De Vlooimarkt van het Verdriet

De Vlooimarkt van het Verdriet

Een meisje van vijftien vermoordt haar beide ouders. Binnen 24 uur stromen de hulpverleners toe, worden er bijeenkomsten georganiseerd, stille tochten gelopen.

Drie maanden eerder stierf de vader van een klasgenoot aan kanker. Niemand die aanbelde.

Het verschil heeft niets te maken met de ernst van het verlies. Het heeft alles te maken met hoe goed het verhaal werkt als sociaal signaal. En met wat mensen doen bij de koffieautomaat.

Nieuw essay: De Vlooimarkt van het Verdriet.

Met groet,

Peter Koopman

De Vlooimarkt van het Verdriet

Een meisje van vijftien vermoordt haar beide ouders. Binnen 24 uur stromen de hulpverleners toe. Psychologen, maatschappelijk werkers, school-coördinatoren. Er komen bijeenkomsten, opvanglocaties, stille tochten. Iedereen heeft iets te doen, iets te zeggen, ergens te zijn.

Drie maanden eerder stierf de vader van een klasgenoot aan alvleesklierkanker. Zes weken van achteruitgang, een begrafenis, nabestaanden die het alleen uitzoeken. Geen psycholoog die aanbelde. Geen bijeenkomst op school. Een kaartje misschien, een schouderklopje bij de koffieautomaat, en daarna verder.

Het verschil in respons heeft niets te maken met de ernst van het verlies. Het heeft alles te maken met de narratieve bruikbaarheid van het verhaal.

Slachtoffer en dader in één

Wat dit geval extra interessant maakt is de samengestelde rol van het meisje. Ze is dader, maar ze is ook vijftien. De omgeving rouwt om de ouders, maar fascineert zich tegelijk voor haar. Wat heeft ze meegemaakt? Wat ging er thuis mis? Is zij ook een slachtoffer? Die vragen zijn niet onterecht, maar ze leveren ook iets op: een verhaal met meerdere lagen, meerdere perspectieven, meerdere inlooppunten voor wie er iets over wil zeggen.

Nils Christie beschreef in 1986 het concept van het ideale slachtoffer: kwetsbaar, onschuldig, bezig met een respectabele activiteit, tegenover een onmiskenbare dader. Hier schuiven die rollen door elkaar, en dat maakt het verhaal niet minder bruikbaar. Het maakt het rijker. Meer te bespreken, meer te duiden, meer posities om in te nemen. De koffieautomaat draait overuren.

Een 53-jarige die sterft aan kanker levert geen posities op. Er is geen dader, geen raadsel, geen maatschappelijke oorzaak om te benoemen. Er is alleen ziekte en dood, en daar valt sociaal gezien weinig mee te winnen.

Kinderen als narratief versterker

Er is een tweede mechanisme dat hier de moeite waard is. Een kettingbotsing op de snelweg met twee doden is een verkeersstatistiek. Dezelfde botsing waarbij een schoolbus betrokken is, wordt nationale rouw. Het verschil zit niet in het aantal slachtoffers. Het zit in de aanwezigheid van kinderen.

Paul Bloom legde in Against Empathy (2016) uit waarom: empathie is geen rationele verdeling van aandacht, maar een spotlight die zoekt naar maximale onschuld en minimale eigen schuld bij het slachtoffer. Kinderen zijn het nulpunt van die schaal. Ze hebben niets gedaan, ze konden niets doen, ze hadden er niets mee te maken. Dat activeert de sterkste empathische respons die mensen kennen, en dat signaal is sociaal bijzonder bruikbaar.

Jonathan Haidt noemde dit moral grandstanding: het publiekelijk etaleren van morele betrokkenheid, primair om de eigen positie in de groep te versterken. Kinderen in een verhaal verhogen het grandstanding-potentieel aanzienlijk. Een stille tocht voor volwassen slachtoffers van een verkeersongeval trekt honderd mensen. Zijn er kinderen bij, dan trekt het er vijfhonderd, en staan er camera’s.

