Maar als jij dit doet, nou dan doe ik dat….
De onzin van het trainen van zelfverdediging
Iemand die een cursus zelfverdediging volgt, verlaat de zaal met de overtuiging dat hij nu weet hoe hij zal reageren onder echte dreiging. Gilbert en Wilson toonden aan dat mensen structureel slecht zijn in het voorspellen van eigen toekomstig gedrag, en Latané en Darley lieten zien dat vrijwel iedereen vooraf zeker weet dat hij zou ingrijpen bij een noodgeval, terwijl een meerderheid in de praktijk niets doet. Je kent je reactie op dodelijke dreiging pas op het moment dat de dreiging dodelijk is.
Elk spel, van het spelvechten bij wolvenwelpen tot een sportschool, draagt een ingebouwde grens met zich mee die Huizinga de magic circle noemde: binnen het spel zijn de gewone consequenties opgeschort. Een zelfverdedigingscursus moet die grens om commerciële en juridische redenen handhaven, want slachtoffers stoppen met betalen. Dat garandeert dat de training nooit overgaat in wat ze beweert te simuleren. Wat ze wel oplevert is een gevoel van controle, precies wat Langer’s illusion of control beschrijft, los van of de aangeleerde techniek onder echte dreiging iets oplevert.
Wat wel functioneert onder dodelijke dreiging zijn twee extremen: volledige overtuiging van slagen, of volledig loslaten van de zorg over eigen schade, zoals peritraumatische dissociatie bij militairen. Tien weken cursus levert geen van beide, alleen een voorwaardelijk vertrouwen dat als eerste instort. En iemand overtuigen dat dit vertrouwen een illusie is, lukt toch al nauwelijks: Brehm’s reactance theorie laat zien dat directe tegenspraak het zelfbeeld aanvalt en de overtuiging juist verstevigt. Vragen stellen werkt beter dan weerspreken.
Peter Koopman
De onzin van het trainen van zelfverdediging
Iemand die een cursus zelfverdediging volgt, verlaat de zaal met een overtuiging. Hij weet nu hoe hij zal reageren wanneer het erop aankomt. Die overtuiging is vrijwel altijd onterecht, en de reden waarom is interessanter dan de cursus zelf.
Mensen zijn structureel slecht in het voorspellen van hun eigen toekomstige gedrag onder omstandigheden die ze nog niet hebben meegemaakt. Gilbert en Wilson noemden dit affective forecasting, en hun bevinding is ongemakkelijk consistent: mensen overschatten hoe intens en hoe lang een toekomstige ervaring zal zijn, en ze onderschatten vooral hoe anders ze zichzelf zullen gedragen wanneer die ervaring zich voordoet. Latané en Darley lieten in hun klassieke bystander experimenten uit de jaren zestig zien dat vrijwel iedereen vooraf zeker weet dat hij zou ingrijpen bij een noodgeval, en dat een meerderheid in de praktijk niets doet zodra er meer mensen aanwezig zijn. Niet uit lafheid. Uit een sociaal mechanisme dat niemand voelt aankomen totdat hij er middenin zit. Wat voor helpen geldt, geldt harder voor vechten. Je kent je reactie op een dodelijke dreiging pas op het moment dat de dreiging dodelijk is, en op geen enkel eerder moment.
Ga terug naar de basis. Elk organisme heeft één drijvende opdracht: het eigen voortbestaan uitbreiden, leven en voortplanting. Conflict is de directe uitdrukking daarvan, de plek waar twee organismen botsen op precies datgene wat ze allebei nodig hebben. Dat is geen filosofisch uitgangspunt, dat is de reden dat een gevecht om echte inzet nooit een spel is, hoezeer een spel er ook naar streeft dat te simuleren.
En daar zit het eerste harde probleem. Elke vorm van imitatie, spel of sport draagt vanaf het begin een ingebouwde grens met zich mee, en die grens heet veiligheid. Johan Huizinga beschreef dit al in 1938 als de magic circle: spel speelt zich af binnen een expliciet gemarkeerde ruimte waarbinnen de gewone consequenties van de wereld tijdelijk zijn opgeschort. Wie in het spel verliest, verliest niets buiten het spel. Bekoff en Byers documenteerden hetzelfde mechanisme bij dieren. Wolven en honden die spelvechten, remmen hun beet systematisch af, wisselen dominante en onderdanige rol moedwillig om, en signaleren voortdurend met een play bow dat de rest níét echt is. Dat zelfremmend gedrag is geen zwakte. Het is de voorwaarde waaronder een jong dier motorische patronen kan oefenen zonder de kosten van een echt gevecht te betalen.
