Essay 3. Verklaringsdrang en energie De zuinige geest Waarom geloven, verklaren en bewegen dezelfde wet gehoorzamen

Essay 3. Verklaringsdrang en energie De zuinige geest Waarom geloven, verklaren en bewegen dezelfde wet gehoorzamen

Beste Lezer,

Bijgaand een drieluik dat begon bij één zin van Neil Postman, over televisiereclame als religieuze gelijkenis, en dat gaandeweg een stuk dieper is gaan graven dan die zin zelf voorspelde. De drie essays zijn los te lezen, maar bouwen op elkaar voort, en zijn in die volgorde bedoeld.

Het eerste essay, Zonde, verlossing, korting, neemt Postman’s observatie serieus en onderbouwt haar met Durkheim, Barthes en Bellah: sport en reclame vertonen, gemeten naar structuur en niet naar inhoud, dezelfde vorm als religie. Met een kritische kanttekening aan het eind, want een vergelijking die overal past, past uiteindelijk nergens meer precies.

Het tweede essay, Het brein had het verhaal al klaar, stelt de vraag scherper. Is dit nabootsing, of putten religie, sport en reclame alle drie uit dezelfde, oudere bron? Het antwoord loopt via Cassirer en Lévi-Strauss naar de cognitiewetenschap van religie, inclusief een stevige ontkrachting van het populaire idee dat er een “God-orgaan” in het brein zou zitten.

Het derde essay, De zuinige geest, gaat achter de vorm naar de drang zelf: waarom moet er hoe dan ook een verklaring komen, en waarom houden mensen daaraan vast ook als ze fout blijkt. Het antwoord eindigt, tegen alle verwachting in, bij de energierekening van een orgaan dat twintig procent van je stofwisseling opsoupeert, en bij het bewijs dat diezelfde zuinigheid ook in spieren en arbeid geldt, niet alleen in overtuigingen.

Een literatuurlijst met alle geraadpleegde bronnen per essay is toegevoegd.

Groet,

Peter Koopman

 

Essay 3. Verklaringsdrang en energie

De zuinige geest

Waarom geloven, verklaren en bewegen dezelfde wet gehoorzamen

I

Het vorige essay in deze reeks liet zien dat beeld en verhaal aangeboren, universele denkvormen zijn, en dat religie daar geen uitvinder van is maar de oudste, meest opzichtige gebruiker. De vraag die openbleef was niet meer welke vorm die denkneigingen aannemen, maar waarom ze zich zo dringend opdringen. Waarom is “ik weet het niet” voor de meeste mensen, in de meeste situaties, onverdraaglijker dan een verklaring die achteraf gelogen blijkt? Dit laatste essay volgt die vraag tot op de bodem, en de bodem blijkt, enigszins onromantisch, een energierekening te zijn.

Dat klinkt bijna cynisch geformuleerd, een energierekening in plaats van een diepere waarheid, en die reactie is begrijpelijk. Maar cynisme is hier niet het doel, het is een bijverschijnsel van precisie: als je eenmaal ziet hoe letterlijk duur denken is, wordt het moeilijker om verontwaardigd te zijn over mensen die liever een simpele, foute verklaring aanhouden dan een ingewikkelde, juiste. Ze zijn niet lui in de morele zin van het woord, ze volgen een boekhoudkundige logica die ouder is dan elke moraal en die niemand van hen bewust heeft gekozen.

II

Het uitgangspunt is een experiment uit 1944 dat verrassend weinig aan overtuigingskracht heeft ingeboet. Fritz Heider en Marianne Simmel lieten proefpersonen een animatie zien van niets meer dan een grote driehoek, een kleine driehoek en een cirkel die over het scherm bewegen, pure geometrische vormen zonder gezicht, zonder enige objectieve aanwijzing van intentie. Vrijwel iedereen vertelde spontaan een verhaal: de grote driehoek pest de kleine, de cirkel probeert te ontsnappen, er is jaloezie, er is angst. Niemand kon de beweging beschrijven zonder er motief in te leggen. Dat is de verklaringsdrang in het laboratorium gevangen, niet als iets wat mensen soms doen bij religie of reclame, maar als een reflex die zich al op betekenisloze vormen voltrekt.

