Waarom gisteren langer duurde.

Waarom gisteren langer duurde.

Geachte lezer,

Het is een gevoel dat iedereen kent en niemand goed uitlegt: het jaar is alweer voorbij voordat je het wist. De zomers worden korter. De weken verdwijnen.

Dat is geen inbeelding. Het mechanisme achter die versnelling is neurologisch, meetbaar, en ontnuchterend eerlijk over wat er met ons geheugen gebeurt naarmate we ouder worden.

In bijgaand essay — ‘Waarom gisteren langer duurde’ — werk ik dit uit. Met dank aan Douwe Draaisma, William James en een paar decennia eigen observatie.

Met vriendelijke groet,

Peter Koopman

AfafA Gym, Zandvoort

Waarom gisteren langer duurde.png

Waarom gisteren langer duurde.

Er is een moment waarop je beseft dat het jaar alweer voorbij is. Niet omdat je het hebt zien gaan, maar omdat het verdwenen is zonder dat je het merkte. Dat moment komt vroeger naarmate je ouder wordt. Geen mysterie, maar ook geen eenvoudig mechanisme.

De populairste verklaring is die van de Groningse psycholoog Douwe Draaisma. In Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001) beschrijft hij de proportionele theorie: een jaar op je tiende is een tiende van je leven. Op je vijftigste is datzelfde jaar een vijftigste. De klok loopt gelijk, maar de verhouding krimpt. Een zomer duurt objectief even lang, maar subjectief neemt ze een steeds kleiner deel in van wat je al hebt meegemaakt.

Dat klopt, maar het verklaart niet alles.

Draaisma voegt een tweede mechanisme toe dat interessanter is: de herinneringsbult. Mensen van middelbare leeftijd herinneren zich onevenredig veel van de periode tussen hun vijftiende en vijfentwintigste jaar. Niet omdat die jaren langer duurden. Maar omdat alles nieuw was. Eerste liefde, eerste baan, eerste woning, eerste echte mislukking. Het brein sloeg die ervaringen op met een intensiteit die daarna nooit meer helemaal terugkwam. En achteraf voelt die periode daardoor dikker aan, voller, langer.

De hippocampus is de sleutelspeler. Nieuwe ervaringen activeren dit hersengebied sterker dan vertrouwde situaties. Die activatie produceert rijkere geheugensporen. En rijkere geheugensporen geven de retrospectieve indruk dat die periode meer tijd besloeg. Het brein mist een klok in de technische zin: tijdsduur is altijd een reconstructie achteraf, geen directe registratie. Dean Buonomano legt dit uit in Your Brain Is a Time Machine (2017). Wat je onthoudt, bepaalt hoe lang iets heeft geduurd. Wat je niet onthoudt, is er eenvoudig niet meer.

Ik dacht er zelf over na en kwam tot een andere insteek, die Draaisma aanvult maar niet vervangt. Naarmate je ouder wordt, heb je meer herinneringen achter je en minder leeftijd voor je, gemeten naar het statistische gemiddelde. De verhouding kantelt. Het geheugen wordt zwaarder, de toekomst kleiner. Dat heeft niet alleen een effect op hoe lang het verleden aanvoelt, maar ook op hoe je het heden ervaart. Een jaar dat voor je ligt draagt minder gewicht dan een jaar dat achter je ligt. De cognitieve horizon krimpt, en de aanwezigheid in het nu wordt dunner.

De Canadese psycholoog Steve Janssen en collega’s onderzochten precies dit: het gevoel dat de tijd versnelt hangt samen met de verwachte resterende tijd. Mensen midden in hun leven ervaren de toekomst niet alleen als korter, maar als minder reëel. De urgentie van de dag vermindert. En wat geen urgentie heeft, wordt nauwelijks opgeslagen.

William James schreef het al in 1890, in zijn Principles of Psychology: tijd voelt leeg wanneer er niets nieuws in zit. Routine is de tijdversneller bij uitstek. Elke dag die op de vorige lijkt, laat nauwelijks een spoor na. Het brein comprimeert herhaling. Een week vakantie op een onbekende plek lijkt maanden te duren, achteraf. Een week kantoor verdwijnt zonder echo.

Hier zit de paradox die de meeste mensen missen. Meer herinneringen hoeven geen rijker verleden te betekenen. Als die herinneringen op elkaar lijken, als ze uitwisselbaar zijn, dan heeft het geheugen weliswaar volume maar geen structuur. Een vol archief van identieke dagen is dunner dan een handvol buitengewone.

De remedie is niet ingewikkeld te formuleren, wel om vol te houden. Nieuwe ervaringen zoeken. Niet als levensfilosofie, maar als neurobiologisch gegeven. De hippocampus heeft input nodig. Verras hem. Ga ergens heen waar je de taal niet spreekt, eet iets wat je nooit eerder hebt gegeten, beweeg je lichaam op een manier die onwennig voelt, spreek iemand aan die je normaal zou passeren. Elke nieuwe spore die wordt aangelegd, maakt het verleden retrospectief groter. En het heden iets reëler.

Dat is, als je het zo bekijkt, geen slechte ruil.

Gebruikte bronnen

Buonomano, D. (2017). Your Brain Is a Time Machine: The Neuroscience and Physics of Time. W. W. Norton.

Draaisma, D. (2001). Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt: Over het autobiografisch geheugen. Historische Uitgeverij.

James, W. (1890). The Principles of Psychology. Henry Holt and Company.

Janssen, S.M.J., Chessa, A.G., & Murre, J.M.J. (2006). Memory for time: How people date autobiographical events. Memory & Cognition, 34(1), 138–147.

Ook interessant voor jou!