Druk, druk, druk, dus ik besta

Druk, druk, druk, dus ik besta

Waarom jouw drukte een leugen is die je jezelf verkoopt

 

Beste lezer,

Iemand die op een feestje klaagt over zijn overvolle agenda, klaagt niet. Hij adverteert. Vandaag een essay over drukte als statussymbool: over de Hadza die met vijftien uur werk per week toekomen, over Keynes die in 1930 een vijftienurige werkweek voorspelde die er nooit kwam, en over hoe de mens zijn schaarse vrije uren gebruikt om precies te doen wat Veblens rentenier het hele jaar deed, verspillen, alleen dan in twee weken vakantie en breed uitgemeten op internet. Van lijfeigene tot CEO, dezelfde inspanning, tegenovergestelde betekenis.

Lees hieronder verder. Bij voorkeur niet tussen twee vergaderingen door.

Peter Koopman

 

Druk, druk, druk, dus ik besta

Iemand op een verjaardagsfeestje zegt, tussen twee happen bitterballen door, dat hij ’s ochtends om zes uur al mails zit te beantwoorden en dat het weekend eigenlijk niet meer bestaat. Niemand heeft ernaar gevraagd. Hij vertelt het toch, met een zucht die verdacht veel op trots lijkt. Dat is geen klacht. Dat is reclame voor zichzelf, gratis verspreid onder mensen die net zomin zitten te wachten op het bewijs van zijn onmisbaarheid als hij op hun medeleven.

Bij de Hadza in Tanzania, een van de laatste gemeenschappen op aarde die nog grotendeels van jagen en verzamelen leeft, ligt dat compleet anders. Antropoloog Frank Marlowe bracht hun dagbesteding decennialang in kaart en kwam uit op vijftien tot twintig uur per week aan voedsel verzamelen. De rest van de tijd wordt gerust, gepraat, gespeeld, geslapen. Marshall Sahlins noemde dit type samenleving in 1972 al de oorspronkelijke overvloedmaatschappij, the original affluent society: niet omdat de Hadza veel bezitten, maar omdat ze weinig willen en dus veel tijd overhouden. James Suzman herhaalt dat argument in Work: A Deep History (2020) en voegt eraan toe dat tijdschaarste geen biologisch gegeven is, maar een uitvinding van landbouw en later van kapitalisme. De mens is niet geboren om druk te zijn. Hij is ertoe gedomesticeerd.

De vraag wat werk precies is, wordt zelden gesteld, laat staan beantwoord. Ploegen is werk. Een dier villen is werk. Maar is een strategiegesprek van drie uur waarin niemand een besluit neemt ook werk? Is het beantwoorden van mails over andere mails werk, of een geritualiseerde vorm van aanwezigheid tonen? De grens tussen werk en niet-werk is geen natuurwet, het is een sociale afspraak, en die afspraak is de afgelopen paar eeuwen compleet op zijn kop gezet.

Van lijfeigene tot CEO is dezelfde inspanning van betekenis verwisseld. De lijfeigene zwoegde omdat hij geen keus had, en stond daar onderaan de ladder om. Handenarbeid was iets voor mensen zonder aanzien; wie kon, liet zich bedienen en pronkte juist met ledigheid. Thorstein Veblen beschreef dat rond 1900 als conspicuous leisure: de rijke elite toonde haar status door zichtbaar niets te doen, door lange nagels, bleke handen, tijd die nergens aan werd besteed. Precies honderd jaar later staat het beeld op zijn kop. Silvia Bellezza, Neeru Paharia en Anat Keinan lieten in 2017 zien dat drukte inmiddels het statussymbool is geworden dat vrije tijd ooit was. Een overvolle agenda suggereert dat je schaars bent, gewild, onmisbaar voor de arbeidsmarkt. Wie zegt dat hij nooit tijd heeft, verkoopt zichzelf als kostbaar personeel op een markt waar niemand hem dat gevraagd heeft.

John Maynard Keynes voorspelde in 1930, in Economic Possibilities for our Grandchildren, dat de mensheid binnen honderd jaar nog maar vijftien uur per week zou hoeven werken. De productiviteit zou vertienvoudigen, de rest was volgens hem een kwestie van eerlijk verdelen. De productiviteit is er gekomen, ruimschoots. De vrije tijd niet: de gemiddelde werkweek in de rijke wereld hangt al vijftig jaar rond de veertig uur. Keynes onderschatte de techniek niet, hij onderschatte de mens. Zodra er overschot is, wordt dat overschot niet opgesoupeerd als rust. Het wordt materiaal voor status.

