Essay ter kritische lezing: “De rem, niet de motor”
Beste allen,
Bijgaand een essay dat is ontstaan uit verder denkwerk rond mijn manuscript “Het organisme aan de roulettetafel“. Het volgt drie tijdschalen waarop een organisme voorspelt en reageert, van een muntstuk op straat tot een trainingsprikkel tot de laatste milliseconden voor een handeling, en eindigt bij de vraag hoeveel vrijheid er nog overblijft als besluitvorming zelf een fictie blijkt.
Ik ben niet op zoek naar bevestiging maar naar weerstand. Waar wringt de redenering, welke auteur ontbreekt, en waar is de sprong tussen twee beweringen groter dan hij lijkt. Het stuk over Libet en Sapolsky mag het hardst worden getoetst, daar neemt het essay ook zelf het scherpste standpunt in.
Literatuurlijst staat achterin, voor wie een claim wil natrekken.
Laat weten wanneer het uitkomt, een kwartier lezen is genoeg.
Groet,
Peter Koopman
De rem, niet de motor
Aantekeningen bij Het organisme aan de roulettetafel
Er ligt een muntstuk op de stoep. Niemand heeft erover nagedacht om het op te rapen, het lichaam bukt al voor het brein iets heeft kunnen beslissen, en vervolgens gebeurt er iets interessanters dan het oprapen zelf: de voeten vertragen, de blik glijdt over de rest van de tegels, er wordt gezocht. Een reden als ‘er liggen hier vaker munten’ is nergens aangevoerd; het zoeken was al begonnen voordat zo’n zin ooit geformuleerd kon worden. Dat is het beeld waarmee dit essay begint, en het is geen grap. Het is een testcase voor de vraag of er ooit iemand aan het stuur zat.
De verleiding is groot om dit onder te brengen bij Freakonomics, het boek van Steven Levitt en Stephen Dubner dat een generatie leerde dat mensen overal op incentives reageren, ook op de vreemde, verborgen exemplaren die niemand als incentive herkent. Maar Freakonomics rekent nog steeds. Er wordt, ergens, een afweging gemaakt tussen kosten en baten, ook als die afweging onbewust en pervers is. De sumoworstelaar die een wedstrijd verkoopt, de makelaar die zijn eigen huis anders verkoopt dan dat van zijn klant: het blijven optimaliserende wezens, alleen met een boekhouding die niemand van buitenaf ziet. Wie op straat naar een tweede muntstuk zoekt optimaliseert niets. Hij voert een programma uit dat ouder is dan geld.
Dat programma heeft een naam in de gedragsecologie: foerageertheorie, en specifiek Eric Charnovs marginal value theorem uit 1976, oorspronkelijk geformuleerd voor vogels die bessen zoeken in een bos vol bosjes van wisselende kwaliteit. Een dier blijft in een plek zolang de opbrengst daar boven het gemiddelde van de omgeving ligt, en vertrekt zodra dat omslaat, zonder ooit een vergadering met zichzelf te beleggen. Eén muntstuk update de geschatte kwaliteit van deze stoep, en het zoekgedrag start. De mens die dit doet gedraagt zich op dat moment niet als economisch subject maar als een mees.
Onder die mees, en onder de mens, zit een ouder systeem dat verklaart waarom dit zoeken voelt als iets, in plaats van kaal gedrag te blijven. Jaak Panksepp noemde het het SEEKING-systeem, een dopaminerg circuit dat niet vuurt op de beloning maar op het vooruitzicht ervan. Wolfram Schultz mat hetzelfde principe in apen als reward prediction error: dopamineneuronen reageren niet op de beloning zelf maar op het verschil tussen wat verwacht werd en wat er gebeurde. Kent Berridge voegde er een even ongemakkelijke precisering aan toe, het onderscheid tussen wanting en liking. Het systeem dat verlangen aandrijft is niet hetzelfde systeem dat plezier registreert, en het eerste kan blijven doorgaan lang nadat het tweede is uitgeput. Dat is de gokker die niet meer geniet en toch doorspeelt. Het is ook de wandelaar die na het zesde lege stuk stoep nog steeds naar beneden kijkt.
Op de roulettetafel wordt hetzelfde mechanisme met andere middelen bespeeld. B.F. Skinner liet zien dat gedrag dat onvoorspelbaar, variabel wordt beloond harder beklijft en trager uitdooft dan gedrag dat constant wordt beloond. Een casino heeft niets uitgevonden. Het heeft een knop gevonden die er al lag, bedoeld voor een wereld met onvoorspelbare voedselbronnen, en die knop nu bemand met een croupier. Freakonomics zou zeggen dat het casino een slimme prikkelstructuur heeft ontworpen. De biologie zegt dat er geen ontwerp nodig was, alleen exploitatie van iets dat al draaide.
Hier wordt het pas echt ongemakkelijk, want als dit allemaal klopt blijft er weinig ruimte over voor het woord ‘besluit’. Benjamin Libet mat in de jaren tachtig dat hersenactiviteit die aan een handeling voorafgaat, de readiness potential, al begint driehonderd tot vijfhonderd milliseconden voor iemand zich bewust wordt van het voornemen om te handelen. Het brein is dus al onderweg voordat het bewustzijn er lucht van krijgt. Wat Libet overhield als enige denkbare vorm van vrijheid was niet het starten van een handeling, maar het afblazen ervan in de laatste ogenblikken, wat hij zelf, niet zonder gevoel voor drama, free won’t noemde. Geen motor, hooguit een rem, en die rem werkt in een venster van hooguit een fractie van een seconde. Het moet gezegd worden dat Libets bevinding zelf niet onbetwist is. Aaron Schurger liet in 2012 zien dat die readiness potential ook achtergrondruis kan zijn die toevallig een drempel overschrijdt op een moment dat iemand toch al van plan was iets te doen, geen voorbode van een besluit maar een artefact van een brein dat voortdurend fluctueert. Wie Libet napraat zonder Schurger te noemen, praat een kwart eeuw achter op het debat.