Jennifer Whitson en Adam Galinsky bevestigden dit op een manier die bijna te mooi is om waar te zijn. In hun studie uit 2008, gepubliceerd in Science, lieten ze proefpersonen eerst een gevoel van controleverlies ervaren, bijvoorbeeld door ze terug te laten denken aan een situatie waarin ze machteloos waren, en lieten ze daarna naar willekeurige ruis kijken, sneeuw op een televisiescherm of reeksen aandelenkoersen die in werkelijkheid pure toevalsgetallen waren. Mensen die zich net machteloos hadden gevoeld, zagen systematisch meer patronen in die ruis, meer samenzweringen, meer bijgeloof, meer illusoire verbanden tussen gebeurtenissen die niets met elkaar te maken hadden. Controleverlies produceert dus niet alleen meer behoefte aan verklaring in het algemeen, het produceert specifiek de illusie dat er wel degelijk een verklaring zichtbaar is, ook wanneer die er niet is. Jan-Willem van Prooijen beschrijft in The Psychology of Conspiracy Theories (2018) hoe dit op maatschappelijke schaal werkt: complottheorieën pieken statistisch aantoonbaar tijdens crises, economische instabiliteit, pandemieën, grote maatschappelijke omwentelingen, precies de momenten waarop het gevoel van controle het meest onder druk staat. De inhoud doet er daarbij verrassend weinig toe, wie in het ene complot gelooft blijkt statistisch een verhoogde kans te hebben ook in een willekeurig ander complot te geloven, zelfs wanneer de twee elkaar inhoudelijk tegenspreken, wat past bij een behoefte aan verklaring op zich, los van de kwaliteit van die verklaring.

Arie Kruglanski gaf die drang een naam en een metriek: need for cognitive closure. Mensen verschillen in hoeveel onbepaaldheid ze verdragen, en die behoefte stijgt aantoonbaar onder tijdsdruk, vermoeidheid en dreiging. Kruglanski onderscheidt twee fasen die hier van belang zijn. Eerst de seize-fase, snel naar een verklaring grijpen zodra er een beschikbaar is, ook als ze niet de beste is maar wel de eerste. Dan de freeze-fase, eraan vasthouden en nieuwe informatie die niet past afweren. Die tweede fase verklaart meteen waarom religieuze dogma’s, clubloyaliteit en merkentrouw zo weerbarstig zijn tegen tegenbewijs, niet uit domheid, maar als tweede helft van hetzelfde proces dat de verklaring in de eerste plaats produceerde. Reclame en sport spelen allebei doelbewust op de seize-fase in. Een aanbieding met een aftellende klok, nog drie exemplaren op voorraad, is een instrument om iemand in de seize-modus te dwingen voordat de trage, kritische freeze-fase de kans krijgt zich te vormen, en een voetbalwedstrijd dwingt door zijn eigen tempo tot continue, razendsnelle betekenisgeving, geen tijd voor twijfel, wel tijd voor een meteen geroepen oordeel over de scheidsrechter.

III

Het sterkste bewijs dat verschillende verklaringssystemen elkaar functioneel kunnen vervangen, komt van Aaron Kay’s compensatory control theory. Kay en collega’s toonden experimenteel aan dat wanneer proefpersonen worden aangezet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de overheid, hun geloof in een ingrijpende, alles regelende God meetbaar stijgt. Het omgekeerde geldt evengoed: ondermijn het geloof in God en het vertrouwen in overheidscontrole stijgt. Twee inhoudelijk volstrekt verschillende systemen, de ene theologisch, de andere bestuurlijk, functioneren aantoonbaar als onderling verwisselbare vulling voor dezelfde psychologische behoefte aan orde en controle. Dat is geen analogie meer tussen religie, sport en reclame, dat is een gemeten, herhaald experimenteel resultaat, en het levert het stevigste bewijs in deze hele reeks voor de stelling dat vorm verschilt terwijl structuur gelijk blijft. Het effect is ook niet beperkt tot religie en overheid alleen, latere replicaties van Kay’s paradigma vonden vergelijkbare compensatiepatronen tussen geloof in het lot, vertrouwen in wetenschap en zelfs vertrouwen in de eigen werkgever, wat suggereert dat de verwisselbaarheid breder is dan het oorspronkelijke godoverheid-paar en dat vrijwel elk systeem dat geloofwaardig orde belooft in aanmerking komt als vervanger zodra een ander systeem het laat afweten.

Melvin Lerner beschreef in de jaren zeventig een verwante behoefte onder de naam just world hypothesis: mensen willen geloven dat de wereld rechtvaardig is, dat goed gedrag wordt beloond en slecht gedrag bestraft, en die behoefte is zo sterk dat ze bij confrontatie met een onschuldig slachtoffer eerder het slachtoffer een schuld toedichten dan hun geloof in een rechtvaardige wereld op te geven. Het is dezelfde compensatiemechaniek als bij Kay, alleen gericht op moraliteit in plaats van op bestuurlijke controle, liever een oordeel dat pijn doet dan een universum zonder oordeel.

