Beste lezer,
Het EK is begonnen. De vlaggen hangen uit. Mensen betalen negentig euro voor een shirt van iemand die hen niet kent en volgend seizoen ergens anders speelt.
Ik heb er een essay over geschreven.
Niet omdat ik verwacht dat het iets verandert. Wel omdat het gezegd moet worden, en omdat de beelden van die vrolijk zwaaiende jongens in de treinen van augustus 1914 mij al een tijdje niet loslaten.
Het essay heet ‘Achter een bal aanrennen is voor honden’. Het gaat over sport als statusvertoon, collectieve verdwazing als evolutionair mechanisme, en de gezondheidsrechtvaardiger die de overheid er decennia later bij verzon. Met Veblen, Canetti, Ehrenreich en Trivers als getuigen.
Peter Koopman
AfafA Gym, Zandvoort
Achter een bal aanrennen is voor honden
Over sport, status en de kunst van zinloze bezigheid
Er rijdt een bus vol volwassen mensen door de stad. Ze dragen shirts met namen erop van mannen die hen niet kennen. Ze schreeuwen. Ze zijn gelukkig. Buiten waait de vlag van een land dat ze zelf nooit hebben bestuurd, van een club die hun geld neemt zonder er iets voor terug te geven, voor een speler die volgend seizoen ergens anders speelt.
Dit heet volksfeest.
Hoe het begon, en waarom dat ertoe doet
Sport is niet uitgevonden door mensen die behoefte hadden aan beweging. Het werd uitgevonden door mensen die te veel tijd hadden. De Griekse Olympische Spelen waren een aristocratisch vertoon, geen volkssport. Alleen vrije mannen met geld en niets te doen konden trainen, reizen en meedoen. Het Olympische ideaal was een statusdemonstratie, geen lichamelijke opvoeding.
Pierre de Coubertin, de man die de moderne Spelen in 1896 heroprichtte, was een Franse baron. Hij was expliciet tegen vrouwensport. Het ideaal dat hij verkondigde, de gezonde geest in het gezonde lichaam, was Juvenalis, maar de toepassing ervan was zijn eigen PR-project voor de beschaafde bovenlaag.
Veblen beschreef het in 1899 al in zijn analyse van de leisure class: tijdverspilling als statussignaal. Golf is het schoolvoorbeeld. Een activiteit ontworpen om zo onproductief mogelijk te zijn, op land dat anders voedsel zou kunnen produceren, met gereedschap dat een fortuin kost. Mensen met een stokje een balletje in een gaatje slaan, en dan ook nog gaan kijken naar andere mensen die dit doen.
Dat is geen sport. Dat is een demonstratie van beschikbare uren.
De trein naar de loopgraaf
Er zijn beelden uit augustus 1914 van jonge mannen die vrolijk in treinen stappen. Ze zwaaien. Ze zingen. Ze gaan dood, maar dat weten ze nog niet, of het interesseert ze niet, wat op hetzelfde neerkomt.
Het mechanisme is identiek aan wat er gebeurt als Oranje de halve finale haalt. Ehrenreich beschreef het in haar studie naar collectieve extase: gesynchroniseerde beweging en gedeelde emotie produceren een fysiologisch effect dat groepen mobiliseert voor gezamenlijke actie. Het werkt voor feesten. Het werkt voor oorlogen. Het brein maakt geen onderscheid.
Canetti formuleerde het scherper in Masse und Macht: de massa lost de individuele angst op. Je verdwijnt erin. Geen verantwoordelijkheid, geen identiteit, geen confrontatie met de vraag wat je nu eigenlijk met je leven doet. Gewoon meebewegen met veertig miljoen mensen die je nooit hebt ontmoet, verenigd door elf mannen die een bal achternarennen.
Honden doen dat ook. Honden vinden het ook fijn.
Het shirt en de leugen
Een shirt kopen van een club kost tegenwoordig negentig euro. Soms meer. Op het shirt staat een naam. Die naam is van iemand die volgend seizoen bij een andere club speelt, voor meer geld, in een andere stad, en jou niet kent.
Trivers beschreef reciprocaal altruisme als de basis van sociale cohesie. Het werkt als er iets wordt teruggegeven. Het shirt geeft niets terug. De speler geeft niets terug. De club geeft niets terug, behalve de mogelijkheid om je te identificeren met iets wat groter lijkt dan jijzelf, wat technisch gezien geen identificatie is maar een illusie daarvan, verkocht voor negentig euro plus verzendkosten.
Kahneman zou zeggen dat de beschikbaarheid van een goed verhaal de vraag naar bewijs onderdrukt. “Wij zijn kampioen” klinkt als iets wat jou betreft. Jij was er niet bij. Jij hebt er niets aan bijgedragen. Jij hebt betaald om erbij te mogen horen.
De gezondheidsrechtvaardiger
Ergens in de jaren tachtig begon de overheid sport te framen als volksgezondheidsbeleid. Niet omdat mensen gezonder werden van kijken naar voetbal, maar omdat overgewicht zichtbaar werd in begrotingen. Verlies aan arbeidsvermogen. Zorgkosten. De redenering was transparant: beweeg meer, kost ons minder.
Maar de subsidie ging naar georganiseerde sport, clubs, wedstrijden, tribunes. Wandelen naar je werk leverde niets op voor sponsors. Traplopen had geen publiek. De gezondheidswinst van recreatiesport is overigens bescheiden en te halen met een halfuur lopen per dag. Blessurekosten van voetbal, hardlopen en fietsen zijn aanzienlijk.
Het gezondheidsargument is naderhand gefabriceerde legitimatie voor iets wat al bestond. Rationalisatie na het feit, precies zoals Trivers beschreef: eerst het gedrag, dan de verklaring die het sociaal acceptabel maakt.
Wat er overblijft
Er is een oude man in jouw straat die in drie jaar niemand heeft gesproken. Er is een dakloze die werkt maar geen woning kan betalen. Er is een kind dat hulp nodig heeft bij rekenen.
Die mensen hebben geen marketing. Ze hebben geen commentatoren, geen publiek van veertig miljoen, geen shirt met hun naam erop. Ze geven geen dopaminepuls. Ze produceren geen gevoel van groepslidmaatschap.
Ze hebben gewoon iemand nodig.
Maar de bus rijdt de andere kant op.
Gebruikte bronnen:
Thorstein Veblen, The Theory of the Leisure Class (1899).
Barbara Ehrenreich, Dancing in the Streets (2007).
Elias Canetti, Masse und Macht (1960).
Robert Trivers, The Evolution of Reciprocal Altruism (1971).
Daniel Kahneman, Thinking, Fast and Slow (2011).
