Vegeteren tussen één en twee – Over de stofwisseling van het denken

Vegeteren tussen één en twee - Over de stofwisseling van het denken

Het tweede essay. De stofwisseling onder gisteren.

Beste lezer,

Gisteren een essay over wat het organisme ’s nachts doet wanneer de filter even scheurt. Vandaag het tweede stuk, dat onder diezelfde diagnose de biologische motor laat zien.

Het heet Vegeteren tussen één en twee. Over de stofwisseling van het denken en gaat uit van een eenvoudige analogie. Zoals het lichaam grotendeels op vet draait en koolhydraten alleen voor de piekmomenten gebruikt, zo draait het denken grotendeels op systeem 1 (snel, automatisch, goedkoop) en wordt systeem 2 (langzaam, bewust, duur) alleen aangesproken wanneer het echt nodig is. Wij denken in een fractie van onze tijd. De rest van de tijd doen we alsof, en we doen alsof zo overtuigend dat we het zelf geloven.

Het essay werkt deze positie uit via Kahneman, Haidt, Nørretranders en Metzinger. Het sluit met de observatie dat het ik niet de bestuurder is die het denkt te zijn, maar een gebruikersinterface op een biologisch systeem dat onder de motorkap zijn eigen werk doet. Niet om vandaaruit op te roepen tot uittreding (dat kan niet en zou ook niet helpen), maar om in elk geval te weten wat je hebt.

Wie het Pinkstereassay van gisteren niet heeft gelezen, kan dit stuk zonder problemen los lezen. Wie beide leest, krijgt dezelfde diagnose vanuit twee ingangen: gisteren cultuurfilosofisch, vandaag fysiologisch.

Vegeteren tussen één en twee

Over de stofwisseling van het denken

Peter Koopman

AfafA

De motor en de turbo

 

Het menselijk lichaam draait grotendeels op vet. Negen kilocalorieën per gram, opgeslagen in voorraden die weken meegaan. Een gezonde volwassene heeft genoeg vet aan boord om zonder voedsel een paar maanden door te komen. De stofwisseling werkt grotendeels op betrouwbare, trage, ruime brandstof. Koolhydraten zijn de piekbrandstof. Snelle inzet, korte duur, hoge prijs in reserves. Glycogeenvoorraden zijn in een paar uur op.

Het brein heeft glucose nodig, maar zelfs het brein kan via ketonen grotendeels op vet draaien wanneer de glucose tekortschiet. De homeostase werkt zo: vet is de basis, koolhydraat is de piek. Wie het omdraait, wie van piek naar piek leeft, raakt zijn reserves kwijt en zijn regulering kwijt. Het systeem werkt omdat het zelden voluit moet.

Daniel Kahneman heeft in 2011 in Thinking, Fast and Slow twee modi van het menselijk denken beschreven. Systeem 1 is snel, automatisch, intuïtief, parallel, weinig vermoeiend, altijd aan. Systeem 2 is langzaam, deliberatief, serieel, zeer vermoeiend, alleen aan wanneer het echt nodig is. De analogie dringt zich op. Systeem 1 is vet. Systeem 2 is koolhydraat. De motor draait op vet. De turbo levert het verhaal.

De motor draait op vet. De turbo levert het verhaal.

Wat het zegt over hoe we werkelijk denken

Kahneman wordt vaak verkeerd gelezen. De gangbare interpretatie is dat systeem 2 het echte denken is, het volwassen denken, het denken waar we naar moeten streven, en dat systeem 1 een bron van fouten is die met inspanning moet worden overruled. Deze lezing past goed in een cultuur die de ratio als kroon op de schepping wil zien. Het is helaas niet wat de biologie laat zien.

De biologie laat zien dat systeem 2 zelden volledig draait. Het is metabolisch duur. De prefrontale cortex verbruikt veruit het meest aan glucose per gram weefsel van alle hersengebieden. Wie een hele dag bewust beslissingen heeft moeten nemen, kan ’s avonds geen koelkast meer openen zonder dat er chocola wordt gegrepen. Dat is geen falen van karakter. Dat is een uitgeput systeem dat naar zijn basis terugvalt.

Roy Baumeister noemde dit ego depletion. Het onderzoek heeft de afgelopen jaren methodologische tegenslag gehad, vooral in de replicatieliteratuur, maar het kernidee dat zelfcontrole en deliberatie een metabole prijs hebben, staat overeind. Glucose-experimenten van Gailliot en collega’s lieten zien dat zelfcontroletaken het bloedsuikergehalte verlagen en dat suikertoediening de prestatie herstelt. De effectgrootte is omstreden. Het mechanisme niet.

