Waarom je een verkeersregel nooit een gok zou noemen (en toch is het er een)
Beste lezer,
Deze week begon met een schijnbaar onschuldige vraag: komen regels voort uit het feit dat mensen slecht kunnen gokken? Het antwoord bleek nee, gedeeltelijk, en toen weer ja, op een niveau dieper dan ik had verwacht. Onderweg kwamen Hayek, Orwell, een stel rhesusapen die gratis puzzels oplosten en het menselijk brein als voorspelmachine langs.
Het essay hieronder is het resultaat, compleet met bronnen voor wie verder wil graven. Zoals gebruikelijk geen troostende conclusie aan het eind, wel een paar ongemakkelijke.
Peter Koopman
Slechte gokkers
Waarom mensen regels verzinnen, en waarom sommigen zichzelf erbuiten houden
Ergens in de negentiende eeuw besloot een spoorwegingenieur dat treinen rechts moesten rijden in plaats van links, en sindsdien heeft niemand zich daar nog iets bij afgevraagd. Dat is de eerste aanwijzing dat er iets vreemds aan de hand is met regels. We volgen ze zonder na te denken over waarom juist deze vorm is gekozen, terwijl we tegelijk diep afhankelijk zijn van het feit dat er überhaupt een vorm is gekozen. De vraag die mij bezighield was simpeler en grover: komen regels voort uit het feit dat de mens slecht kan gokken? Het antwoord is nee, en ja, en het hangt af van welke regel je bedoelt, en dat onderscheid is interessanter dan de oorspronkelijke vraag.
De slechte gok
Begin bij de meest voor de hand liggende lezing. Friedrich Hayek beschreef in 1945, in zijn essay “The Use of Knowledge in Society”, een probleem dat niemand kan oplossen door harder na te denken: geen mens, geen instituut, geen computer beschikt over genoeg informatie om voor elk individueel geval opnieuw de juiste uitkomst te berekenen. Een regel is in die lezing een permanente noodoplossing voor structurele onwetendheid, een grove vuistregel die in de meeste gevallen goed genoeg werkt en af en toe faalt. Frederick Schauer werkte dat uit in “Playing by the Rules” (1991): rechters onder tijdsdruk wegen zelden alle factoren correct, dus krijgen ze een ‘entrenched generalization’ aangereikt in plaats van de opdracht om zelf elke keer opnieuw te wegen. Geen incompetentie is hier de reden, wel de kostprijs. Individueel wegen kost tijd, aandacht en foutmarge die niemand structureel kan betalen.
Herbert Simon noemde dat bounded rationality. We optimaliseren niet, we satisficen: geen beste oplossing zoeken, een oplossing zoeken die goed genoeg is voordat de rekenkosten de winst opeten. Een regel is satisficing op institutieniveau, een permanente afkorting voor een berekening die niemand zich kan veroorloven telkens opnieuw te maken.
Als de gok toch goed is
Maar hier wringt iets, en Gerd Gigerenzer wees er scherp op. In “Simple Heuristics That Make Us Smart” (1999) laat hij zien dat vuistregels in onzekere omgevingen vaak beter presteren dan complexe berekening, niet als noodgreep maar als de slimmere strategie. Het less-is-more-effect: hoe meer variabelen je meeweegt, hoe groter de kans dat je overfit op ruis die de volgende keer anders ligt. Een vuistregel is dus niet altijd de zwakke vervanger van goed gokken. Soms is de gokker prima, en wint de regel toch, gewoon omdat de wereld te grillig is voor precisie.
Dat verhaal past bij Daniel Kahneman en Amos Tversky’s onderzoeksprogramma naar heuristiek en cognitieve vertekening, dat ondertussen tot canon is verheven met Kahnemans “Thinking, Fast and Slow” (2011). De mens gokt niet zomaar slecht. Hij gokt systematisch scheef, met voorspelbare vertekeningen, en dat is een ander mankement dan ‘niet goed genoeg’. Het is geen ruis, het is een patroon, en een patroon kun je in kaart brengen, wat precies is wat een halve eeuw experimentele psychologie heeft gedaan.
