De knop is er nog steeds – Eve of Destruction
Beste lezer,
McGuire nam het nummer op in twee uur, geschreven een halfuur eerder. Radiostations weigerden het, te somber voor een natie die net de Cubacrisis had overleefd. Zestig jaar later kun je de tekst naast een journaal leggen en niemand merkt de naad.
Waarom veroudert dit lied niet? Pinker zegt dat de wereld statistisch veiliger is geworden. Taleb rekent voor waarom die statistiek je niets zegt over de volgende grote klap. Petrov en Arkhipov bewezen dat het nooit beleid was dat de bom tegenhield, gewoon geluk, twee keer op rij. En Gray legt uit waarom dat zo blijft: kennis stapelt zich op, ethiek niet.
Nostalgisch begonnen, minder gezellig geëindigd.
Maak wat van je leven en wees lief voor elkaar,
Peter Koopman
Eve of Destruction (Barry McGuire; 1965)
The Eastern world, it is explodin’
Violence flarin’, bullets loadin’
You’re old enough to kill but not for votin’
You don’t believe in war, but what’s that gun you’re totin’?
And even the Jordan river has bodies floatin’
But you tell me
Over and over and over again, my friend
How you don’t believe
We’re on the eve of destruction
Don’t you understand what
I’m trying to say
Can’t you feel the fears I’m feeling today?
If the button is pushed, there’s no runnin’ away
There’ll be no one to save with the world in a grave
Take a look around you boy, it’s bound to scare you, boy
And you tell me
Over and over and over again, my friend
How you don’t believe We’re on the eve of destruction
Yeah, my blood’s so mad, feels like coagulatin’
I’m sittin’ here just contemplatin’
I can’t twist the truth, it knows no regulation
Handful of senators don’t pass legislation
And marches alone can’t bring integration
When human respect is disintegratin’
This whole crazy world is just too frustratin’
And you tell me
Over and over and over again, my friend
How you don’t believe We’re on the eve of destruction
And think of all the hate there is in Red China
Then take a look around to Selma, Alabama
Ah, you may leave here for four days in space
But when you return, it’s the same old place
The poundin’ of the drums, the pride and disgrace
You can bury your dead, but don’t leave a trace
Hate your next door neighbor but don’t forget to say grace
And you tell me Over and over and over and over again, my friend You don’t believe we’re on the eve of destruction No no, you don’t believe we’re on the eve of destruction
De knop is er nog steeds
Zomer 1965. Barry McGuire, een voormalig folkzanger met een stem als schuurpapier, neemt in twee uur tijd een nummer op dat P.F. Sloan een halfuur eerder had geschreven. Geen productiebudget, geen tweede take, een demo die per ongeluk de definitieve versie wordt. Binnen enkele weken staat het nummer op nummer een van de Billboard Hot 100. Meerdere Amerikaanse radiostations weigeren het uit te zenden. De tekst is te somber, te opruiend, te weinig geschikt voor een natie die net de Cubaanse rakettencrisis had overleefd en zich alweer klaarmaakte voor een oorlog in Vietnam die op dat moment nog een politionele actie heette.
Wie de tekst nu terugleest, ziet geen tijdscapsule maar een spiegel met een barst erin op precies dezelfde plek. Jongens oud genoeg om opgeroepen te worden en te sneuvelen, te jong om te stemmen over de oorlog die hen erheen stuurt. Lichamen die drijven in een rivier die in de Bijbel nog voor doop en verlossing stond. Een knop die niet teruggedraaid kan worden zodra hij is ingedrukt. Sloan schreef geen poëzie van de bovenste plank, de rijmschema’s zijn grof en het pathos is dik aangezet, en toch overleeft het nummer zestig jaar later iedere test op actualiteit die je erop loslaat.
Dat overleven is het eigenlijke onderwerp van dit essay, niet de nostalgie zelf. Waarom klinkt een protestsong uit 1965 niet gedateerd wanneer je hem naast een journaal van vandaag legt. Het antwoord dat zich als eerste aandient, en dat door Steven Pinker met kilo’s data wordt tegengesproken, is dat de wereld sindsdien alleen maar gevaarlijker is geworden. Dat antwoord is te makkelijk en, zoals we zullen zien, deels ook gewoon fout. Het echte antwoord zit ergens anders, in het onderscheid tussen wat er verandert en wat blijft zitten, en dat onderscheid is minder geruststellend dan Pinker’s grafieken doen vermoeden.