De consequentie is ingrijpend. Systeem 2 wordt in het dagelijks leven nauwelijks aangesproken. Wat we ons rationele leven noemen, is in het overgrote deel van de gevallen systeem 1 dat met een rationaliserende laag van systeem 2 wordt overschilderd. We doen wat we al gingen doen, en daarna leveren we de reden. We oordelen eerst en argumenteren daarna. Het lijkt redeneren, maar het is rationaliseren. Het kost weinig glucose en het werkt prima om het gedrag te legitimeren waar het toch al naartoe ging.

De advocaat en de rechter

Jonathan Haidt heeft dit in 2012 in The Righteous Mind empirisch onderbouwd. Mensen oordelen eerst, op basis van een snelle intuïtieve reactie, en redeneren daarna. De redenering is een advocaat, geen rechter. De rechter zit in een laag waar het bewustzijn geen toegang toe heeft. Hij heeft het vonnis al geveld voordat het ik denkt dat het nadenkt. De advocaat krijgt de opdracht het vonnis te verdedigen, niet om opnieuw te onderzoeken.

Dit is geen pessimistisch geluid. Het is gewoon hoe het werkt. Het zou metabolisch onhoudbaar zijn als het anders werkte. Stel je voor dat iedere alledaagse beslissing volledig door systeem 2 zou worden gedragen. We zouden niet door een drukke straat kunnen lopen zonder uitputting. We zouden niet kunnen autorijden, niet kunnen praten, niet kunnen koken. Het organisme heeft geleerd dat de meeste dingen niet bewust hoeven, en het bezuinigt waar het kan. Dat is geen falen. Dat is een werkende stofwisseling.

Wat het wel betekent is dat de zelfvoorstelling van de moderne mens onjuist is. Wij denken dat we redeneren, beslissen, kiezen. We doen het in de eerste plaats automatisch en leveren achteraf de uitleg. De uitleg is bovendien zo overtuigend dat de mens die hem levert er zelf in gelooft. Hij weet niet dat zijn rechter al klaar was voordat zijn advocaat begon. Hij hoort alleen de advocaat. Hij houdt de pleitnota voor het vonnis.

We redeneren niet om te oordelen. We oordelen en zoeken er een redenering bij.

De gebruikersinterface

Tor Nørretranders heeft in 1991 in The User Illusion (Nederlands vertaald als Het schaak van Newton) berekend hoeveel informatie het menselijk zenuwstelsel verwerkt en hoeveel daarvan het bewustzijn bereikt. De cijfers verschillen per schatting, maar de orde van grootte is helder. Het zenuwstelsel verwerkt elf miljoen bits per seconde. Het bewustzijn werkt op enkele tientallen bits per seconde. De verhouding is iets in de orde van één op de miljoen.

Dat betekent dat wat we ervaren als ons leven, een minuscule samenvatting is van wat onder de motorkap gebeurt. Het ik is geen waarnemer van de werkelijkheid. Het is een hoogst geredigeerde samenvatting van een fractie van de invoer, geserveerd in een format dat ons in staat stelt te functioneren. Nørretranders noemt het een gebruikersinterface. Het is een metafoor uit de computertechnologie, maar ze klopt bijna pijnlijk goed. Wij gebruiken onszelf via een interface die ons de illusie geeft dat we toegang hebben tot wat onder die interface ligt.

Dit raakt aan wat Thomas Metzinger het phenomenal self-model heeft genoemd. Het ik is geen ding. Het is een representatie, een model dat het organisme van zichzelf maakt, en de truc van het model is dat het zichzelf niet als model presenteert. Het presenteert zichzelf als de werkelijkheid. Anders zou de truc niet werken. Wie zou aanmonsteren op het schip als hij zag dat het schip uit papier is gevouwen?

Voor het thema van dit essay is dit doorslaggevend. Systeem 1 is niet alleen de motor. Het is ook de plek waar de gebruikersinterface wordt gegenereerd. Wat het ik ervaart als zijn directe, intuïtieve, automatische reactie, is in feite het eindproduct van enorm veel onbewust werk waar het ik geen weet van heeft. De ervaring is reëel. De toeschrijving van auteurschap is een hardnekkige fictie.

Wanneer de filter scheurt

In de gewone toestand is dit alles onzichtbaar. Het organisme draait, de interface produceert het ik, het ik gelooft zijn eigen verhalen, het systeem werkt. Maar af en toe scheurt de filter. Dat zijn de momenten waarop het organisme zichzelf even tegenkomt zonder de gebruikelijke bemiddeling.