IV

Sociologisch was ditzelfde inzicht eerder al geformuleerd, in minder experimentele maar niet minder scherpe taal. Peter Berger stelde in The Sacred Canopy (1967) dat mensen anomie, de ervaring van een betekenisloze, onvoorspelbare wereld, niet kunnen verdragen, en daarom een nomos bouwen, een zingevend ordeningskader dat het leven overkoepelt als een baldakijn. Religie is historisch de machtigste vorm van nomos-bouw geweest, maar niet de enige mogelijke. Elk instituut dat een totale, vanzelfsprekende orde levert kan die functie overnemen. Clifford Geertz’s beroemde definitie van religie, een symboolsysteem dat sterke stemmingen en motivaties vestigt door een conceptie van de algemene orde van het bestaan met een schijn van feitelijkheid te bekleden, is zo generiek geformuleerd dat je religie moeiteloos kunt vervangen door nationalisme, merkcultuur of clubfanatisme zonder dat de zin instort.

Eén precisering hoort hier wel bij, anders wordt het beeld te glad. Verklaren van een los voorval, waarom viel die steen, en ordenen van het geheel van het bestaan, wat is de zin van alles, zijn verwante maar niet identieke drijfveren. Heider en Simmel demonstreerden het eerste, bijna reflexmatig en automatisch. Berger en Geertz beschrijven vooral het tweede, trager en meer cultureel bewerkt. Beide drijfveren voeden religie, sport en reclame, maar ze werken op een ander tempo, en wie ze door elkaar laat lopen mist waarom een simpele reclamespot razendsnel werkt terwijl een levensbeschouwing jaren nodig heeft om te rijpen.

V

Waarom is die drang zo dringend, en niet gewoon een voorkeur die je desnoods kunt negeren? Terror management theory, gebaseerd op Ernest Becker’s The Denial of Death (1973) en experimenteel uitgewerkt door Jeff Greenberg, Sheldon Solomon en Tom Pyszczynski, geeft er een existentiële laag onder. Wanneer proefpersonen worden herinnerd aan hun eigen sterfelijkheid, mortality salience in de vaktaal, grijpen ze meetbaar steviger naar hun culturele betekenissystemen, of dat nu religie, nationale identiteit of, in latere replicaties, consumentenmerken zijn. Mensen die net aan de dood zijn herinnerd, verdedigen hun wereldbeeld agressiever, straffen afwijkende meningen harder en klampen zich sterker vast aan symbolen van hun groep. De verklaringsdrang is dus niet louter een intellectuele jeuk die om krabben vraagt, ze is een angstregulatiemechanisme met de dood als ultieme, onverklaarbare gebeurtenis permanent op de achtergrond aanwezig.

Becker’s eigen kernbegrip hierbij is het immortality project of hero system: elke cultuur biedt haar leden een manier om zich, ondanks de wetenschap dat ze zullen sterven, onderdeel te voelen van iets dat blijft bestaan, een naam die voortleeft, een club die na je overlijden gewoon doorspeelt, een merk waarvan de waarden groter aanvoelen dan je eigen sterfelijke leven. Latere experimenten van onder anderen Jamie Arndt en collega’s lieten zien dat mortality salience niet alleen ideologische verdediging aanwakkert maar ook rechtstreeks materialisme: proefpersonen die aan hun sterfelijkheid werden herinnerd, gaven aan meer geld te willen uitgeven en meer luxegoederen te willen bezitten, alsof bezit een tijdelijke vervanger is voor onsterfelijkheid die niemand hardop zo zou noemen maar die er gedragsmatig wel exact zo uitziet.

VI

Dit alles verklaart nog steeds niet waarom het brein zo’n haast heeft. Daarvoor moet je van de psychologie naar de metabolische boekhouding, en die boekhouding is niet overdrachtelijk bedoeld. Het menselijk brein weegt ongeveer twee procent van het lichaamsgewicht en verbruikt in rust rond de twintig procent van de totale stofwisselingsenergie, bij zuigelingen loopt dat op tot de helft. Leslie Aiello en Peter Wheeler beschreven in hun expensive tissue hypothesis (1995) dat zo’n disproportioneel dure investering zich in de evolutie alleen kon handhaven doordat elders fors werd bezuinigd, met name op darmweefsel. Elke rekenoperatie in dit orgaan kost letterlijk calorieën, en natuurlijke selectie is meedogenloos zuinig op calorieën.

Karl Friston’s free energy principle, ook wel predictive processing genoemd, bouwt hierop een compleet model van het brein als voorspellingsmachine. De kerngedachte: het brein probeert voortdurend de verrassing tussen wat het verwacht en wat er binnenkomt te minimaliseren, want elke verrassing dwingt tot extra verwerking en extra opwinding, en dat kost energie. Een stabiel verklaringsmodel, een prior in Fristons vaktaal, is functioneel niets anders dan een goedkope voorspeller. Als het model klopt, hoeft het brein niet telkens vanaf nul te rekenen. Vasthouden aan een verklaring, de freeze-fase van Kruglanski, is in dit licht niet koppigheid maar de metabolisch voordeligste optie zolang de verklaring redelijk blijft werken.