Een wereld die nog niet bestond
Tot zover regels als compensatie voor, of juist verbetering van, individuele inschatting. Maar niet elke regel lost een probleem op tussen een brein en de natuur. Een verkeersregel lost een heel ander probleem op: er bestaat geen onafhankelijke waarheid over welke kant van de weg ‘de juiste’ is. Rechts rijden is geen gok over een verborgen feit, het is een afspraak die pas een feit wordt zodra iedereen hem volgt. Thomas Schelling noemde dat in “The Strategy of Conflict” (1960) een focal point, David Lewis werkte het in 1969 uit in “Convention”: een coördinatieprobleem met meerdere even goede oplossingen, waarbij het enige dat telt is dat iedereen dezelfde oplossing kiest. Rechts of links maakt niets uit. Dat iedereen hetzelfde kiest, maakt alles uit.
Dat is een andere categorie dan een heuristiek, en het verdient een eigen naam. John Searle onderscheidde in “Speech Acts” (1969) en later in “The Construction of Social Reality” (1995) regulatieve regels, die gedrag reguleren dat toch al bestond, van constitutieve regels, die het gedrag zelf scheppen. Zonder de regels van schaken bestaat ‘schaken’ niet. H.L.A. Hart voegde in “The Concept of Law” (1961) nog een laag toe: primaire regels die gedrag voorschrijven, en secundaire regels die vastleggen hoe die primaire regels gemaakt, gewijzigd en gehandhaafd worden. Een heuristiek heeft niets van dat laatste nodig. Niemand vergadert over hoe de gaze heuristic, waarmee een honkbalvanger een bal vangt zonder een baanberekening te maken, officieel wordt vastgesteld. Die werkt of werkt niet, empirisch, zonder instemming vooraf.
De ketting om je eigen enkel
Er is nog een derde functie, en die heeft niets met gokken of coördinatie te maken. Jon Elster beschreef in “Ulysses and the Sirens” (1979) regels als zelfbindingsmechanisme. Odysseus laat zich niet vastbinden aan de mast omdat hij niet weet wat er gaat gebeuren als de sirenen zingen. Hij weet het juist precies. Het probleem is geen onzekerheid over de uitkomst, het probleem is dat hij zichzelf niet vertrouwt op het moment zelf. Een grondwet die toekomstige wetgevers beperkt, de tweetermijnenlimiet dat de Verenigde Staten zichzelf oplegden na Roosevelt, het zijn geen gokken over een onbekende toekomst. Het zijn contracten met een versie van jezelf die je nu al wantrouwt.
Sommigen zijn meer gelijk
En dan de lelijkste laag, degene die niemand graag opschrijft maar iedereen herkent. Regels gelden voor iedereen, behalve, opvallend vaak, voor wie ze bedacht heeft. Orwell vatte het in 1945 samen in een zin die inmiddels bijna een wetenschappelijke wet is geworden: alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere. James Buchanan en Gordon Tullock bouwden er in “The Calculus of Consent” (1962) een heel vakgebied omheen, public choice theory, met als kernvraag wat er gebeurt als je regelmakers behandelt als de zelfzuchtige actoren die economen toch al overal elders veronderstellen. Amerikaanse Congresleden mochten tot de STOCK Act van 2012 gewoon handelen op informatie die voor iedereen anders insider trading heette. Cass Sunstein noemde dat in zijn essay “Problems with Rules” (1995) de discretiekost: elke ruimte voor casuïstisch oordeel is ook ruimte voor vriendjespolitiek. Wie de regel schrijft, schrijft zelden de clausule die zichzelf pijn doet. Quis custodiet ipsos custodes, vroeg Juvenalis al eeuwen eerder. Wie bewaakt de bewakers.
