Waarom een rubberen hand hetzelfde is als uw huwelijk
Beste lezer,
Leg iemand een rubberen hand op tafel, aai hem twee minuten synchroon met zijn echte hand, en zijn brein noemt het rubber van zichzelf. Huidgeleiding meetbaar, schaamte gegarandeerd. Dat experiment uit 1998 is het kleinste bewijs van iets groots: het zelf stopt niet bij de huid. Het loopt door in alles waar “mijn” op past, een auto, een partner, een geloof, een stuk grond.
Deze keer gaat het over wat er gebeurt als dat “mijn” wordt afgepakt. Soms geeft dat een ongemakkelijke week. Soms is het de aanleiding voor de moord op een ex-partner, want het risico daarop piept, hard gerepliceerd in drie landen, precies rond het moment van scheiding. Soms is het een oorlog om grondgebied dat niemand meer als bestuurlijke lijn ziet, maar als geamputeerd lichaamsdeel.
Ik heb dat uitgewerkt in een essay van ongeveer vierduizend woorden, met de rubber hand illusion, William James, Belk’s extended self, Daly en Wilson over partnerdoding, identity fusion bij strijders en zelfmoordterroristen, en de vraag hoe je een verlies verwerkt zonder jezelf te amputeren.
Het zit als bijlage bij deze mail. Lees het met de nodige argwaan, dat verdraagt het.
Met ‘mijn’ vriendelijke groet,
Peter Koopman
Mijn: aantekeningen over een amputatie
Leg een proefpersoon een rubberen hand op tafel, verberg zijn echte hand achter een scherm, en aai beide gelijktijdig met een penseel. Na een paar minuten gebeurt er iets dat geen enkele proefpersoon voorspelt en waar elke proefpersoon zich vervolgens voor schaamt: hij noemt het rubber van zichzelf. Botvinick en Cohen publiceerden dat resultaat in 1998 in Nature onder de titel “Rubber hands ‘feel’ touch that eyes see”, en het is sindsdien een van de meest gerepliceerde bevindingen in de cognitieve neurowetenschap. Proprioceptieve drift is meetbaar: mensen wijzen hun eigen hand systematisch dichter bij het rubber aan dan hij werkelijk ligt. Huidgeleiding is meetbaar: dreig met een hamer naar het rubber en het lichaam reageert met een stressrespons alsof het om vlees gaat. Ehrsson bouwde het negen jaar later uit tot complete lichaamsillusies, gepubliceerd in Science, waarbij proefpersonen via een videobril het gevoel kregen buiten hun eigen lichaam te staan en daarnaar te kijken. Twee minuten correlatie tussen zien en voelen is voldoende om de grens van het zelf te verleggen.
Dat is geen curiosum voor een collegezaal. Het is het kleinste, goedkoopste voorbeeld van een mechanisme dat de rest van dit essay draagt: het zelf is geen vaste omtrek om een lichaam, het is een voortdurend bijgewerkt abonnement op alles wat het brein de moeite waard vindt om te claimen. Het bezittelijk voornaamwoord “mijn” is daarbij niet zomaar grammatica. Het is een diagnostisch instrument. Waar “mijn” wordt uitgesproken, is ergens een stuk wereld geannexeerd door een zenuwstelsel, en de rest van dit stuk gaat over wat er gebeurt als dat geannexeerde stuk wordt afgepakt: soms is dat een treurige aanpassing, soms een misdrijf, en soms een oorlog.
Het empirische zelf van William James
William James zag het al in 1890, lang voor er ook maar een fMRI-scanner bestond. In zijn Principles of Psychology schreef hij dat het zelf van een mens “de som is van alles wat hij het zijne kan noemen”, niet alleen zijn lichaam en zijn geestelijke vermogens, maar ook zijn kleren, zijn huis, zijn vrouw en kinderen, zijn voorouders en vrienden, zijn reputatie en zijn werk. James noemde dit het “material self” en voegde er nuchter aan toe dat wanneer deze zaken groeien en gedijen, de mens zich triomfantelijk voelt, en wanneer ze afnemen en sterven, hij zich terneergeslagen voelt. Niet elke aanwinst voelt hetzelfde, en dat is precies de reden dat dit essay geen simpel verhaal wordt: er zit een gradatie in het “mijn”, van een parkeerplek tot een geloofsovertuiging, en die gradatie bepaalt hoeveel er instort wanneer het wordt weggenomen.