Primatenbiologie bij de koffieautomaat

Frans de Waal documenteerde hoe sociale grooming bij chimpansees nauwelijks over luizen gaat. Het gaat over alliantievorming, hiërarchiebeheer en het bevestigen van je positie in de groep. Robin Dunbar trok de lijn door in Grooming, Gossip and the Evolution of Language (1996): taal ontstond omdat we met te veel groepsgenoten tegelijk moesten vlooien om het fysiek bij te houden. Gedeelde emoties en gedeelde verontwaardiging zijn sociale grooming op schaal.

Een vermoord gezin met een meisje van vijftien als dader levert weken vlooimateriaal. Kanker levert een ongemakkelijk moment en daarna stilte, want niemand weet wat hij moet zeggen en de stilte kost sociaal kapitaal. De koffieautomaat is de boom. De tragedie is de vlo.

De sector die ervan leeft

Er is een sector ontstaan die leeft van traumatische gebeurtenissen met hoog symbolisch kapitaal. Jeffrey Alexander beschreef in Cultural Trauma and Collective Identity (2004) hoe trauma’s sociaal geconstrueerd worden: niet elke ramp wordt een cultureel trauma. Alleen de rampen die door media, politiek en professionals worden opgepikt en versterkt krijgen die status.

De hulpverlener die toestroomt is ook iemand die gezien wil worden als iemand die toestroomt. De school die een collectieve opvangbijeenkomst organiseert beschermt zichzelf minstens evenzeer als de leerlingen. Het signaal naar buiten is: wij handelen. Dat de literatuur rond psychological debriefing, zie Wessely en collega’s in The Cochrane Database (2000), suggereert dat brede groepsopvang direct na trauma bij een deel van de deelnemers klachten uitlokt die er anders niet waren geweest, is informatie die weinig schooldirecteuren bereikt. Of bereiken willen.

Dat is geen kwade opzet. Het is een prikkelstructuur. Zichtbaar medeleven bij hoog-symbolische tragedies wordt beloond met status, erkenning en soms werkgelegenheid. Onzichtbare aanwezigheid bij de gewone dood wordt genegeerd. De markt reageert rationeel.

Wat het verlies zelf betreft

Colin Murray Parkes liet in Bereavement (1972) zien dat de subjectieve rouwintensiteit nauwelijks verschilt tussen soorten verlies. De broer van de vermoorde vader rouwt verwoestend. De kinderen van de 53-jarige die aan kanker stierf rouwen even verwoestend. Het verschil zit niet in het verdriet. Het zit in wat de omgeving doet.

De nabestaanden van het meisje en haar ouders krijgen weken aandacht, aanwezigheid en gedeelde rouw. De nabestaanden van de kankerpatiënt krijgen een hand en een kaart, daarna de stilte die er altijd op volgt als niemand meer weet wat hij moet zeggen.

Maanden later, als de camera’s weg zijn, zijn er altijd mensen die nog langsgaan. Die bellen. Die niet vergeten dat er iemand ontbreekt. Die mensen doen niets zichtbaars en vlooien niet. Ze zorgen. En omdat zorgen niets oplevert aan de koffieautomaat, zijn ze onzichtbaar.

De rouwindustrie draait op prikkels, niet op kwade wil. Het resultaat is een systematisch scheve verdeling van menselijke aandacht die niets te maken heeft met de ernst van het verlies en alles met hoe goed het verhaal werkt als sociaal signaal.

Dat is geen beschuldiging. Het is een diagnose.

Literatuur

Alexander, J.C. et al. (2004). Cultural Trauma and Collective Identity. University of California Press.

Bloom, P. (2016). Against Empathy: The Case for Rational Compassion. Ecco.

Christie, N. (1986). The Ideal Victim. In E.A. Fattah (red.), From Crime Policy to Victim Policy. Macmillan.

De Waal, F. (1982). Chimpanzee Politics. Johns Hopkins University Press.

Dunbar, R. (1996). Grooming, Gossip and the Evolution of Language. Harvard University Press.

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind. Pantheon Books.

Parkes, C.M. (1972). Bereavement: Studies of Grief in Adult Life. Tavistock Publications.

Wessely, S. et al. (2000). Psychological debriefing for preventing post traumatic stress disorder (PTSD). The Cochrane Database of Systematic Reviews.

Ook interessant voor jou!