Precies die voorwaarde is wat een sportschool of een zelfverdedigingscursus ook moet handhaven, alleen bij mensen ligt er een commercieel argument bovenop. Wanneer deelnemers elkaar daadwerkelijk zouden bevechten, vallen er slachtoffers, en slachtoffers stoppen met betalen, klagen, of dienen een aanklacht in. De instructeur die verantwoordelijk is voor een leersituatie draagt daarom, naast zijn vakinhoudelijke taak, een aansprakelijkheid die dwingt tot precies het soort gestructureerde, voorspelbare, veilige omgeving die haaks staat op waar de cursist voor komt. Een leersituatie is overzichtelijk. Een echt gevecht is chaos. Die twee zijn niet twee punten op een schaal die je met genoeg intensiteit dichter bij elkaar kunt brengen. Het zijn twee verschillende categorieën, en de commerciële noodzaak om de eerste categorie veilig te houden garandeert dat hij nooit in de tweede overgaat.
Wat een cursus dan wel biedt, is een gevoel. Ellen Langer toonde in 1975 aan wat later de illusion of control ging heten: mensen die zelf een dobbelsteen mogen gooien, schatten hun winkans hoger in dan mensen voor wie iemand anders gooit, terwijl de kans identiek is. Techniek aanleren werkt op hetzelfde mechanisme. Een cursist die een reeks handelingen heeft geoefend, voelt zich bekwamer, ongeacht of die reeks onder echte dreiging ook maar iets oplevert. Bandura noemde dit self-efficacy, het geloof in eigen bekwaamheid, en dat geloof is voor het functioneren van een mens even belangrijk als de bekwaamheid zelf, en volledig losstaand ervan te meten. De truc die wordt aangeleerd, hoeft dus niet te werken om waardevol te zijn voor de verkoop. Hij hoeft alleen het gevoel van controle te versterken, en dat doet elke truc, functioneel of niet.
Wat dan wél functioneert onder echte, dodelijke dreiging, is niet gematigd zelfvertrouwen. Het zijn twee tegengestelde extremen. Ofwel een volledige overtuiging van slagen, ofwel een volledig loslaten van de zorg over ernstige schade. Peritraumatische dissociatie, door Marmar en collega’s uitgebreid onderzocht bij militairen en hulpverleners, beschrijft precies dat tweede: een acute afsplitsing van de eigen fysieke kwetsbaarheid op het moment dat verzet de enige optie is. Wat een cursus van tien weken oplevert, is geen van beide. Het levert een voorzichtig, voorwaardelijk vertrouwen op, precies het register dat onder echte dreiging het snelst instort omdat het nooit getest is tegen de inzet die telt.
Waarom worden jonge mensen dan zo gemakkelijk klaargestoomd voor precies dit soort inzet, in legers, in milities, in elke georganiseerde vorm van geweld? Omdat een onvolgroeid brein makkelijker te sturen is. Steinberg’s dual systems model beschrijft hoe het limbische, sensatiezoekende systeem bij adolescenten al volop actief is, terwijl de prefrontale cortex die impulsen zou moeten afremmen pas halverwege de twintig volledig is bekabeld. Een achttienjarige neemt structureel meer risico dan een vijfendertigjarige, niet uit onnozelheid, maar omdat het reguleringsapparaat er letterlijk nog niet is. De staat die jonge mannen rekruteert, gebruikt geen domheid. Hij gebruikt een tijdvenster in de neurologische ontwikkeling waarin overtuigen goedkoop is.