Pinker’s these in The Better Angels of Our Nature is bekend en robuust onderbouwd. Kans op een gewelddadige dood is over eeuwen, gemeten per hoofd van de bevolking, gestaag gedaald. Middeleeuwse moordcijfers lagen in delen van Europa tien tot vijftig keer hoger dan vandaag. Slavernij is bijna overal afgeschaft, marteling als gangbaar rechtsmiddel is verdwenen uit de meeste rechtsstelsels, oorlogen tussen grote mogendheden zijn sinds 1945 uitgebleven ondanks decennia van spanning. Pinker verklaart dat met een cirkel van empathie die zich uitbreidt naarmate handel, geletterdheid en staatsvorming toenemen, plus een groeiende rol van rede boven impuls. Het is een optimistisch verhaal, het is empirisch onderbouwd, en het klopt statistisch voor de periode die het beschrijft.
Nassim Nicholas Taleb velt in zijn kritiek op Pinker een oordeel dat harder aankomt naarmate je er langer over nadenkt. Zijn punt draait om de vorm van de verdeling waarmee je te maken hebt. Bij normale, dunstaartige verdelingen, lengte van mensen bijvoorbeeld, zegt het gemiddelde iets zinnigs over de populatie. Bij dikstaartige verdelingen, en oorlog is daar het klassieke voorbeeld van, wordt het totaal gedomineerd door een handvol extreme gebeurtenissen. Twee wereldoorlogen in een periode van dertig jaar bepalen het beeld van geweld in de twintigste eeuw meer dan honderd jaar relatieve rust ervoor en erna. Je kunt vijfhonderd jaar dalende geweldscijfers laten zien en toch, met één enkele uitschieter, morgen het hele plaatje laten kantelen. Pinker meet de frequentie van geweld. Hij meet niet goed de magnitude van het ergst denkbare scenario, en die magnitude stijgt met de techniek exact even hard als de frequentie daalt.
Precies daar wordt Sloan’s knop relevant, en niet als beeldspraak. Bertrand Russell schreef al in de jaren vijftig, samen met Einstein in het Russell Einstein Manifesto, dat de mensheid voor het eerst in haar bestaan over middelen beschikt om zichzelf volledig uit te roeien. Dat is geen retorische overdrijving geweest, het was een technisch feit zodra waterstofbommen operationeel werden, en het is nog steeds een technisch feit. Herman Kahn schreef in On Thermonuclear War, tot afschuw van velen, de koelbloedige rekenmodellen uit die aantoonden dat een nucleaire oorlog te overleven zou zijn, mits je de juiste aannames deed over hoeveel tientallen miljoenen doden acceptabel waren. Dat zulke boeken serieus werden genomen door beleidsmakers zegt meer over de mens dan welke gedragswetenschappelijke studie ook.
Wat de geschiedenis van de Koude Oorlog vooral laat zien, is hoe dun de marge tussen orde en catastrofe daadwerkelijk was, en hoe weinig dat te maken had met wijsheid. Stanislav Petrov, een Sovjet luitenantkolonel, kreeg in 1983 een waarschuwing van het satellietsysteem dat vijf Amerikaanse raketten onderweg waren. Protocol schreef voor dat hij dit moest doorgeven, wat vrijwel zeker tot een Sovjet tegenaanval had geleid. Hij deed het niet, op basis van een onderbuikgevoel dat een aanval met slechts vijf raketten onlogisch was. Het bleek een sensorfout door zonlicht op wolken. Tijdens de Cubacrisis zelf hield Vasili Arkhipov, officier op een Sovjet duikboot die dacht aangevallen te worden, als enige van drie officieren zijn veto tegen het afvuren van een nucleaire torpedo. Twee stemmen voor, een tegen, wereldgeschiedenis afhankelijk van het humeur van een enkele man op een claustrofobische onderzeeër. Dat is geen instituut dat werkte zoals ontworpen, dat is geluk, twee keer op rij.