VII

Lisa Feldman Barrett trekt dit in How Emotions Are Made (2017) nog scherper door. Volgens haar is de hoofdtaak van het brein niet denken of waarnemen in de klassieke zin, maar allostase, het voorspellend beheren van het lichaamsbudget, glucose, hartslag, ontsteking, vooruit ingeschat in plaats van reactief bijgestuurd. Concepten en categorieën, en daaronder valt mythe en verhaalstructuur net zo goed als merkbeleving en clubidentiteit, bestaan volgens haar precies omdat ze het mogelijk maken een nieuwe situatie te behandelen met een reeds betaald, hergebruikt sjabloon in plaats van elke keer een dure, verse berekening te maken.

Bij dit soort energetische verklaringen in de psychologie is voorzichtigheid geboden, want het veld heeft hier eerder zijn vingers aan gebrand. Roy Baumeister’s invloedrijke ego depletion-theorie, het idee dat zelfbeheersing een uitputbare bron is die letterlijk op glucose draait, leek jarenlang het perfecte bewijs voor precies het punt dat dit essay maakt. Een grote, vooraf geregistreerde replicatiestudie onder leiding van Martin Hagger in 2016, met tientallen laboratoria wereldwijd, kon het kernresultaat echter niet reproduceren. Dat betekent niet dat het brein geen energie kost, de metabolische cijfers van Aiello en Wheeler staan onwrikbaar overeind, maar het betekent wel dat niet elke aantrekkelijke energetische verklaring in de psychologie standhoudt zodra iemand de moeite neemt hem grondig te toetsen, en dat is reden genoeg om Fristons kader met enige argwaan te blijven lezen in plaats van het klakkeloos te omarmen.

Dit is ouder dan Friston en Barrett, alleen zonder de scanner. George Zipf beschreef in Human Behavior and the Principle of Least Effort (1949) al dat een verrassend groot deel van menselijk gedrag, inclusief taal en denken, zich laat verklaren als een streven naar minimale inspanning, wat bij taal leidt tot de beroemde wetmatigheid dat een klein aantal woorden het gros van elk gesprek uitmaakt terwijl een lange staart van zeldzame woorden nauwelijks wordt gebruikt. Susan Fiske en Shelley Taylor noemden de mens in de sociale cognitie een cognitive miser, iemand die stelselmatig voor het goedkope heuristiek kiest boven de dure, volledige analyse, en schema’s, stereotypen en mythes zijn daarvan de klassieke voorbeelden.

Diezelfde zuinigheid verklaart een fenomeen uit de gedragseconomie dat inmiddels beleid over de hele wereld heeft veranderd. Eric Johnson en Daniel Goldstein lieten in 2003 zien dat het percentage orgaandonoren tussen Europese landen bijna volledig samenhangt met de standaardinstelling op het formulier, landen waar je je actief moet afmelden kennen donatiepercentages boven de negentig procent, landen waar je je actief moet aanmelden blijven steken onder de twintig procent, terwijl de onderliggende bereidheid nauwelijks verschilt. Mensen laten massaal de default staan, niet uit onverschilligheid over hun eigen lichaam na de dood, maar omdat een actieve keuze cognitief duurder is dan geen keuze maken, en het brein grijpt elke gelegenheid aan om niet te hoeven rekenen.

VIII

Twee kanttekeningen horen hier, en ze zijn hier niet voor de sier. Het free energy principle wordt door een deel van de cognitiewetenschap bekritiseerd als te allesomvattend om nog falsifieerbaar te zijn, een wiskundig kader dat vrijwel elk gedrag achteraf kan herformuleren als energie minimaliseren, wat verdacht veel lijkt op het risico van “alles is religie” uit het eerste essay in deze reeks. Filosofen als Jelle Bruineberg en anderen binnen de cognitiewetenschap zelf hebben erop gewezen dat het principe in zijn meest algemene vorm zo ruim geformuleerd is dat vrijwel elk denkbaar systeem, levend of niet, eraan kan worden onderworpen, wat de vraag oproept of het nog een empirische theorie is of eerder een wiskundig herbeschrijvingskader waarin achteraf alles past. Dat is geen reden om het te verwerpen, de metabolische cijfers waarop het voortbouwt zijn onomstreden, maar het is wel reden om het onderscheid vast te houden tussen wat gemeten is, het brein kost twintig procent van de energie, en wat geïnterpreteerd is, namelijk dat alles wat het brein doet bedoeld zou zijn om die energie te sparen.