James werd decennialang weggezet als negentiende-eeuwse introspectie zonder experimentele onderbouwing. De rubber hand illusion en alles wat erna kwam, heeft hem ingehaald. Wat hij vermoedde op basis van zelfobservatie, meten we nu met huidgeleiding en fMRI, en de conclusie verandert niet: de grens van het zelf ligt niet bij de huid.
De handelswaar van het zelf: Belk en de extended self
Russell Belk trok in 1988 in de Journal of Consumer Research de lijn door naar bezit in de meest letterlijke zin: auto’s, huizen, sieraden, verzamelingen. Zijn artikel “Possessions and the Extended Self” beschrijft hoe mensen bezittingen niet gebruiken maar incorporeren, tot het punt waarop diefstal of verlies ervan spontaan wordt beschreven in de taal van lichamelijk letsel. Mensen zeggen niet “ik ben iets kwijt”, ze zeggen “het voelt alsof er iets is geamputeerd”. Dat woord kiezen mensen niet toevallig. Belk’s these werd de afgelopen decennia herhaaldelijk aangevallen en verfijnd, onder meer omdat “bezit” in de consumptiemaatschappij te breed en te vaag als categorie geldt om nog iets te verklaren, maar de kernwaarneming overleefde: spullen zijn geen decor rond het zelf, ze zijn er soms onderdeel van.
De vraag die zich hier al opdringt, en die pas aan het eind van dit essay echt beantwoord wordt, is waarom het bezittelijk voornaamwoord voor de ene “mijn” een fluitje van een cent is om los te laten en voor de andere een reden om te doden. “Mijn auto” en “mijn parkeerplek” delen dezelfde grammatica als “mijn vrouw” en “mijn god”, en toch is de emotionele lading van die vier zinnen werelden uit elkaar. De grammatica verklaart niets. Iets anders wel.
Belk’s these is trouwens niet zonder kritiek blijven staan, en die kritiek is het vermelden waard voordat het verhaal te gladjes wordt. A. Fuat Firat wees er in 2024 in dezelfde Journal of Consumer Research nog op dat “bezit” als categorie in een consumptiemaatschappij zo eindeloos oprekbaar is geworden dat het bijna alles kan verklaren en daardoor bijna niets meer specifiek verklaart: als elk voorwerp potentieel deel van het zelf kan worden, wat onderscheidt dan de sleutelbos die niemand mist van de trouwring die iemand nooit meer afdoet? Het antwoord op die vraag zit hem niet in het bezit zelf, maar, zoals verderop blijkt, in de mate van incorporatie. Belk gaf een taal voor het fenomeen. Hij gaf geen thermometer om de temperatuur ervan te meten.
Twee cirkels die overlappen: Aron en de self-expansion theory
Arthur Aron, Elaine Aron en Danny Smollan gaven in 1992 dat “iets anders” voor het eerst een meetlat. Hun Inclusion of Other in the Self Scale bestaat uit zeven paar cirkels, van cirkels die elkaar nog net raken tot cirkels die bijna volledig samenvallen, en proefpersonen kiezen simpelweg welk paar hun relatie het best weergeeft. Wat begon als een schaal voor nabijheid bleek een schaal voor iets veel fundamentelers te zijn geworden: de mate waarin een ander cognitief is opgenomen in het eigen zelfconcept. Hoe verder de cirkels overlappen, hoe meer eigenschappen, herinneringen en zelfs woordenschat van de partner zijn versmolten met die van de proefpersoon zelf, meetbaar in reactietijden op vragen over “wie ben ik” versus “wie is mijn partner”.
Erica Slotter, Wendi Gardner en Eli Finkel lieten in 2010 zien wat er gebeurt als die overlap abrupt wegvalt. In hun studie “Who Am I Without You? The Influence of Romantic Breakup on the Self-Concept”, gepubliceerd in Personality and Social Psychology Bulletin, rapporteerden mensen na een breuk niet alleen verdriet om de ander, maar een meetbaar verlies aan self-concept clarity: minder helderheid over wie ze zelf zijn, welke eigenschappen ze hebben, wat ze willen. Die verminderde helderheid voorspelde vervolgens de emotionele nasleep beter dan de intensiteit van het gemis zelf. Dat is precies het heroriënteren waar ik op wees: niet primair rouw om een verdwenen ander, maar verwarring over een onvolledig geworden zelf.