Er is nog een derde bijna-catastrofe die minder bekend is dan Petrov en Arkhipov, en die precies laat zien hoe arbitrair de marge is. In januari 1995 lanceerde Noorwegen een onschuldige weerraket vanaf een eiland voor de kust, met vooraf keurig gemelde coördinaten aan Rusland. Die melding kwam nooit aan bij de juiste mensen in Moskou. Radaroperators zagen een traject dat leek op de aanvliegroute van een Amerikaanse Trident raket, president Boris Jeltsin kreeg de nucleaire koffer geopend voorgelegd, en volgens meerdere bronnen was hij enkele minuten verwijderd van het activeren van een tegenaanval voordat duidelijk werd dat de raket onschuldig de Noordzee in dook. Drie incidenten in dertig jaar, allemaal opgelost door een individuele beoordeling op het scherpst van de snede, niet door een systeem dat feilloos werkte zoals het ontworpen was.
Wat deze incidenten gemeen hebben, en wat Taleb’s kritiek op Pinker extra gewicht geeft, is dat ze allemaal afhingen van het toeval welke individuele mens op dat exacte moment op die exacte post zat. Petrov had een reputatie als relatief kalm officier, een ander in zijn positie had het protocol wel gevolgd. Arkhipov had, medebemanningsleden vertelden achteraf, eerder al meegemaakt hoe een nucleair incident bijna verkeerd afliep en was daardoor voorzichtiger dan zijn collega’s. Dat is geen instituut dat robuust is tegen menselijke fout, dat is een lange keten van individuele geluksmomenten die toevallig, tot nu toe, op de juiste manier uitpakten. Statistiek over dalend geweld zegt niets over hoe dicht die keten telkens langs de rand van de afgrond liep.
Jared Diamond voegt in Collapse een ander soort waarschuwing toe die minder over wapens gaat en meer over de blindheid van beschavingen voor hun eigen kwetsbaarheid. Zijn casussen, Paaseiland, de Maya, de Groenlandse Noormannen, laten telkens hetzelfde patroon zien. Een samenleving bereikt een piek van welvaart en complexiteit, negeert signalen van naderende schaarste of instabiliteit omdat de korte termijn belangen van de elite haaks staan op lange termijn overleving, en stort dan sneller in dan wie dan ook voor mogelijk hield. Diamond beschrijft hoe een langzame gewenning aan een steeds gevaarlijker uitgangssituatie ervoor zorgt dat niemand meer beseft hoe ver de norm is opgeschoven. Vertaal dat naar vandaag en je krijgt een treffend beeld van hoe acht opeenvolgende decennia zonder nucleair conflict een gevoel van normaliteit hebben geschapen dat precies het moment is waarop waakzaamheid het hardst afneemt.
Albert Camus had voor dit soort constateringen een woord dat weinig aan lading heeft ingeboet sinds hij het muntte, het absurde. Niet in de betekenis van bespottelijk, maar in de technische betekenis die hij eraan gaf in Le Mythe de Sisyphe, de botsing tussen het menselijk verlangen naar zin en samenhang enerzijds en een universum dat geen van beide garandeert anderzijds. Sisyphus rolt zijn steen eeuwig de berg op, wetend dat hij terugrolt, en Camus concludeert, tegen alle logica in, dat je hem je gelukkig moet voorstellen, omdat de enige zinvolle reactie op een absurde situatie voortzetting is, niet overgave. Dat is misschien de meest onderschatte laag in Sloan’s tekst. Hij schrijft geen oplossing, geen politiek programma, geen aansporing tot revolutie. Hij schrijft een constatering, hard en zonder opsmuk, en laat de luisteraar vervolgens alleen met de vraag wat je daarmee doet. Dat is de Sisyphus houding, verzet zonder garantie op resultaat, want de enige andere optie is berusting.