En wie zegt dat het brein “economisch” handelt, gebruikt zelf een doelgerichte, teleologische formulering, precies het soort promiscuous teleology dat Deborah Kelemen bij kinderen documenteerde. Preciezer geformuleerd handelt het brein niet doelgericht economisch, systemen die toevallig zuiniger omgingen met energie hebben zich beter voortgeplant dan systemen die dat niet deden, en wat overblijft ziet er achteraf uit als opzet. Die correctie is klein maar niet overbodig, vooral in een essay dat drie stukken lang precies deze denkfout bij anderen heeft blootgelegd.

IX

Als dit principe klopt, zou het zich niet mogen beperken tot cognitie, en dat doet het ook niet. Karl Friston breidde zijn eigen kader zelf uit met active inference: organismen handelen niet alleen om verrassing te minimaliseren via waarneming, ze handelen om verwachte verrassing te minimaliseren via beweging. Actie is dus, in dit kader, geen apart domein naast cognitie, maar dezelfde energiezuinige logica die naar buiten toe werkt.

Voor motoriek specifiek bestaat er een oudere, onafhankelijke traditie die tot dezelfde conclusie komt. Nikolai Bernstein beschreef in de jaren dertig en veertig het degrees of freedom-probleem: het lichaam heeft voor vrijwel elke handeling een absurd aantal mogelijke gewrichts- en spiercombinaties, en motorisch leren komt neer op het terugbrengen van dat overschot tot een klein aantal herbruikbare, zuinige bewegingspatronen. Zijn onderzoek naar smeden liet zien dat de hamerslag van een ervaren smid consistenter en energetisch voordeliger wordt naarmate hij meer geoefend is. Paul Fitts en Michael Posner beschreven hetzelfde traject als een driefasenmodel van motorisch leren, cognitief, associatief, autonoom, waarbij een handeling in het begin veel aandacht en energie kost en met oefening steeds goedkoper en automatischer wordt. Er bestaat trouwens ook een kwantitatieve, bijna Zipf-achtige wetmatigheid voor losse bewegingen zelf. Fitts beschreef in 1954 een wiskundige regelmaat, sindsdien Fitts’s Law genoemd, die de ruilverhouding tussen snelheid en nauwkeurigheid van een gerichte beweging voorspelt: hoe kleiner en verder weg een doel, hoe voorspelbaar langer de beweging ernaartoe duurt, en die relatie geldt met verbluffende precisie voor een handbeweging naar een knop net zo goed als voor een muisbeweging naar een pixel op een scherm. Het is het soort wet dat je verwacht in de natuurkunde, niet in het gedrag van een individuele arm, en het bevestigt dat spierbeweging net zo lawmatig zuinig is als de taal die Zipf beschreef. Op zuiver biomechanisch niveau is dit ook direct gemeten: onderzoek naar loopsnelheid en pasfrequentie, onder anderen van Art Kuo en Rodger Kram, toont dat mensen spontaan precies die staplengte en cadans kiezen die het metabolisme per afgelegde meter minimaliseert, gemeten in zuurstofverbruik, niet afgeleid uit theorie.

X

Voor arbeid specifiek bestaat er een discipline die dit principe als uitgangspunt nam nog voordat iemand het woord vrije energie in deze context gebruikte. Frank en Lillian Gilbreth’s time-and-motion-studies uit het begin van de twintigste eeuw, de grondslag van wat nu motion economy en ergonomie heet, brachten met de stopwatch in kaart welke arbeidsbewegingen overbodig waren en minimaliseerden ze, decennia voor Friston en Barrett hetzelfde deden met wiskunde en scanners. Sportwetenschappelijk onderzoek naar techniek bevestigt ook dat verschillende lichaamsbouw leidt tot verschillende, individueel optimale uitvoeringen van dezelfde vaardigheid, en het specificity of practice-principe laat zien dat een goedkoop ingesleten patroon niet universeel goedkoop is, maar goedkoop relatief aan de specifieke context waarin het is opgebouwd, wat rechtstreeks aansluit bij wat in het gesprek waaruit dit essay ontstond werd omschreven als afhankelijkheid van fysieke constitutie en ervaring.