Er is een zwart voorbeeld dat laat zien hoe scherp deze psychologie door daders zelf werd begrepen. Bij een deel van de massa-executies tijdens de Tweede Wereldoorlog werden mannen eerst geëxecuteerd en pas daarna vrouwen en kinderen. Historici als Christopher Browning, die de uitvoeringslogistiek van dit soort eenheden in detail hebben gereconstrueerd, wijzen op de rekenkundige reden erachter: mannen in een volstrekt uitzichtloze situatie vormen het enige reële verzetsrisico, en dat risico werd weggenomen door hen als eerste te elimineren. Dit is geen anekdote over wreedheid alleen. Het is bewijs dat de organisatoren van massamoord precies wisten wat elders in dit essay wetenschappelijk wordt beschreven: wanhoop zonder perspectief kan verzet opwekken, en wie dat verzet wil voorkomen, elimineert eerst degenen bij wie de rekensom nog een kans op iets opleverde.
Wat een vergroot gevoel van zekerheid wél oplevert, komt zelden uit een aangeleerde truc. Het komt uit afstand. Een techniek moet binnen milliseconden concurreren met een reflexboog die honderdduizenden jaren oud is. Afstand doet iets anders: ze koopt tijd, en tijd is het enige dat een reflex omzet in een beslissing. Boyd’s OODA-lus, observeren, oriënteren, beslissen, handelen, staat of valt met de vraag hoeveel tijd er is om te observeren voordat gereageerd moet worden. Een instrument dat afstand schept, verlengt die lus voor de een en verkort hem voor de ander. Een aangeleerde techniek verandert aan die lus niets, ze verandert alleen wat er met de resterende milliseconden gebeurt.
De archeologie ondersteunt dit hard. Keeley liet in War Before Civilization zien dat het overgrote deel van dodelijk geweld in prehistorische samenlevingen niet uit man tegen man gevechten kwam, maar uit hinderlagen en werpwapens, precies omdat een gevecht van dichtbij voor beide partijen levensgevaarlijk is terwijl een speer of pijl vanaf afstand het risico eenzijdig maakt. De atlatl, de werpstok die reikwijdte en snelheid van een speer vergroot, is een van de oudste voorbeelden van technologie die zuiver dient om het eigen risico te verkleinen door de afstand tot de tegenstander te vergroten.
Niet elk instrument levert echter dezelfde winst. Een speer en een vuurwapen vergroten de reactionary gap drastisch. Een mes doet dat nauwelijks; de reikwijdte ervan is arm plus lemmet, hooguit een meter meer dan blote handen, en de reden dat messengevechten berucht zijn in de combattieve literatuur is precies dat iedereen die er dichtbij genoeg voor is, gesneden wordt. Een zweep zit er nog vreemder bij, historisch een dierdrijfmiddel, geen wapen dat in een direct conflict een reële afstandswinst oplevert. Bovendien is elk voordeel relatief, niet absoluut. Schelling beschreef in The Strategy of Conflict hoe reikwijdte altijd afhangt van wat de ander bij zich draagt. De speer wint van het mes, het vuurwapen wint van de speer, en afstand koopt daarmee geen veiligheid, alleen een tijdelijke asymmetrie die instort zodra de ander een instrument met meer reikwijdte heeft.
En zelfs een wapen lost maar één probleem op. Lewinski’s onderzoek bij het Force Science Research Center naar reactietijden van agenten laat zien dat het trekken, richten en raken van een doel onder acute stress evenzeer onderhevig is aan tunnelvisie, verhoogde hartslag en motorische achteruitgang als elke andere handeling. Agenten met duizenden uren schietbaanervaring missen onder echte dreiging aantoonbaar vaker dan op de training, en sommigen herinneren zich achteraf niet dat ze de trekker hebben overgehaald. Hetzelfde specificiteitsprobleem dat eerder bij empty hand technieken is beschreven, geldt onverkort voor een vuurwapen. Het instrument lost het reikwijdteprobleem op. Het competentieprobleem onder stress lost het niet op.
Wat het meest betrouwbaar blijkt te werken, kost geen wapen en geen vergunning. De Becker beschrijft in The Gift of Fear hoe getrainde waakzaamheid voor pre-incident indicators, en simpelweg positionering en afstand houden vóórdat een situatie escaleert, de grootste overlevingswinst oplevert van alle bekende interventies. Gedragsmatig, niet instrumenteel, en dus niet gebonden aan wat de wet toestaat om te dragen. In Nederland is dat geen bijzaak: vuurwapenbezit is vergunningsplichtig en vrijwel onbereikbaar voor particulieren, en een mes boven de negen centimeter is al strafbaar zonder geldige reden. De praktische conclusie is niet: koop een wapen. Ze is: leer de afstand vroeg te creëren met de voeten en de aandacht, want dat is het enige instrument dat niemand kan afpakken en waarvoor geen vergunning nodig is.