Helemaal automatisch is dat niet, en dat nuanceert het cynisme zonder het te ontkrachten. John Rawls bouwde in “A Theory of Justice” (1971) zijn hele rechtvaardigheidstheorie rond precies dit probleem: als regelmakers weten welke positie ze straks zelf innemen, schrijven ze regels in hun eigen voordeel, dus strip ze van die kennis. De sluier van onwetendheid dwingt iemand regels te kiezen zonder te weten of hij straks bewaker is of gevangene. Het is een expliciete techniek om het probleem te ontlopen, geen bewijs dat het probleem niet bestaat. Sterker nog, het bestaan van de sluier als noodgreep is zelf het beste bewijs dat het probleem reëel is. Niemand bouwt een dam tegen een rivier die niet stroomt.
Onder de motorkap
Tot hier is het verhaal een verzameling functies: compensatie voor kostbare inschatting, coördinatie zonder onafhankelijke waarheid, zelfbinding over tijd, en bescherming tegen de macht van wie de pen vasthoudt. Vier verschillende antwoorden op vier verschillende problemen. Maar er is een laag eronder die ze allemaal verbindt, en die laag zit in de architectuur van het brein zelf.
Karl Friston beschrijft in zijn ‘free energy principle’ (Nature Reviews Neuroscience, 2010) het brein als een machine die voortdurend voorspelfout probeert te minimaliseren. Niet reactief, zoals een thermostaat die pas ingrijpt als de kamer al is afgekoeld, maar anticiperend. Peter Sterling noemde dat in 2012 allostase: het systeem stelt zijn eigen setpoint vooruit bij, in plaats van te wachten tot de afwijking al is opgetreden. Andy Clark werkte het filosofisch uit in “Surfing Uncertainty” (2016). Elke waarneming is in die lezing al een gok over wat er zo meteen gaat gebeuren, en gokken is dan niet een toevallige gebeurtenis maar de permanente werking van het systeem zelf.
Arie Kruglanski voegde er de individuele psychologie aan toe met zijn ‘need for cognitive closure’, inclusief een gevalideerde schaal (Webster en Kruglanski, 1994) die laat zien hoe fors mensen verschillen in hoe hard ze snakken naar een definitief antwoord. ‘De mens’ is hier geen constante. Het is een verdeling met een lange staart, en dat relativeert elke uitspraak die begint met ‘de mens zoekt voortdurend zekerheid’.
Want die uitspraak heeft een addertje, en het addertje zit precies in de uitzondering die je er meestal met de losse hand bijzet: behalve bij verveling. Die uitzondering is geen voetnoot. Ze is de helft van de theorie die nog geschreven moet worden. De oudere versie van het idee heette drive-reduction theory, Clark Hull, jaren veertig van de vorige eeuw: elk gedrag dient om een spanningstoestand te verminderen, en bij uitbreiding dus ook onzekerheid. Die theorie is empirisch onderuitgehaald door een stel apen. Harry Harlow zette rhesusapen in de jaren vijftig mechanische puzzels voor waar geen enkele beloning tegenover stond, geen voedsel, niets, en de apen losten ze op en bleven ze oplossen, puur voor het oplossen zelf. Robert White noemde dat in 1959 effectance motivation, het plezier van competent grip krijgen op iets, los van elke spanningsreductie. Verveling is dus niet de uitzondering op zekerheid zoeken. Verveling is het signaal dat er te veel zekerheid is, waarna het systeem actief onzekerheid gaat opzoeken.