Hier wringt iets dat Pinker’s optimisme niet goed kan absorberen. Zijn statistiek meet wat er gebeurd is. Ze meet niet wat er bijna gebeurd is, en de geschiedenis van bijna gebeurde catastrofes is minstens zo dik als de geschiedenis van daadwerkelijke. Survivorship bias heet dat in de statistiek, je telt de vliegtuigen die terugkwamen en trekt daar lessen uit over waar je pantser moet aanbrengen, terwijl de vliegtuigen die neerstortten de eigenlijke informatie bevatten en niet meer beschikbaar zijn om te tellen. Toegepast op tachtig jaar nucleair tijdperk betekent dit dat de afwezigheid van een nucleaire oorlog evengoed het resultaat kan zijn van een lange reeks gelukkige toevalstreffers als van doordacht beleid. We weten het niet, en dat niet weten is zelf al een ongemakkelijke conclusie.
John Gray zet in Straw Dogs de bijl aan de wortel van het hele vooruitgangsverhaal, en zijn argument raakt precies de kern van waar dit essay naartoe wil. Gray onderscheidt kennis en ethiek als twee compleet verschillende soorten bezit. Kennis is cumulatief. Een natuurkundige van vandaag bouwt letterlijk voort op Newton, Maxwell, Einstein, hij hoeft niet zelf de zwaartekracht opnieuw te ontdekken. Techniek stapelt zich op generatie na generatie, met vrijwel geen verlies. Ethiek werkt volgens Gray totaal anders. Een kind dat vandaag geboren wordt, erft geen moreel kapitaal van voorgaande generaties. Het moet zelf, van voren af aan, leren wat wreedheid is, wat empathie kost, waarom de vreemdeling niet automatisch de vijand is. Er is geen morele evolutietheorie die garandeert dat de volgende generatie ethisch verder komt dan de vorige, er is alleen herhaling van dezelfde leerweg, met wisselend resultaat.
Dat onderscheid tussen cumulatieve techniek en niet cumulatieve ethiek is denk ik de scherpste diagnose die er bestaat voor waarom Sloan’s plaat niet veroudert. Het instrumentarium waarmee de mens zijn oudste reflexen uitvoert is in zestig jaar exponentieel gegroeid. De reflexen zelf, angst voor de vreemde stam, hebzucht, de behoefte om gelijk te krijgen ten koste van een ander, zijn in diezelfde zestig jaar geen millimeter opgeschoven. Konrad Lorenz beschreef in On Aggression al in 1963 hoe agressie tussen leden van dezelfde soort een ingebouwd, evolutionair zinvol mechanisme is, met remmingen die bij dieren met natuurlijke wapens, wolven, roofvogels, goed ontwikkeld zijn en bij de mens gevaarlijk onderontwikkeld, omdat onze wapens nooit ingebouwd waren maar altijd extern, en dus sneller evolueerden dan onze remmingen erop konden reageren. Een wolf met scherpe tanden heeft een ingebouwde rem tegen het doden van een soortgenoot die zich onderwerpt. Een mens met een kernwapen heeft die rem niet, want er is nooit tijd geweest om hem te ontwikkelen, het wapen kwam sneller dan de evolutie kan bijbenen.
Robert Sapolsky brengt in Behave de neurologische kant van hetzelfde verhaal. De amygdala reageert op een gezicht van een andere etnische groep binnen dertig tot vijftig milliseconden, ruim voordat de prefrontale cortex de kans heeft gehad om mee te denken. Dat is geen cultuurgebonden vooroordeel dat je met een cursus kunt wegtrainen, het is een reflex die miljoenen jaren geleden zinvol was toen een onbekende stam vrijwel per definitie gevaar betekende, en die reflex zit nog altijd op dezelfde plek, met dezelfde snelheid, in het brein van iedereen die vandaag naar het nieuws kijkt. Wat verandert is niet de reflex. Wat verandert is wat je ermee kunt doen zodra iemand hem weet te activeren via een telefoonscherm in plaats van via een blik over de heuvel.
Yuval Harari vat dit samen met een beeld dat inmiddels afgezaagd is doordat het te vaak wordt aangehaald, en dat desondanks precies raak blijft. Wij zijn wezens met emoties uit de savanne die apparatuur bedienen die pas gisteren, evolutionair gezien, uit de grond is gestampt. Steentijdemoties, godenwapens. Sloan had geen toegang tot dat vocabulaire in 1965, maar zijn intuïtie zat er al helemaal in. De regel over de knop die niet teruggedraaid kan worden is precies dat beeld, alleen dan met minder jargon en meer wanhoop in de stem van McGuire terwijl hij het zong.