De rem is bovendien kleiner dan hij lijkt, want ook een rem heeft een oorzaak. Waarom veto’t de ene wandelaar wel en de andere niet? Bloedsuiker, vermoeidheid, humeur, opvoeding: allemaal factoren die zelf weer ergens vandaan komen. Dit is het argument van Robert Sapolsky, die in Determined betoogt dat elke afweging, hoe bewust en beheerst ook, zelf het product is van een geschiedenis waar niemand voor gekozen heeft, tot en met de baarmoeder toe. Compatibilisten als Daniel Dennett houden in Freedom Evolves vol dat vrijheid nooit de afwezigheid van oorzaken was, maar het vermogen om op redenen te reageren, ook als dat reageren zelf mechanisch verloopt. De wandelaar reageerde immers wel degelijk op een reden, het muntstuk. Voor Dennett is dat vrijheid. Voor Sapolsky is dat een geraffineerde manier om determinisme een andere naam te geven en hopen dat niemand het doorheeft.
Het interessantste deel van dit hele verhaal zit niet bij het besluit, milliseconden groot, maar bij iets veel tragers: hoe een organisme herstelt van, en zich aanpast aan, een terugkerende belasting. Hans Selye beschreef dit al in de jaren vijftig als het general adaptation syndrome: alarm, weerstand, uitputting. Peter Sterling verving dat model later door iets preciezers, allostasis, stabiliteit niet door een vaste norm vast te houden maar door voortdurend te voorspellen wat er nodig zal zijn en zich daar vooraf op in te stellen. Dat is dezelfde voorspellende machinerie die eerder de gokker en de wandelaar aandreef, nu toegepast op spiervezels en cortisol in plaats van op munten en fiches. Ook hier is de bandbreedte geen kwestie van wil. Claude Bouchards HERITAGE Family Study zette honderden mensen op identieke trainingsprogramma’s en zag de vooruitgang enorm uiteenlopen, geclusterd binnen families. De een reageert nauwelijks op dezelfde prikkel waar de ander enorm op vooruitgaat, en die respons stond grotendeels al vast voor de eerste herhaling gezet werd. Wie hiertegen inbrengt dat trainen die respons juist verandert, heeft gelijk, en dat is meteen het lastigste punt van dit hele essay: een systeem dat zijn eigen toekomstige respons kan herprogrammeren door zichzelf herhaaldelijk aan iets bloot te stellen, lijkt verdacht veel op een systeem dat aan zichzelf sleutelt. De enige manier om dat consistent te houden met alles wat hiervoor gezegd is: aannemen dat ook die blootstelling zelf weer een act is, aangedreven door hetzelfde SEEKING-systeem, geen besluit dat er los van staat.
Wat overblijft na Charnov, Panksepp, Skinner, Libet, Schurger, Sapolsky, Dennett, Selye, Sterling en Bouchard is geen sluitend bewijs. Dat bestaat niet in dit debat en zal er ook nooit komen. Wel een consistent beeld: een organisme dat op elke tijdschaal, van milliseconden tot jaren, voorspelt en reageert, en waarvan de enige vrijheid die overblijft niet bij het beginnen zit. Zit hooguit bij het kunnen stoppen, op het allerlaatste moment, en zelfs dat stoppen heeft een oorzaak die niemand zelf heeft uitgekozen. De gokker aan de roulettetafel koos nooit om te gaan zitten, niet in de zin die hij zelf denkt. Hij doorzag het spel niet. Het spel doorzag hem.
Literatuur
Berridge, K.C. & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309–369.
Bouchard, C. et al. (1999). Familial aggregation of VO2max response to exercise training: results from the HERITAGE Family Study. Journal of Applied Physiology, 87(3), 1003–1008.
Charnov, E.L. (1976). Optimal foraging, the marginal value theorem. Theoretical Population Biology, 9(2), 129–136.
Dennett, D.C. (2003). Freedom Evolves. Viking.
Ferster, C.B. & Skinner, B.F. (1957). Schedules of Reinforcement. Appleton-Century-Crofts.
Levitt, S.D. & Dubner, S.J. (2005). Freakonomics: A Rogue Economist Explores the Hidden Side of Everything. William Morrow.
Libet, B. (1985). Unconscious cerebral initiative and the role of conscious will in voluntary action. Behavioral and Brain Sciences, 8(4), 529–539.
Panksepp, J. (1998). Affective Neuroscience: The Foundations of Human and Animal Emotions. Oxford University Press.
Sapolsky, R.M. (2004). Why Zebras Don’t Get Ulcers. Holt Paperbacks.
Sapolsky, R.M. (2023). Determined: A Science of Life Without Free Will. Penguin Press.
Schultz, W. (1998). Predictive reward signal of dopamine neurons. Journal of Neurophysiology, 80(1), 1–27.
Schurger, A., Sitt, J.D. & Dehaene, S. (2012). An accumulator model for spontaneous neural activity prior to self-initiated movement. Proceedings of the National Academy of Sciences, 109(42), E2904–E2913.
Selye, H. (1956). The Stress of Life. McGraw-Hill.
Sterling, P. (2012). Allostasis: a model of predictive regulation. Physiology & Behavior, 106(1), 5–15.