Zet die twee kanten bij elkaar en er ontstaat een preciezer model dan zekerheid zoeken met een gaatje erin. Daniel Berlyne beschreef het al in 1971 als een omgekeerde U: te voorspelbaar is vervelend, te onvoorspelbaar is beangstigend, en het organisme jaagt op het punt ertussenin. Celeste Kidd, Steven Piantadosi en Richard Aslin lieten in 2012 zien dat baby’s van een paar maanden oud precies dat doen: ze kijken langer naar patronen van gemiddelde complexiteit en verliezen interesse zowel bij te simpel als bij te chaotisch, het Goldilocks-effect. James Danckert en John Eastwood omschrijven verveling in hun boek “Out of My Skull” (2020) niet als afwezigheid van een drive maar als een aparte, actieve drive: een oproep tot verandering wanneer de omgeving te weinig voorspelfout oplevert om nog iets van te leren. Je zoekt dus geen zekerheid met een uitzondering voor verveling. Je zoekt een setpoint, en zowel te veel als te weinig onzekerheid duwt je terug richting het midden.
Twee soorten gokken
Een verwarring moet nog worden opgeruimd, want ze zit verstopt in het woord zelf. Gokken als cognitieve inschatting onder onzekerheid, de heuristiek van hierboven, is inderdaad een goedkoop substituut voor zekerheid die je niet hebt. Maar gokken als gedrag, de fruitautomaat, het casino, de speculatieve aandelenpositie die niemand kan verantwoorden, werkt averechts. B.F. Skinner liet met zijn schema’s van bekrachtiging zien dat variabele, onvoorspelbare beloning het hardnekkigste gedrag oplevert, hardnekkiger dan constante beloning. Wolfram Schultz vond decennia later de neurale reden: dopamineneuronen vuren niet op de beloning zelf, ze vuren op het verschil tussen verwachting en uitkomst, de voorspelfout zelf. De kick van de gokkast zit niet in het reduceren van onzekerheid. Hij zit in het opzoeken ervan. Wie dus zegt dat gokken uit de honger naar zekerheid ontstaat, heeft gelijk voor de ene helft van het woord en ongelijk voor de andere, en die twee helften verdienen een aparte naam voordat er nog een theorie op gebouwd wordt.
Eén kapstok, geen wet
Leg de lagen over elkaar en er ontstaat een aardige architectuur. Onderaan zit een allostatische drang, voorspelfout minimaliseren binnen een optimale bandbreedte. Daarboven zit het individu dat met een beperkt rekenbudget die drang bevredigt tegenover een niet-stilstaande natuur, met heuristiek als resultaat. Daarboven zit de groep die elkaar moet voorspellen om samen te kunnen bewegen, met coördinatieregels als resultaat, wat neerkomt op dezelfde allostase toegepast op sociale in plaats van fysieke verrassing. Er loopt sinds een jaar of tien een serieuze onderzoekslijn die precies deze brug bouwt: Axel Constant, Maxwell Ramstead, Samuel Veissière en Friston zelf beschreven in “A Variational Approach to Niche Construction” (2018) cultuur en instituties expliciet als gedeelde voorspelmodellen die wederzijdse verrassing tussen mensen indammen. Ernaast, niet erboven, zit het probleem van de eigen tijdlijn, met zelfbinding als resultaat. En helemaal bovenop zit de asymmetrie van wie de gedeelde regel mag opstellen, met discretiekost en Orwells varkens als resultaat.
Een ding moet daar meteen bij, anders wordt dit precies het type theorie dat hierboven al bekritiseerd werd. Een raamwerk dat alles verklaart, van verkeersregels tot verveling tot machtsmisbruik, met een en hetzelfde onderliggende mechanisme, loopt het risico niets meer te verklaren. Matteo Colombo en Cory Wright wezen daar in 2018 op met betrekking tot het free energy principle zelf, in hun artikel “First Principles in the Life Sciences”: een theorie die zich naar elk fenomeen laat plooien, verliest het contrast dat een verklaring pas een verklaring maakt. De architectuur hierboven is dus bruikbaar als ordening. Niet als bewijs. Een kapstok, geen wet.
Wat overblijft is dit. Regels zijn niet één ding met één oorsprong, ook al voelt die ene oorsprong, slecht kunnen gokken, aantrekkelijk eenvoudig aan. Ze zijn compensatie, coördinatie, zelfbinding en machtsinstrument tegelijk, gebouwd op een brein dat evolutionair is ingericht om verrassing te minimaliseren binnen een bandbreedte die het zelf niet kiest. En van die vier functies is precies de laatste, de macht van wie de regel schrijft, degene die zichzelf het makkelijkst vermomt als een van de andere drie.