Breder dan pure biomechanica sluit optimal foraging theory uit de gedragsecologie, geformuleerd door Robert MacArthur en Eric Pianka in 1966, hier op aan: dieren, en toegepast op mensen ook arbeiders en sporters, kiezen consequent de strategie die de beste energetische opbrengst per geïnvesteerde inspanning oplevert, wat verder gaat dan spiercoördinatie alleen en ook keuzegedrag omvat, welke jachttechniek, welke aanvalspatroon, welke werkmethode de moeite waard is om vol te houden. Bij mensen is dit niet alleen theorie. Antropologisch onderzoek naar hedendaagse jager-verzamelaars, zoals de Hadza in Tanzania, bevestigt dat foerageerkeuzes nauwkeurig te voorspellen zijn met een calorie-per-uur-model: mensen laten voedselbronnen met een lage energetische opbrengst stelselmatig links liggen zodra er iets efficiënters binnen bereik is, ook als dat iets minder betrouwbaar of minder smakelijk is. Kristen Hawkes en collega’s lieten dat onder meer zien in hun langlopende veldwerk, en de overeenkomst met een moderne werknemer die de kortste route naar de printer neemt of de sporter die de meest energiezuinige techniek aanleert, is niet toevallig, het is dezelfde rekensom in een ander decor.

XI

Eén statistische slotwaarschuwing is op zijn plaats, en niet omdat hij het betoog ondermijnt, maar omdat een essay dat drie stukken lang tegen overextensie waarschuwt zichzelf niet mag vrijstellen van diezelfde discipline. Zipf-achtige verdelingen, een paar acties die extreem vaak voorkomen naast een lange staart van zeldzame varianten, duiken ook op in sportstatistieken en arbeidsdata. Michael Mitzenmacher liet in zijn overzichtsartikel over generatieve modellen voor machtswetten (2004) zien dat zulke verdelingen door minstens een stuk of vijf compleet verschillende onderliggende mechanismen kunnen ontstaan, least effort is er maar één van, naast bijvoorbeeld preferential attachment of multiplicatieve toevalsprocessen. Een Zipf-patroon in sport- of arbeidsdata bewijst dus niet automatisch dat energie-economie de oorzaak is, dat moet apart worden aangetoond, zoals bij lopen wel is gebeurd via directe zuurstofmeting en bij schaken of balsport doorgaans niet.

Met die kanttekening erbij houdt de rode draad van deze drieluik stand. Het eerste essay liet zien dat religie, sport en reclame, gemeten met Durkheims criteria, dezelfde structuur delen, sacraal tegenover profaan, collectief symbool, liturgische opbouw, verlossingsbelofte. Het tweede essay liet zien dat die structuur niet van religie naar de andere twee is gelekt, maar dat alle drie putten uit dezelfde aangeboren neiging tot beeld- en verhaaldenken, een neiging die aantoonbaar aan reflectief zelfbewustzijn voorafgaat en er onder blijft doorwerken. Dit derde essay heeft laten zien waarom die neiging zo dringend is dat ze zich niet laat uitschakelen: omdat een brein dat twintig procent van de energie van het lichaam opsoupeert zich geen voortdurende onzekerheid kan veroorloven, en omdat diezelfde zuinigheid, gemeten in zuurstofverbruik en spiercoördinatie, ook buiten het hoofd geldt. Religie, sport en reclame zijn dan geen drie verklede versies van elkaar. Het zijn drie zichtbare symptomen van één onzichtbare wet, de wet van een kostbaar orgaan dat, letterlijk, niet failliet wil gaan aan zijn eigen nieuwsgierigheid.

Dat is misschien de minst troostrijke, en tegelijk de eerlijkste conclusie van dit hele drieluik. Er zit geen ontwerper achter die ooit bedacht dat mensen zin nodig hadden en er daarom kerken, stadions en reclamebureaus voor bouwde. Er zit een boekhouding achter, gevoerd door een orgaan dat in de problemen komt als het te lang moet twijfelen, en de kathedraal, het stadion en de winkelstraat zijn drie even doeltreffende manieren om diezelfde rekening op tijd te betalen.

 

Literatuurlijst

Gegroepeerd per essay, in volgorde van eerste vermelding. Auteurs die in meerdere essays terugkeren staan alleen vermeld bij het essay waar ze voor het eerst een rol spelen.

Essay 1: Zonde, verlossing, korting

Postman, N. (1982). The Disappearance of Childhood. Delacorte Press.

Postman, N. (1992). Technopoly: The Surrender of Culture to Technology. Knopf.

Durkheim, É. (1912). Les formes élémentaires de la vie religieuse. Alcan. (Engelse vertaling: The Elementary Forms of Religious Life.)

Bellah, R. N. (1967). Civil Religion in America. Daedalus, 96(1).

Elias, N. & Dunning, E. (1986). Quest for Excitement: Sport and Leisure in the Civilizing Process. Basil Blackwell.

Barthes, R. (1957). Mythologies. Éditions du Seuil.

Twitchell, J. B. (1996). Adcult USA: The Triumph of Advertising in American Culture. Columbia University Press.

Campbell, C. (1987). The Romantic Ethic and the Spirit of Modern Consumerism. Basil Blackwell.

Eliade, M. (1957). The Sacred and the Profane: The Nature of Religion. Harcourt Brace.