Vergelijk nu 1965 met vandaag, niet om te concluderen dat er niets veranderd is, want dat zou zelf weer een te grove vereenvoudiging zijn, maar om te zien welke lagen precies hetzelfde bleven en welke zijn opgeschaald. In 1965 kostte het een staat, en eigenlijk alleen een handvol staten, miljarden en decennia aan onderzoek om een wapen te bouwen dat een stad kon uitwissen. Vandaag ligt een deel van diezelfde vernietigingscapaciteit binnen bereik van niet statelijke actoren via biotechnologie die twintig jaar geleden nog science fiction was. CRISPR kost een fractie van wat genoomsequencing in 2000 kostte, en de kennis om een pathogeen gevaarlijker te maken staat, in geanonimiseerde vorm, deels gewoon in wetenschappelijke tijdschriften. Je hoeft geen staat meer te zijn om iets te ontketenen dat een staat vroeger nodig had om te bouwen.
Daar bovenop komt een informatielaag die Sloan zich in 1965 niet had kunnen voorstellen, en die het probleem eerder verergert dan verzacht. Jonathan Haidt beschrijft hoe sociale media niet zomaar meningen verspreiden maar specifiek de meest verontwaardigde, tribale, angstopwekkende content bevoordelen, omdat die het beste scoort op engagement. De amygdala reflex van Sapolsky wordt niet langer af en toe geactiveerd door een toevallige ontmoeting met een vreemdeling, hij wordt honderden keren per dag actief gestimuleerd door een algoritme dat exact weet welke content de langste kijktijd oplevert. Het oude systeem kreeg misschien een paar keer per week een trigger. Het nieuwe systeem vuurt continu, geoptimaliseerd, winstgevend.
Kunstmatige intelligentie voegt een derde laag toe die nog volop in ontwikkeling is en daarom het moeilijkst te becijferen. Niet omdat het systeem zelf kwaadaardig zou zijn, dat is een ander, overwegend fictioneel probleem, maar omdat het de afstand tussen intentie en uitvoering voor een kwaadwillende mens drastisch verkleint. Waar je vroeger specialistische kennis nodig had om schade op grote schaal aan te richten, cyber, biologisch, chemisch, kan een taalmodel die drempel voor een deel wegnemen, simpelweg door uit te leggen wat eerder verborgen lag achter jaren studie. Anthropic en andere laboratoria bouwen daarom expliciet vangrails in tegen het verstrekken van zulke specifieke uplift, en terecht, want de reflex die Lorenz beschreef heeft geen enkele moeite met een sneller wapen zodra het zich aandient.
Er is een historische parallel die de fragiliteit van complexe systemen nog scherper maakt dan de nucleaire incidenten, en die precies laat zien hoe klein de trigger kan zijn in verhouding tot de omvang van de ramp. De Eerste Wereldoorlog begon met de moord op een aartshertog door een negentienjarige met een pistool, een gebeurtenis die op zichzelf volstrekt beheersbaar had moeten zijn binnen het diplomatieke stelsel van 1914. Wat volgde was een cascade van bondgenootschapsverplichtingen die niemand volledig overzag, waarbij elk land redelijke, begrijpelijke stappen zette die opgeteld tot een ramp leidden die niemand had gewild. Historici noemen dat sindsdien het July Crisis probleem, en complexiteitstheoretici als Per Bak hebben het decennia later geformaliseerd onder de noemer self organized criticality, systemen die zichzelf ophopen tot een kritieke staat waarin een triviale aanleiding een uitschieter van willekeurige omvang kan ontketenen, een zandkorrel die een lawine start terwijl duizend andere zandkorrels daarvoor spoorloos wegzakten. Niemand kan vooraf zeggen welke korrel de lawine wordt, en dat is precies het probleem met geruststellende statistiek over hoelang het al goed is gegaan.