Veblen zag dat probleem al aankomen, ruim voor Keynes. In diezelfde Theory of the Leisure Class beschrijft hij sport en spel als geritualiseerde verspilling van tijd en energie, activiteiten zonder productief nut, juist uitgevonden omdat ze nergens toe dienen. Wie kon golfen, jagen of paardrijden, bewees daarmee dat hij zich onproductiviteit kon veroorloven. Dat principe is nooit verdwenen, het is alleen ingekrompen. Waar de negentiende-eeuwse rentenier het hele jaar kon verspillen, moet de moderne werknemer zijn verspilling proppen in twee weken vakantie, een weekend, of een uurtje na werktijd, en die momenten vervolgens breed uitmeten op internet: de bergtop, de sportschoenen, de tweede auto, het kapsel dat drie uur kostte. Twaalf maanden zwoegen om twee weken lang te mogen tonen dat je kunt verspillen. Dat is de paradox waar niemand hardop om lacht, hooguit stiekem bij het scrollen door andermans vakantiefoto’s.

Dat de CEO tegenwoordig harder klaagt over zijn agenda dan de lijfeigene ooit deed over zijn ploeg, zegt iets lelijks over hoe status werkt. Het maakt namelijk niet uit wat je doet, het maakt uit wat het over je zegt, en de mens is uitstekend in het verzinnen van nieuwe dingen om mee te pronken zodra de oude niet meer werken. Eerst imponeerde bezit, toen vrije tijd, nu de afwezigheid daarvan. De kans is groot dat over twintig jaar niemand van ons doorheeft dat we opnieuw meedoen aan hetzelfde spel, alleen in een nieuwe verpakking.

Natuurlijk is niet alle drukte theater. Er bestaat echte overbelasting, met echte gezondheidsschade: bij verpleegkundigen, en bij ouders die zorg en betaald werk stapelen zonder er ooit status aan te ontlenen. Het onderscheid tussen echte tijdsdruk en de vertoning ervan is precies waar het oordeel scherp moet blijven. Wie in de zorg vijftig uur draait, pronkt niet, die overleeft. Wie op LinkedIn schrijft over zijn 5 AM club en zijn twaalf back to back calls, pronkt wel, en verwart de twee dingen liever niet te hardop met elkaar.

Japan heeft er een woord voor: karoshi, dood door overwerk, sinds de jaren tachtig officieel erkend als doodsoorzaak. Het is het eindpunt van een signaal dat zijn eigen zender opeet. Wanneer status en zelfvernietiging in elkaars verlengde komen te liggen, is er iets grondig misgegaan met wat een samenleving beloont. De Hadza, die al tienduizenden jaren prima functioneren zonder ooit een woord voor burn-out nodig te hebben gehad, zouden er waarschijnlijk gewoon om lachen. Ergens in de schaduw. Met tijd over.

Sahlins en Suzman bewijzen dat het ook anders kan, en heeft gekund, voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis. Dat maakt de hedendaagse drukte niet zielig, wel navrant: een vorm van vrijwillige lijfeigenschap, zonder heer die zweept, met de eigen agenda als zweep. Descartes bewees zijn bestaan met denken. De kenniswerker van vandaag bewijst het zijne met een volgeboekte kalender. Druk, druk, druk, dus ik besta. Het enige verschil met Descartes is dat hij er in elk geval nog even bij stilstond.

Literatuurlijst

  1. Bellezza, S., Paharia, N., & Keinan, A. (2017). Conspicuous Consumption of Time: When Busyness and Lack of Leisure Time Become a Status Symbol. Journal of Consumer Research, 44(1), 118–138.
  2. Descartes, R. (1637). Discours de la méthode.
  3. Marlowe, F. W. (2010). The Hadza: Hunter-Gatherers of Tanzania. University of California Press.
  4. Nishiyama, K., & Johnson, J. V. (1997). Karoshi—Death from Overwork: Occupational Health Consequences of Japanese Production Management. International Journal of Health Services
  5. pillen 27(4), 625–641.
  6. Sahlins, M. (1972). Stone Age Economics. Aldine-Atherton. (bevat het essay “The Original Affluent Society”)
  7. Suzman, J. (2020). Work: A Deep History, from the Stone Age to the Age of Robots. Penguin Press.
  8. Veblen, T. (1899). The Theory of the Leisure Class. Macmillan.

Ook interessant voor jou!