Pijn is zo’n moment. Echte pijn, niet het abstracte idee van pijn maar de fysieke ervaring, schakelt de rationaliserende laag uit. Wie kiespijn heeft, kan niet meer doen alsof er een rationele bestuurder aan het roer staat. Het lichaam dicteert. Hetzelfde geldt voor acute angst, voor een gevecht waarin reactietijd het verschil maakt, voor sport op het scherp van de snede, voor seks op een bepaald moment, voor het inslaan van een doodsbericht.

Wie ooit een serieuze fysieke confrontatie heeft meegemaakt, in een ring of daarbuiten, weet dat het denken in milliseconden afslaat. Het lichaam doet wat het geleerd heeft. Achteraf komt de verteller terug en schrijft het script. Hij was niet vechtend, hij stond ernaast. Hij begrijpt nu pas wat er gebeurd is, en zelfs dat begrijpen is een rationaliserende reconstructie. De ervaring zelf had geen bestuurder.

Mensen die in dit soort situaties hebben verkeerd, hebben een aparte relatie met hun eigen denken. Ze weten dat de gebruikersinterface een interface is. Ze hebben gezien wat eronder ligt. Ze hebben geen verlichting bereikt, geen wijsheid verworven, ze hebben alleen iets gezien dat de meeste mensen nooit zien. En ze hebben moeite om uit te leggen wat ze zagen, want de taal die ze tot hun beschikking hebben is precies de taal van de interface. De interface kan zichzelf niet beschrijven zonder zichzelf op te roepen.

Dit is niet hetzelfde als authenticiteit, en dat is een belangrijk onderscheid. Het is geen ontmoeting met je ware zelf. Er is geen waar zelf onder de interface, alleen een groot biologisch systeem dat constant onderhoud doet aan zichzelf. Wat de scheuren in de filter laten zien is niet wat je echt bent. Wat ze laten zien is dat de gewone toestand niet is wat ze lijkt.

De gewone toestand is niet de basistoestand.

Wat dit betekent voor het dagelijks bestaan

Een essay over de stofwisseling van het denken kan eindigen met grote woorden over bewustwording, over uit het systeem stappen, over leven in directe ervaring. Dat zijn loze beloften. Het systeem werkt niet zo dat je eruit kunt stappen. Wie pretendeert te leven in directe ervaring, doet hooguit alsof, en wat hij doet is de oude interface vervangen door een nieuwe die zichzelf authentieker noemt. Het effect blijft hetzelfde.

Wat wel iets oplevert is bescheidener. Het is het besef dat je leeft in een interface die niet jij bent maar die je toch nodig hebt. Het is de mogelijkheid om met enige scepsis naar je eigen redeneringen te kijken, omdat je weet dat ze in negen van de tien gevallen pleitnota’s zijn voor vonnissen die al gevallen waren. Het is de bereidheid om af en toe te aanvaarden dat je niet weet waarom je doet wat je doet, en dat de uitleg die je voor jezelf paraat hebt waarschijnlijk een verzinsel is.

Wie dit accepteert, wordt niet wijzer. Hij wordt hooguit minder bedrogen door zijn eigen verteller. Dat is geen verlichting. Het is hooguit een lichter gewicht. De interface blijft draaien, het ik blijft praten, het organisme blijft systeem 1 als motor en systeem 2 als incidentele turbo gebruiken. Het verschil is dat de drager weet wat hij heeft, in plaats van te denken dat hij wat hij heeft van zichzelf is.

Vegeteren tussen één en twee is niet een diagnose van decadentie. Het is een beschrijving van hoe een biologisch optimaal systeem werkt. De vraag is niet of je het anders moet doen. De vraag is of je het weet, en wat dat weten met je doet.

Vegeteren tussen één en twee. En af en toe doorzien dat het zo werkt.

Literatuur

Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Muraven, M., & Tice, D. M. (1998). Ego depletion: Is the active self a limited resource? Journal of Personality and Social Psychology, 74(5), 1252–1265.

Gailliot, M. T., Baumeister, R. F., DeWall, C. N., Maner, J. K., Plant, E. A., Tice, D. M., Brewer, L. E., & Schmeichel, B. J. (2007). Self-control relies on glucose as a limited energy source. Journal of Personality and Social Psychology, 92(2), 325–336.

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. New York: Pantheon.

Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. New York: Farrar, Straus and Giroux.

Metzinger, T. (2003). Being No One: The Self-Model Theory of Subjectivity. Cambridge, MA: MIT Press.

Nørretranders, T. (1998). The User Illusion: Cutting Consciousness Down to Size. New York: Viking. (Oorspronkelijk Mærk verden, 1991.)

Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. New York: Penguin Press.

Ook interessant voor jou!