Toch is het te makkelijk om hier te eindigen in pure doemdenkerij, en dat zou ook oneerlijk zijn tegenover de kant van het verhaal die wel klopt. Er zijn instituties bijgekomen sinds 1965 die niet bestonden en die wel degelijk iets doen. Het Non Proliferatieverdrag uit 1968 heeft, met horten en stoten, de club van kernmachten kleiner gehouden dan de meeste analisten in de jaren zestig voorspelden. Het Internationaal Atoomenergieagentschap inspecteert, met beperkte bevoegdheden maar niet met nul bevoegdheden. De doctrine van mutual assured destruction, hoe cynisch ook, heeft de afgelopen tachtig jaar gewerkt als een soort ijzeren evenwicht, precies omdat de inzet zo onvoorstelbaar hoog is dat zelfs de meest roekeloze leider tot nu toe is teruggeschrokken. Dat evenwicht is geen bewijs van morele vooruitgang zoals Pinker die bedoelt, het is eerder een staalkabel die spant onder een gewicht dat ieder jaar zwaarder wordt, en een kabel die tachtig jaar heeft gehouden is geen garantie dat hij het jaar honderdenéén ook haalt.
De vraag die overblijft, en die volgens mij de eigenlijke reden is waarom een liedje van McGuire in mijn hoofd is blijven hangen sinds mijn veertiende, is niet of de wereld gevaarlijker is geworden. Het antwoord daarop is genuanceerd, deels ja, deels nee, afhankelijk van welke as je meet. De echte vraag is waarom de mens, met alle cumulatieve kennis die Gray terecht benoemt, geen equivalente cumulatieve wijsheid heeft weten op te bouwen. Waarom elke generatie, inclusief de generatie die na 1945 zwoer dat het nooit meer zou gebeuren, opnieuw begint met dezelfde amygdala, dezelfde stamreflex, hetzelfde onvermogen om de vreemdeling niet automatisch als bedreiging te zien, terwijl het instrumentarium waarmee die reflex wordt uitgevoerd elke decennia een orde van grootte gevaarlijker wordt.
Dat brengt ons terug bij het organisme zonder bestuurder waar dit hele mailinglijst eigenlijk al maanden om cirkelt. Er is geen collectief moreel geheugen dat van generatie op generatie wordt doorgegeven zoals een formule in de natuurkunde dat wel is. Elk kind erft de volledige reflexset van de soort, onaangepast, ongefilterd, en moet vervolgens zelf, via zijn eigen ouders, zijn eigen cultuur, zijn eigen toevallige ervaringen, een narratief construeren dat die reflexen enigszins beteugelt. Bij de een lukt dat, bij de ander niet, en er is geen enkele garantie dat de optelsom van acht miljard van zulke individuele constructies dit keer, met dit wapentuig, goed uitpakt.
Wie de rest van deze mailinglijst heeft gevolgd, herkent inmiddels het patroon dat hier steeds opnieuw opduikt, in een andere gedaante maar met dezelfde structuur. Het narratief van vooruitgang, van beschaving, van morele evolutie, is een verhalende laag die het organisme achteraf over zijn gedrag legt, precies zoals het gevoel van een bewuste beslissing een verhaal is dat pas na de motorische respons wordt geproduceerd. De amygdala kent geen vooruitgang, de reflex om de vreemdeling te wantrouwen kent geen eeuw, en het enige dat daadwerkelijk cumulatief is, zoals Gray terecht stelt, is het instrumentarium waarmee die reflex zich uit. Sloan bezong in 1965 geen politiek programma en geen filosofisch systeem, hij bezong het besef dat het organisme onder de motorkap hetzelfde bleef terwijl het dashboard steeds indrukwekkender werd, en dat besef is precies waarom een demo die in een halfuur werd geschreven zestig jaar later nog steeds klopt als een bus.
McGuire had daar in 1965 geen wetenschappelijke onderbouwing voor nodig. Hij hoorde het nieuws, hij zag de rivieren met lichamen, hij voelde de discrepantie tussen een jongen die oud genoeg is om te sterven voor zijn land en te jong om erover te stemmen, en hij zong het eruit in een enkele take omdat er geen tijd was voor een tweede. Zestig jaar later is de rivier een andere rivier, de oorlog heeft een andere naam, het wapen heeft een ander formaat, en de tekst hoeft nauwelijks aangepast te worden om weer als eerste lijst te eindigen op elk station dat hem zou durven draaien.