Ook hier is een tegenwerping op zijn plaats, want zonder tegenwerping wordt dit essay een preek in plaats van een analyse. Het is heel wel mogelijk dat mensen met van huis uit een lage self-concept clarity juist eerder geneigd zijn zich sterk met een partner te vermengen, en dat de klap na een breuk dus niet alleen het gevolg is van de fusie maar ook van een kwetsbaarheid die er al was voordat de relatie begon. Een recente overzichtsstudie van self-expansion theory, gepubliceerd in 2025 in Social and Personality Psychology Compass door Emery en collega’s, erkent dat het merendeel van het onderzoek correlationeel blijft: sterke overlap en heftig verlies gaan samen, maar wat precies oorzaak is en wat gevolg, blijft methodologisch lastig hard te maken. Dat verzwakt de hoofdlijn van dit essay niet, maar het waarschuwt tegen een te simpel model waarin overlap automatisch tot instorting leidt. Sommige mensen bouwen dikke cirkels en overleven het scheuren ervan uitstekend; andere hebben aan een dun draadje al genoeg om eronderdoor te gaan.
Het lichaam als geleend orgaan: Coan en de social baseline theory
Waar het nog concreter wordt, en waar de metafoor van de amputatie ophoudt metafoor te zijn, is bij Jim Coan. Coan, Schaefer en Davidson lieten in 2006 in Psychological Science zestien getrouwde vrouwen wachten op elektrische schokken terwijl ze ofwel niemands hand vasthielden, ofwel die van een vreemde man, ofwel die van hun eigen echtgenoot. De fMRI-scans toonden een brede afname van activiteit in de hersengebieden die dreiging en emotieregulatie aansturen, het sterkst bij het vasthouden van de eigen partner, en die afname was groter naarmate de huwelijkskwaliteit hoger werd beoordeeld. Coan noemt dit social baseline theory: het brein rekent een goede partner mee als extern regulatieorgaan, en spaart daardoor zelf op de energiekosten van stressregulatie.
Dat verklaart een bevinding die anders alleen als beeldspraak zou worden gelezen. Elwert en Christakis publiceerden in 2008 in de American Journal of Public Health een longitudinale studie onder meer dan 373.000 oudere Amerikaanse echtparen en vonden het zogeheten widowhood effect: het sterfterisico van de overblijvende partner stijgt meetbaar in de periode na het overlijden van de ander, met een omvang en patroon die verschilt per doodsoorzaak van beide partners, wat er juist op wijst dat het geen toeval en geen enkelvoudig mechanisme is. Een gebroken hart is bij Coan’s bevindingen geen dichterlijke overdrijving meer. Het is een orgaan dat plotseling weer alle regulatiewerk zelf moet doen waarvoor het jarenlang een tweede systeem ter beschikking had.
Wanneer het misgaat, eerste soort: de vrouw als eigendom
Hier wordt het ongemakkelijk, en terecht. Als twee minuten penseelstreken al genoeg zijn om rubber tot lichaamsdeel te promoveren, is het geen wonder dat duizenden jaren wetgeving, religie en gewoonte ruimschoots voldoende zijn geweest om een levend mens tot bezit te promoveren. Het onderliggende mechanisme is hetzelfde. Alleen de input is zwaarder, de bekrachtiging duurt generaties in plaats van minuten, en de uitkomst is onvergelijkbaar ernstiger.
Martin Daly en Margo Wilson beschreven in hun boek Homicide uit 1988 en later, preciezer, in hun artikel “Spousal Homicide Risk and Estrangement” in Violence and Victims (1993) een patroon dat sindsdien herhaaldelijk is gerepliceerd in Canada, Australië en de Verenigde Staten: het risico dat een vrouw door haar partner wordt gedood, is niet het hoogst tijdens een stabiele samenwoning. Het piekt op het moment van scheiding of poging tot verlaten. Daly en Wilson noemen het onderliggende mechanisme met klinische droogheid male sexual proprietariness, mannelijke seksuele eigendomsclaim, een evolutionair aangescherpte jaloezie-respons tegen het risico van paternale onzekerheid die ooit misschien reproductief functioneel was en nu, losgezongen van elke functie, simpelweg doodt. De uitspraak die daders opvallend vaak doen na het delict, in verhoren en rechtszaken over de hele wereld, is bijna letterlijk hetzelfde: als ik je niet mag hebben, mag niemand je hebben. Dat is het “mijn” in zijn meest naakte, criminele vorm. Het object onttrekt zich aan de eigenaar, dus vernietigt de eigenaar liever het object dan dat hij zijn eigen zelfconcept reconstrueert zonder het.
