en met iets meer besef dat de wetenschap hier nog aan het schrijven is, niet aan het voorlezen.
Noten
- George Herbert Mead, Mind, Self, and Society (postuum gepubliceerd, ca. 1934).
- Charles Cooley, Human Nature and the Social Order (1902), oorsprong van het looking glass self.
- Robert Kurzban, Why Everyone (Else) Is a Hypocrite (2010).
- Michael Gazzaniga, Who’s in Charge? (2011), samenvatting van decennia split-brain-onderzoek.
- Ian Hacking, The Social Construction of What? (1999), looping effects.
- Robin Dunbar, sociale-breinhypothese, o.a. Grooming, Gossip, and the Evolution of Language (1996).
- Ernst Mayr en Niko Tinbergen, onderscheid proximate/ultimate verklaring; Tinbergen, “On Aims and Methods of Ethology” (1963).
- Motoo Kimura, neutrale theorie van moleculaire evolutie (1968, uitgewerkt in The Neutral Theory of Molecular Evolution, 1983).
- Donald Campbell, “Blind Variation and Selective Retention in Creative Thought as in Other Knowledge Processes” (1960).
- Richard Dawkins, The Blind Watchmaker (1986).
- Stephen Jay Gould & Richard Lewontin, “The Spandrels of San Marco and the Panglossian Paradigm” (1979).
- Susan Rosenberg, onderzoek naar stress-geïnduceerde mutagenese bij bacteriën (o.a. jaren negentig-2000).
- Anthony Allison, sikkelcelheterozygotie en malariaresistentie (1954).
- Daniel Dennett, Consciousness Explained (1991), muntte de term Cartesiaans theater.
- Karl Friston, free energy principle (diverse publicaties vanaf 2006), hier gebruikt als metafoor, niet als letterlijk mechanisme voor mutatie.
- Anil Seth, Being You (2021).
- Thomas Metzinger, Being No One (2003) en toegankelijker The Ego Tunnel (2009).
- Botvinick & Cohen, rubber hand illusion (1998).
- Zhou, Hofman, Gooren & Swaab, BSTc-onderzoek, Nature (1995).
- Dick Swaab, Wij Zijn Ons Brein (2010).
- Cordelia Fine, Delusions of Gender (2010), kritiek op neuro-essentialisme.
- Julianne Imperato-McGinley e.a., 5-alfa-reductasedeficiëntie, New England Journal of Medicine (1974).
- Gilbert Herdt, “turnim-man” bij de Sambia, Papoea-Nieuw-Guinea (Herdt & Davidson, 1988).
- Milton Diamond & John Colapinto, As Nature Made Him (2000), de David Reimer-casus.
- Michael First, naamgeving Body Integrity Identity Disorder (2005).
- V.S. Ramachandran & David Brang, onderzoek naar de superieure pariëtale kwab en huidgeleiding bij BIID (o.a. 2008-2011).
- Harlan Lane, The Mask of Benevolence (1992), over Doof-cultuur.
- Judy Singer, introductie van de term neurodiversiteit (1998).
- Mike Oliver, sociaal model van beperking (1983).
- Lisa Littman, rapid-onset gender dysphoria, PLOS One (2018, met latere correctie).
- O.a. Riittakerttu Kaltiala-Heino, Scandinavische registerdata genderklinieken.
- Kenneth Zucker (Toronto) en Thomas Steensma (Amsterdam VU), desistance-literatuur.
- David Chalmers, “Facing Up to the Problem of Consciousness” (1995).
- Thomas Nagel, “What Is It Like to Be a Bat?” (1974).
- Daniel Dennett en Keith Frankish, illusionisme.
- David Rosenthal, higher-order theory of consciousness.
- Stanislas Dehaene & Bernard Baars, global workspace theory.
- Giulio Tononi, integrated information theory.