Smith, J. Z. (1978). Map Is Not Territory: Studies in the History of Religions. Brill.

Smith, J. Z. (1982). Imagining Religion: From Babylon to Jonestown. University of Chicago Press.

Bernays, E. (1928). Propaganda. Horace Liveright.

Packard, V. (1957). The Hidden Persuaders. David McKay Company.

Muniz, A. M. & O’Guinn, T. C. (2001). Brand Community. Journal of Consumer Research, 27(4).

Lincoln, B. (2003). Holy Terror: Thinking about Religion after September 11. University of Chicago Press.

Asad, T. (1993). Genealogies of Religion: Discipline and Reasons of Power in Christianity and Islam. Johns Hopkins University Press.

Essay 2: Het brein had het verhaal al klaar

Cassirer, E. (1944). An Essay on Man. Yale University Press.

Langer, S. K. (1942). Philosophy in a New Key. Harvard University Press.

Bruner, J. (1986). Actual Minds, Possible Worlds. Harvard University Press.

Lévi-Strauss, C. (1964). Mythologiques I: Le Cru et le Cuit. Plon. (Engelse vertaling: The Raw and the Cooked.)

Gottschall, J. (2012). The Storytelling Animal: How Stories Make Us Human. Houghton Mifflin Harcourt.

Propp, V. (1928). Morphology of the Folktale. Academia (Leningrad).

Tehrani, J. J. & Da Silva, S. G. (2016). Comparative Phylogenetic Analyses Uncover the Ancient Roots of Indo-European Folktales. Royal Society Open Science, 3(1).

Campbell, J. (1949). The Hero with a Thousand Faces. Pantheon Books.

Dundes, A. (diverse essays over de methodologische zwakte van de monomyth-these, o.a. in Parsing Through Customs, 1987).

Lakoff, G. & Johnson, M. (1980). Metaphors We Live By. University of Chicago Press.

Goldin-Meadow, S. (diverse publicaties over gebaar bij congenitaal blinde sprekers, o.a. in Psychological Science, jaren negentig en later).

Köhler, W. (1929). Gestalt Psychology. Liveright. (Oorsprong van het bouba-kiki-effect.)

Dunbar, R. (1996). Grooming, Gossip, and the Evolution of Language. Harvard University Press.

Pinker, S. (1997). How the Mind Works. Norton.

Ong, W. J. (1982). Orality and Literacy: The Technologizing of the Word. Methuen.

Jaynes, J. (1976). The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind. Houghton Mifflin.

Donald, M. (1991). Origins of the Modern Mind: Three Stages in the Evolution of Culture and Cognition. Harvard University Press.

Damasio, A. (2010). Self Comes to Mind: Constructing the Conscious Brain. Pantheon.

Mandler, J. M. (2004). The Foundations of Mind: Origins of Conceptual Thought. Oxford University Press.

Freud, S. (1900). Die Traumdeutung. Franz Deuticke.

Jung, C. G. (1959). The Archetypes and the Collective Unconscious. Collected Works, deel 9. Princeton University Press.

McGilchrist, I. (2009). The Master and His Emissary: The Divided Brain and the Making of the Western World. Yale University Press.

Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.

Ramachandran, V. S. & Blakeslee, S. (1998). Phantoms in the Brain: Probing the Mysteries of the Human Mind. William Morrow.

Persinger, M. A. (diverse artikelen over de “God Helmet”, jaren tachtig en negentig, o.a. in Perceptual and Motor Skills).

Granqvist, P., Fredrikson, M., Unge, P., Hagenfeldt, A., Valind, S., Larhammar, D. & Larsson, M. (2005). Sensed Presence and Mystical Experiences Are Predicted by Suggestibility, Not by the Application of Transcranial Weak Complex Magnetic Fields. Neuroscience Letters, 379(1).

Hamer, D. (2004). The God Gene: How Faith Is Hardwired into Our Genes. Doubleday.

Boyer, P. (2001). Religion Explained: The Evolutionary Origins of Religious Thought. Basic Books.

Barrett, J. L. (2004). Why Would Anyone Believe in God?. AltaMira Press.

Barrett, J. L. (2012). Born Believers: The Science of Children’s Religious Belief. Free Press.

Atran, S. (2002). In Gods We Trust: The Evolutionary Landscape of Religion. Oxford University Press.

Kelemen, D. (1999, 2004 e.v.). Onderzoek naar “promiscuous teleology” bij kinderen, o.a. gepubliceerd in Cognition en Psychological Science.

Barrett, J. L. & Nyhof, M. (2001). Spreading Non-Natural Concepts: The Role of Intuitive Conceptual Structures in Memory and Transmission of Cultural Materials. Journal of Cognition and Culture, 1(1).