Dit is geen verzinsel van een evolutionair psycholoog met een sombere kijk op de mens. Het is eeuwenlang gewoon de wet geweest. Het Romeinse recht kende de patria potestas, waarbij de vrouw des huizes juridisch onder het gezag van de pater familias viel. Het Engelse common law kende tot diep in de negentiende eeuw coverture, waarbij de juridische identiteit van een getrouwde vrouw werd “bedekt” door die van haar man; ze kon zonder zijn toestemming geen contract sluiten, geen eigen bezit hebben, soms zelfs niet getuigen tegen hem. De uitzondering voor verkrachting binnen het huwelijk, marital rape exemption, bleef in delen van de Verenigde Staten wettelijk bestaan tot in de jaren negentig van de vorige eeuw. Dat is geen ver verleden. Dat is de levensloop van mensen die nu nog leven.
De bevinding van Wilson en Daly is inmiddels geen academische curiositeit meer, maar praktisch instrumentarium geworden. De Danger Assessment, ontwikkeld door Jacquelyn Campbell en sindsdien gevalideerd in tientallen vervolgstudies, gebruikt estrangement, het recente of dreigende vertrek van de vrouw, expliciet als een van de zwaarstwegende items op een lethaliteitsschaal die hulpverleners en politie gebruiken om te bepalen hoe acuut een situatie is. Dat een academische evolutionaire hypothese uit de jaren tachtig veertig jaar later meeweegt in een concreet risicoformulier op een politiebureau, is een sterke aanwijzing dat hier geen speculatieve just-so story wordt verteld. Die waarschuwing blijft niettemin het vermelden waard: Stephen Jay Gould en Richard Lewontin hekelden in hun beroemde spandrels-artikel uit 1979 precies dit soort evolutionair-psychologische verklaringen, omdat elk gedrag achteraf van een adaptief verhaaltje kan worden voorzien zonder onafhankelijk bewijs voor de aanpassing zelf. Bij male sexual proprietariness is dat gevaar reëel, maar de hypothese onderscheidt zich van een losse anekdote doordat de voorspelling, verhoogd risico specifiek rond estrangement, vooraf is getoetst en in drie onafhankelijke datasets op drie continenten is uitgekomen. Dat is het verschil tussen een aardig verhaal en een falsifieerbare claim, en deze claim heeft de toets tot nu toe doorstaan.
Het “mijn” van dit hoofdstuk stopt niet bij de partner. Vamık Volkan, psychiater en onderzoeker van collectief geweld, beschreef hoe grondgebied in nationalistische conflicten dezelfde incorporatie ondergaat als een lichaamsdeel: “mijn land” wordt met dezelfde felheid verdedigd als “mijn vrouw”, inclusief wat hij linking objects noemt, fysieke plekken die het collectieve zelf verankeren aan een stuk aarde. Een grens die wordt verlegd voelt voor wie sterk met die grond is gefuseerd niet als een bestuurlijke correctie, maar als amputatie van het collectief. Dezelfde rubber hand illusion, uitvergroot tot de schaal van een natie.
Wanneer het misgaat, tweede soort: de overtuiging als lichaamsdeel
Er is een tweede route naar dezelfde uitkomst, minder lichamelijk maar niet minder heftig. Henri Tajfel en John Turner beschreven in 1979 social identity theory: groepslidmaatschap wordt zodra er een wij-zij-onderscheid ontstaat, vaak al binnen minuten in laboratoriumcondities met volstrekt willekeurige groepsindeling, opgenomen in het zelfconcept. William Swann bouwde daar met collega’s, onder wie Jolanda Jetten, Ángel Gómez, Harvey Whitehouse en Brittany Bastian, in 2012 in Psychological Review op voort met de theorie van identity fusion. Bij sterke fusie tussen persoonlijke en sociale identiteit wordt een aanval op de groep, het geloof of de overtuiging neurologisch en gedragsmatig verwerkt als een aanval op het eigen lijf. Mensen met sterke identity fusion rapporteren in Swann’s onderzoek een bereidheid tot zelfopoffering voor abstracte zaken, een vlag, een geloofsartikel, een natie, die zich alleen laat verklaren als die abstractie letterlijk lichaamsdeel is geworden.