Er is nog een generatieprobleem in Sloan’s tekst dat vandaag een merkwaardig actuele echo heeft. Een jongen oud genoeg om te sterven en te jong om te stemmen was in 1965 een letterlijk juridisch feit in de Verenigde Staten, waar de dienstplichtige leeftijd achttien was en het kiesrecht pas bij eenentwintig begon. Die paradox werd zo pijnlijk gevonden dat hij in 1971 leidde tot het zesentwintigste amendement, dat de kiesgerechtigde leeftijd verlaagde. Vandaag zit de vergelijkbare paradox ergens anders, niet in oorlogvoering maar in klimaatbeleid, staatsschuld en pensioenstelsels, beslissingen met een horizon van decennia genomen door een electoraat waarvan de gemiddelde leeftijd stijgt, over gevolgen die vooral neerslaan bij een generatie die nog niet of nauwelijks stemrecht heeft. De vorm van de onrechtvaardigheid verschuift, de structuur, besluit nemen zonder de rekening te dragen, blijft opvallend stabiel.
Toynbee schreef, in een uitspraak die vaker geparafraseerd dan letterlijk geciteerd wordt, dat beschavingen zelden sterven door moord van buitenaf maar meestal door zelfmoord van binnenuit. Zijn twaalfdelige A Study of History onderzocht tientallen beschavingen en concludeerde dat verval zelden begint bij een externe vijand, het begint bij het verlies van wat hij creatieve minderheid noemde, een leidende laag die nog in staat is nieuwe antwoorden te vinden op nieuwe uitdagingen, in plaats van oude antwoorden star te herhalen op problemen die inmiddels van vorm zijn veranderd. Sloan’s generatie kreeg als oude antwoord op een nieuwe dreiging, kernwapens toegepast op geopolitiek zoals voorheen kanonnen werden toegepast, een raamwerk dat de schaal van het probleem eenvoudigweg niet kon bevatten. Er is weinig reden om aan te nemen dat de huidige generatie, geconfronteerd met kunstmatige intelligentie en biotechnologie toegepast op raamwerken die zijn ontworpen voor een analoge wereld, daarin fundamenteel behendiger is.
De ironie die het scherpst steekt, is dat de mens inmiddels precies weet wat er moet gebeuren om deze cyclus te doorbreken, en dat weten niets uithaalt tegen de reflex die eronder blijft zitten. Iedere denker die in dit essay is langsgekomen, Russell, Pinker inbegrepen ondanks zijn optimisme, Gray, Harari, is het op een punt eens, namelijk dat instituties, verdragen en wederzijdse controle de enige remedie zijn tegen een reflexset die zichzelf niet kan opvoeden. Dat is geen nieuw inzicht, het is exact het inzicht waarop de Verenigde Naties in 1945 zijn opgericht, met het uitdrukkelijke doel om nooit meer een wereldoorlog te laten plaatsvinden. Tachtig jaar later bewijst diezelfde organisatie vooral hoe moeizaam instituties standhouden zodra de belangen van de grote spelers erin botsen met de theorie waarop ze zijn gebouwd.
Er zijn radiostations die het nummer destijds weigerden omdat het te somber was voor een natie die liever geloofde dat het allemaal goed zou komen. Die natie geloofde dat in 1965, gelooft het nu weer, en zal het over zestig jaar vermoedelijk ook geloven, met een nieuw wapen op tafel en een nieuw refrein op de radio.
Literatuurlijst
Bak, Per. How Nature Works. Copernicus, 1996.
Camus, Albert. Le Mythe de Sisyphe. Gallimard, 1942.
Diamond, Jared. Collapse. Viking, 2005.
Gray, John. Straw Dogs. Granta Books, 2002.
Harari, Yuval Noah. Homo Deus. Harvill Secker, 2016.
Kahn, Herman. On Thermonuclear War. Princeton University Press, 1960.
Lorenz, Konrad. On Aggression. Harcourt, Brace & World, 1963.
Pinker, Steven. The Better Angels of Our Nature. Viking, 2011.
Sapolsky, Robert M. Behave. Penguin Press, 2017.
Taleb, Nassim Nicholas. The Black Swan. Random House, 2007.
Toynbee, Arnold J. A Study of History. Oxford University Press, 1934-1961.