Wilson, D. S. (2002). Darwin’s Cathedral: Evolution, Religion, and the Nature of Society. University of Chicago Press.

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. Pantheon.

Pinker, S. (2012). The False Allure of Group Selection. Edge.org.

Williams, G. C. (1966). Adaptation and Natural Selection. Princeton University Press.

Chomsky, N. (1965). Aspects of the Theory of Syntax. MIT Press.

Sperber, D. (1996). Explaining Culture: A Naturalistic Approach. Blackwell.

Essay 3: De zuinige geest

Heider, F. & Simmel, M. (1944). An Experimental Study of Apparent Behavior. American Journal of Psychology, 57(2).

Whitson, J. A. & Galinsky, A. D. (2008). Lacking Control Increases Illusory Pattern Perception. Science, 322(5898).

Van Prooijen, J.-W. (2018). The Psychology of Conspiracy Theories. Routledge.

Kruglanski, A. W. (1989). Lay Epistemics and Human Knowledge: Cognitive and Motivational Bases. Plenum.

Kruglanski, A. W. & Webster, D. M. (1996). Motivated Closing of the Mind: “Seizing” and “Freezing”. Psychological Review, 103(2).

Kay, A. C., Gaucher, D., Napier, J. L., Callan, M. J. & Laurin, K. (2008). God and Government: Testing a Compensatory Control Mechanism for the Support of External Systems. Journal of Personality and Social Psychology, 95(1).

Lerner, M. J. (1980). The Belief in a Just World: A Fundamental Delusion. Plenum Press.

Berger, P. L. (1967). The Sacred Canopy: Elements of a Sociological Theory of Religion. Doubleday.

Geertz, C. (1966). Religion as a Cultural System. In: M. Banton (red.), Anthropological Approaches to the Study of Religion. Tavistock.

Becker, E. (1973). The Denial of Death. Free Press.

Greenberg, J., Solomon, S. & Pyszczynski, T. (2003). In the Wake of 9/11: The Psychology of Terror. American Psychological Association.

Arndt, J., Solomon, S., Kasser, T. & Sheldon, K. M. (2004). The Urge to Splurge: A Terror Management Account of Materialism and Consumer Behavior. Journal of Consumer Psychology, 14(3).

Aiello, L. C. & Wheeler, P. (1995). The Expensive-Tissue Hypothesis: The Brain and the Digestive System in Human and Primate Evolution. Current Anthropology, 36(2).

Friston, K. (2010). The Free-Energy Principle: A Unified Brain Theory?. Nature Reviews Neuroscience, 11.

Barrett, L. F. (2017). How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain. Houghton Mifflin Harcourt.

Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Muraven, M. & Tice, D. M. (1998). Ego Depletion: Is the Active Self a Limited Resource?. Journal of Personality and Social Psychology, 74(5).

Hagger, M. S. e.a. (2016). A Multilab Preregistered Replication of the Ego-Depletion Effect. Perspectives on Psychological Science, 11(4).

Bruineberg, J. (diverse artikelen met kritische beschouwing van het free energy principle binnen de filosofie van de cognitiewetenschap, o.a. in Synthese).

Zipf, G. K. (1949). Human Behavior and the Principle of Least Effort. Addison-Wesley.

Johnson, E. J. & Goldstein, D. (2003). Do Defaults Save Lives?. Science, 302(5649).

Fiske, S. T. & Taylor, S. E. (1984). Social Cognition. Addison-Wesley.

Bernstein, N. A. (1967). The Co-ordination and Regulation of Movements. Pergamon Press.

Fitts, P. M. (1954). The Information Capacity of the Human Motor System in Controlling the Amplitude of Movement. Journal of Experimental Psychology, 47(6).

Fitts, P. M. & Posner, M. I. (1967). Human Performance. Brooks/Cole.

Kuo, A. D. (2001). A Simple Model of Bipedal Walking Predicts the Preferred Speed-Step Length Relationship. Journal of Biomechanical Engineering, 123(3).

Kram, R. & Taylor, C. R. (1990). Energetics of Running: A New Perspective. Nature, 346.

Gilbreth, F. B. & Gilbreth, L. M. (diverse publicaties over motion economy, jaren 1910 en 1920, o.a. Motion Study, 1911).

MacArthur, R. H. & Pianka, E. R. (1966). On Optimal Use of a Patchy Environment. The American Naturalist, 100(916).

Hawkes, K., O’Connell, J. F. & Blurton Jones, N. G. (diverse veldstudies naar foerageergedrag bij de Hadza, o.a. in Current Anthropology en Journal of Human Evolution, jaren negentig en later).

Mitzenmacher, M. (2004). A Brief History of Generative Models for Power Law and Lognormal Distributions. Internet Mathematics, 1(2).

 

Ook interessant voor jou!