Dat verklaart iets dat anders onbegrijpelijk blijft: waarom blasfemie, afvalligheid of simpelweg “verkeerd” denken soms met dodelijk geweld wordt beantwoord. Het is voor de dader geen verloren debat. Het is, ervaren, een fysieke schending, van hetzelfde soort als een klap in het gezicht, alleen dan gericht op een lichaamsdeel dat niemand anders kan zien. En zoals bij de partnerclaim geldt ook hier: hoe minder ruimte een cultuur laat voor gescheiden identiteiten, hoe dichter “mijn overtuiging” en “ik” naar elkaar toe kruipen, tot het punt waarop andersdenkend niet wordt ervaren als denken, maar als aanranding.
Harvey Whitehouse, een van de coauteurs van de identity fusion theorie, deed veldwerk onder strijders in Libië en gedetineerde jihadisten en vond bij hen extreme fusiescores, gepaard aan een bereidheid tot zelfopoffering die in gewone bevolkingsgroepen vrijwel nergens voorkomt. Scott Atran documenteerde vergelijkbare patronen bij zelfmoordterroristen: niet de armste, meest wanhopige individuen bleken het vaakst bereid zichzelf op te blazen voor de zaak, maar juist degenen wier persoonlijke identiteit het diepst met de groep was versmolten, vaak via hechte vriendschapsnetwerken eerder dan via ideologische scholing. Dat is een ongemakkelijke bevinding voor wie liever gelooft dat radicalisering vooral een kwestie van foute ideeën is. Het is minstens zo goed een kwestie van foute cirkels die te ver zijn gaan overlappen.
Rouw, of: hoe je een geamputeerd deel weer leert missen
Wat gebeurt er met het zelf als het verlies niet wordt beantwoord met geweld maar wordt gedragen? Sigmund Freud beschreef in “Mourning and Melancholia” uit 1917 rouw als grief work: een geleidelijk, pijnlijk proces waarbij libido stukje bij beetje wordt teruggetrokken uit het verloren object, tot de gerouwde vrij is om elders opnieuw te investeren. Dat model regeerde decennialang de klinische praktijk, met als impliciete norm dat wie de overledene niet “losliet” een pathologisch soort rouw doormaakte.
Dennis Klass, Phyllis Silverman en Steven Nickman braken daar in 1996 met hun boek Continuing Bonds nadrukkelijk mee. Gezonde rouw hoeft het geïncorporeerde deel van het zelf niet te amputeren, stellen zij; het kan worden getransformeerd, geïnternaliseerd, meegedragen als een blijvend onderdeel van de eigen identiteit zonder dat de externe drager nog bestaat. Margaret Stroebe en Henk Schut voegden in 1999 met hun dual process model of coping with bereavement een dynamisch element toe: gezonde rouw is geen rechte lijn van verlies naar loslaten, maar een voortdurende oscillatie tussen verliesgerichte coping, het onder ogen zien van de leegte, en herstelgerichte coping, het weer oppakken van een leven met nieuwe rollen en routines. Wie alleen in het eerste blijft hangen, loopt vast. Wie meteen naar het tweede vlucht, rouwt niet, hij ontwijkt. Dat oscilleren is precies de heroriëntatie die je zelf beschreef: geen amputatie die geneest door het gemis te negeren, en geen amputatie die geneest door voor eeuwig naar de lege plek te staren.
De klinische erkenning van prolonged grief disorder in de DSM-5-TR en de ICD-11 is in dat licht veelzeggend. Het risico op vastgelopen, gecompliceerde rouw blijkt samen te hangen met precies de mate van zelf-object fusie waar Aron’s schaal een getal aan geeft: hoe dieper de ander in het zelfconcept was verweven, hoe groter de kans dat het proces van heroriëntatie vastloopt in plaats van oscilleert.