Tot slot een punt dat op het eerste gezicht niets met vechten te maken heeft, en dat toch de kern raakt. Iemand overtuigen dat zijn opvatting onjuist is, lukt vrijwel nooit met een direct tegenargument, omdat een tegenargument het gevoel van eigenwaarde van de ander aanvalt. Brehm beschreef dit in 1966 als psychological reactance: hoe directer je iemands autonomie of zelfbeeld bedreigt, hoe harder hij zich vastklemt aan precies de opvatting die je probeert weg te nemen. Een uitzondering ontstaat wanneer er een op status gebaseerde gezagsverhouding bestaat, waarbij de boodschapper autoriteit heeft die de bedreiging van het zelfbeeld compenseert. Zonder die autoriteit werkt iets anders beter: vragen stellen over de bestaande overtuiging in plaats van hem te weerspreken. Motivational interviewing, ontwikkeld door Miller en Rollnick voor verslavingszorg maar breed toepasbaar, berust precies op dit principe. De cliënt formuleert zelf de tegenspraak in zijn eigen redenering, in plaats van die aangereikt te krijgen door iemand anders. Wie een cursist wil laten inzien dat zijn getrainde zelfvertrouwen een illusie is, bereikt daarmee vrijwel niets. Wie hem vraagt te beschrijven wat er precies gebeurt als de tegenstander niet meewerkt, laat hem zelf de scheur zien.
Dat is meteen de reden waarom dit essay zelf, hoe secuur ook onderbouwd, weinig zal veranderen bij wie zijn identiteit al in een systeem heeft geïnvesteerd. Overtuiging via argument werkt hier niet. Alleen de vraag die iemand dwingt zijn eigen model tegen zichzelf te laten stoten, doet dat wel, en die vraag stelt niemand graag aan zichzelf voordat het moment daar is waarop hij toch geen keus meer heeft.
Literatuur
- Gilbert, D.T. & Wilson, T.D. (2007). Prospection: Experiencing the future. Science, 317(5843), 1351-1354.
- Latané, B. & Darley, J.M. (1970). The Unresponsive Bystander: Why Doesn’t He Help?. Appleton-Century-Crofts.
- Huizinga, J. (1938). Homo Ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Tjeenk Willink.
- Bekoff, M. & Byers, J.A. (1998). Animal Play: Evolutionary, Comparative, and Ecological Perspectives. Cambridge University Press.
- Langer, E.J. (1975). The illusion of control. Journal of Personality and Social Psychology, 32(2), 311-328.
- Bandura, A. (1997). Self-Efficacy: The Exercise of Control. Freeman.
- Marmar, C.R., Weiss, D.S., Metzler, T.J. e.a. (1994). Peritraumatic dissociation and posttraumatic stress in military personnel. American Journal of Psychiatry, 151(6), 902-907.
- Steinberg, L. (2008). A social neuroscience perspective on adolescent risk-taking. Developmental Review, 28(1), 78-106.
- Browning, C.R. (1992). Ordinary Men: Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland. HarperCollins.
- Coram, R. (2002). Boyd: The Fighter Pilot Who Changed the Art of War. Little, Brown; bron voor Boyd’s OODA-lus.
- Keeley, L.H. (1996). War Before Civilization: The Myth of the Peaceful Savage. Oxford University Press.
- Schelling, T.C. (1960). The Strategy of Conflict. Harvard University Press.
- Lewinski, W.J. (2002). Stress reactions related to lethal force encounters. Force Science Research Center.
- De Becker, G. (1997). The Gift of Fear. Little, Brown.
- Brehm, J.W. (1966). A Theory of Psychological Reactance. Academic Press.
- Miller, W.R. & Rollnick, S. (1991). Motivational Interviewing: Preparing People to Change Addictive Behavior. Guilford Press.