Literatuurlijst
Berlyne, D.E. (1971). Aesthetics and Psychobiology. Appleton-Century-Crofts.
Buchanan, J.M., & Tullock, G. (1962). The Calculus of Consent: Logical Foundations of Constitutional Democracy. University of Michigan Press.
Clark, A. (2016). Surfing Uncertainty: Prediction, Action, and the Embodied Mind. Oxford University Press.
Colombo, M., & Wright, C. (2018). First principles in the life sciences: the free-energy principle, organicism, and mechanism. Synthese.
Constant, A., Ramstead, M.J.D., Veissière, S.P.L., Campbell, J.O., & Friston, K.J. (2018). A variational approach to niche construction. Journal of the Royal Society Interface, 15(141).
Danckert, J., & Eastwood, J.D. (2020). Out of My Skull: The Psychology of Boredom. Harvard University Press.
Elster, J. (1979). Ulysses and the Sirens: Studies in Rationality and Irrationality. Cambridge University Press.
Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11(2), 127–138.
Gigerenzer, G. (2014). Risk Savvy: How to Make Good Decisions. Viking.
Gigerenzer, G., Todd, P.M., & the ABC Research Group (1999). Simple Heuristics That Make Us Smart. Oxford University Press.
Harlow, H.F. (1950). Learning and satiation of response in intrinsically motivated complex puzzle performance by monkeys. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 43(4).
Hart, H.L.A. (1961). The Concept of Law. Oxford University Press.
Hayek, F.A. (1945). The use of knowledge in society. American Economic Review, 35(4).
Hayek, F.A. (1973). Law, Legislation and Liberty (Vol. 1). University of Chicago Press.
Hull, C.L. (1943). Principles of Behavior. Appleton-Century-Crofts.
Juvenalis (ca. 100–127 n.Chr.). Satiren, VI.
Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. Farrar, Straus and Giroux.
Kahneman, D., Slovic, P., & Tversky, A. (Red.) (1982). Judgment Under Uncertainty: Heuristics and Biases. Cambridge University Press.
Kidd, C., Piantadosi, S.T., & Aslin, R.N. (2012). The Goldilocks effect: human infants allocate attention to visual sequences that are neither too simple nor too complex. PLOS ONE, 7(5).
Lewis, D. (1969). Convention: A Philosophical Study. Harvard University Press.
Orwell, G. (1945). Animal Farm. Secker & Warburg.
Rawls, J. (1971). A Theory of Justice. Harvard University Press.
Schauer, F. (1991). Playing by the Rules: A Philosophical Examination of Rule-Based Decision-Making in Law and in Life. Oxford University Press.
Schelling, T.C. (1960). The Strategy of Conflict. Harvard University Press.
Schultz, W. (1998). Predictive reward signal of dopamine neurons. Journal of Neurophysiology, 80(1).
Searle, J.R. (1969). Speech Acts: An Essay in the Philosophy of Language. Cambridge University Press.
Searle, J.R. (1995). The Construction of Social Reality. Free Press.
Simon, H.A. (1947). Administrative Behavior. Free Press.
Skinner, B.F. (1953). Science and Human Behavior. Macmillan.
Sterling, P. (2012). Allostasis: a model of predictive regulation. Physiology & Behavior, 106(1).
Sunstein, C.R. (1995). Problems with rules. California Law Review, 83(4).
Veissière, S.P.L., Constant, A., Ramstead, M.J.D., Friston, K.J., & Kirmayer, L.J. (2020). Thinking through other minds: a variational approach to cognition and culture. Behavioral and Brain Sciences, 43.
Webster, D.M., & Kruglanski, A.W. (1994). Individual differences in need for cognitive closure. Journal of Personality and Social Psychology, 67(6).