Ook continuing bonds is overigens niet immuun voor kritiek, en het zou oneerlijk zijn dat te verzwijgen. Klinisch onderzoekers als Paul Boelen wezen erop dat het model in de populaire uitleg soms doorslaat naar het andere uiterste van Freud: als elke vorm van vasthouden aan de overledene wordt goedgepraat als “gezonde band”, wordt het lastiger om vast te stellen wanneer iemand daadwerkelijk vastloopt. Een dagelijks gesprek voeren met een overleden partner kan een troostrijke, functionele gewoonte zijn, of een teken dat de restauratiegerichte kant van Stroebe en Schut’s oscillatie volledig is weggevallen. Het onderscheid zit hem niet in het bestaan van de band, maar in of die band nog ruimte laat voor een leven ernaast. Dezelfde vraag die dit hele essay al stelt over cirkels, alleen dan toegepast op de doden in plaats van de levenden.
De kritische vraag: wat verklaart “mijn” eigenlijk?
Nu de nuchtere correctie op alles hierboven. Het bezittelijk voornaamwoord zelf verklaart niets. “Mijn auto” en “mijn vrouw” zijn grammaticaal identiek en existentieel werelden uit elkaar, en wie dat verschil aan de taal zelf toeschrijft, verwart de marker met het mechanisme. Wat het verschil maakt is de incorporatiegraad: hoeveel overlap er zit in Aron’s cirkels, hoeveel het brein daadwerkelijk als extern regulatieorgaan is gaan gebruiken zoals bij Coan’s handholding, hoeveel identiteitsfusie er zit zoals bij Swann. “Mijn” is de zichtbare punt van een onzichtbare ijsberg, en de omvang van die ijsberg, niet het woord zelf, bepaalt of verlies een ongemakkelijk gevoel wordt dat over twee weken wegtrekt, of een crisis die eindigt in de rechtbank.
Dat is meteen ook het weerwoord tegen een makkelijk soort determinisme. Wie de evolutionaire psychologie van male sexual proprietariness aanhaalt om femicide te “verklaren”, loopt het risico het te verontschuldigen, en dat is een vergissing die deze tekst uitdrukkelijk niet wil maken. Verreweg de meeste mannen die een partner verliezen, worden geen moordenaar. Het onderliggende mechanisme is een risicofactor, geen lot, en de variantie tussen individuen en tussen culturen is precies waar de verklaringskracht van het determinisme ophoudt. Eercultuurnormen die honor killings goedpraten, wetgeving die scheiding structureel bemoeilijkt, religieuze doctrines die vrouwelijke ongehoorzaamheid tot zonde verklaren: die factoren bepalen of het basismechanisme wordt aangewakkerd tot geweld of ingeperkt tot een pijnlijke, maar ongevaarlijke aanpassingsperiode. Hetzelfde geldt voor identity fusion: niet elke gelovige met een sterk groepsgevoel grijpt naar geweld tegen andersdenkenden, en de landen en gemeenschappen waar dat wel massaal gebeurt, zijn zelden toevallig dezelfde landen waar instituties zwak staan en religieuze of politieke doctrine geen enkele ruimte laat voor afwijking.
Steven Pinker beschrijft in The Better Angels of Our Nature hoe de historische opkomst van seculiere rechtspraak, individuele rechten en staten met een geweldsmonopolie samenvalt met een langdurige, gestage daling van interpersoonlijk geweld, inclusief geweld tegen vrouwen en religieuze minderheden. Het onderliggende mechanisme van incorporatie en bezitsclaim verdwijnt daarmee niet. Het brein dat binnen twee minuten rubber tot lichaamsdeel promoveert, verander je niet met wetgeving. Wat wetgeving wel doet, is de uitkomst veranderen: van een claim die met geweld wordt afgedwongen naar een claim die, wanneer ze wordt losgelaten, hooguit tot verdriet leidt en niet tot een lijk.
Slot, zonder amputatie van de eigen conclusie
De mens vleit zichzelf graag dat verontwaardiging over bezitsdenken een verworvenheid van de beschaving is, iets dat hij met zijn verstand heeft bedacht en met zijn moraal heeft afgedwongen. Het onderliggende algoritme, dat binnen twee minuten een stuk rubber claimt en binnen enkele decennia een heel mensenleven, draait intussen gewoon door, volstrekt onaangedaan door die zelfvleiing. Het verschil tussen de proefpersoon die lacht om zijn eigen rubberen hand en de man die zijn ex-partner vermoordt omdat ze wegging, zit niet in het mechanisme. Het zit in de schaal van wat er wordt geclaimd, in de mate waarin cultuur die claim aanwakkert of intoomt, en in het antwoord op de vraag of er, wanneer het “mijn” wordt afgepakt, iets is om op terug te vallen dat niet uitsluitend uit de ander bestond.
Dat laatste is misschien het enige bruikbare advies dat uit dit alles volgt, en het is geen advies met een moralistische bijklank: bouw het zelf zo dat het meer omvat dan één enkele overlappende cirkel. Niet omdat bezit of liefde of overtuiging verdacht zijn, ze zijn onvermijdelijk en meestal de moeite waard, maar omdat een zelf dat volledig samenvalt met één ander, één god, één cultuur, geen enkele ruimte overhoudt voor het moment waarop die ander verdwijnt, die god zwijgt, of die cultuur botst met een andere. Twee cirkels die elkaar net raken overleven een storm. Twee cirkels die volledig samenvallen, gaan samen ten onder, of nemen bij het uiteenvallen alles mee wat binnen bereik ligt.
Literatuur
Atran, S. (2010). Talking to the Enemy: Faith, Brotherhood, and the (Un)Making of Terrorists. HarperCollins.
Belk, R. W. (1988). Possessions and the extended self. Journal of Consumer Research, 15(2), 139-168.
Boelen, P. A., & Prigerson, H. G. (2007). The influence of symptoms of prolonged grief disorder, depression, and anxiety on quality of life among bereaved adults. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, 257(8), 444-452.
Botvinick, M., & Cohen, J. (1998). Rubber hands ‘feel’ touch that eyes see. Nature, 391, 756.
Campbell, J. C., Webster, D., Koziol-McLain, J., et al. (2003). Risk factors for femicide in abusive relationships: Results from a multisite case control study. American Journal of Public Health, 93(7), 1089-1097.
Coan, J. A., Schaefer, H. S., & Davidson, R. J. (2006). Lending a hand: Social regulation of the neural response to threat. Psychological Science, 17(12), 1032-1039.
Daly, M., & Wilson, M. (1988). Homicide. Aldine de Gruyter.
Ehrsson, H. H. (2007). The experimental induction of out-of-body experiences. Science, 317(5841), 1048.
Elwert, F., & Christakis, N. A. (2008). The effect of widowhood on mortality by the causes of death of both spouses. American Journal of Public Health, 98(11), 2092-2098.
Firat, A. F. (2024). Consumer possessed: A comment on assessing Belk’s “Possessions and the Extended Self”. Marketing Theory. SAGE.
Freud, S. (1917). Mourning and melancholia. In The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud (Vol. 14). Hogarth Press.
Gould, S. J., & Lewontin, R. C. (1979). The spandrels of San Marco and the Panglossian paradigm: A critique of the adaptationist programme. Proceedings of the Royal Society of London B, 205(1161), 581-598.
James, W. (1890). The Principles of Psychology. Henry Holt and Company.
Klass, D., Silverman, P. R., & Nickman, S. L. (Eds.). (1996). Continuing Bonds: New Understandings of Grief. Taylor & Francis.
Pinker, S. (2011). The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. Viking.
Slotter, E. B., Gardner, W. L., & Finkel, E. J. (2010). Who am I without you? The influence of romantic breakup on the self-concept. Personality and Social Psychology Bulletin, 36(2), 147-160.
Stroebe, M., & Schut, H. (1999). The dual process model of coping with bereavement: Rationale and description. Death Studies, 23(3), 197-224.
Swann, W. B., Jr., Jetten, J., Gómez, Á., Whitehouse, H., & Bastian, B. (2012). When group membership gets personal: A theory of identity fusion. Psychological Review, 119(3), 441-456.
Tajfel, H., & Turner, J. C. (1979). An integrative theory of intergroup conflict. In W. G. Austin & S. Worchel (Eds.), The Social Psychology of Intergroup Relations (pp. 33-47). Brooks/Cole.
Volkan, V. D. (1997). Bloodlines: From Ethnic Pride to Ethnic Terrorism. Westview Press.
Whitehouse, H., McQuinn, B., Buhrmester, M., & Swann, W. B. (2014). Brothers in arms: Libyan revolutionaries bond like family. Proceedings of the National Academy of Sciences, 111(50), 17783-17785.
Wilson, M., & Daly, M. (1993). Spousal homicide risk and estrangement. Violence and Victims, 8(1), 3-16.
