Een pinksteressay, en morgen het vervolg
Beste lezer,
Pinksteren is van origine het feest van de geest die in mensen vaart en hen doet spreken in talen die ze zelf niet beheersen. Het is een mooie scène, en hij vindt nog steeds plaats. Alleen vaart er geen geest meer in. Het komt vanbinnen.
Bijgaand een essay over wat dat betekent. Het heet De openbaring en de terugkeer via de achterdeur en opent met twee scènes naast elkaar. De apostelen in Jeruzalem, ongeveer dertig na Christus, die overvallen worden door wat zij voor de Heilige Geest houden. En een slaapkamer in Zandvoort, half drie ’s nachts, waarin zich een gedachte aandient die zo pregnant is dat ze de slaap breekt en de drager tegen zijn eigen wil uit bed dwingt om haar op te schrijven.
Dezelfde scène, twee millennia uit elkaar, andere interpretatie. Het essay gaat over wat er werkelijk gebeurt, over de vier moderne namen voor wat vroeger god heette (inspiratie, intuïtie, hoger zelf, universum), over de gedomesticeerde werkelijkheid waarin we leven, en over de positie waarin we niet meer in goden geloven maar wel in geloven zelf zijn gaan geloven.
Dit is het pinksterstuk in een tweeluik. Het tweede essay, met de fysiologische onderbouwing onder dezelfde diagnose, volgt morgen. Wie alleen vandaag tijd heeft, kan dit als zelfstandig stuk lezen.
Reacties welkom, weerwoord ook.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
De openbaring en de
terugkeer via de achterdeur
Tweeduizend jaar, dezelfde scène
Volgens Handelingen 2 zaten de apostelen na de dood van hun leermeester bij elkaar in een huis in Jeruzalem. Het was vijftig dagen na Pasen, het joodse oogstfeest. Plotseling klonk er een geluid alsof er een hevige wind opstak, en tongen als van vuur verdeelden zich over hun hoofden. Ze begonnen te spreken in vreemde talen. Mensen die toevallig voorbijliepen verbaasden zich, sommigen meenden dat de apostelen dronken waren op het vroege uur. Petrus stond op en legde de menigte uit wat er was gebeurd. Een geest was neergedaald. Wat ze hoorden was geen waan maar openbaring.
Het is half drie ’s nachts in Zandvoort. Er nestelt zich een gewaarwording in mijn hoofd. Ze vertaalt zich in een woord, en dan in een zin, en dan in een verband. Ze is zo pregnant dat ik tegen mijn eigen wens om in bed te blijven liggen toch opsta en de pen pak. Ik schrijf op wat zich aandient. Ik weet niet waar het vandaan komt. Ik weet alleen dat het komt, dat het sterker is dan de slaap, en dat ik het kwijt zal zijn als ik niet opsta.
Wat twee millennia geleden in Jeruzalem voor goddelijk werd gehouden, gebeurt in 2026 in een slaapkamer aan de Noordzee. Dezelfde scène, andere interpretatie. Een mens wordt overvallen door iets dat groter lijkt dan hijzelf en moet spreken. Daartussen ligt de afstand tussen god en neurofysiologie. Maar het organisme dat het overkomt, weet die afstand niet te overbruggen op het moment zelf. Het ervaart alleen dat er iets gebeurt waar de gewone bestuurder geen vat op heeft.
De geest die ons overvalt zijn we zelf. Dat is nooit een geruststellend antwoord geweest.
Wat er werkelijk gebeurt
De fysiologie is niet mysterieus. Tijdens de tweede helft van de nacht, vooral tijdens de overgangen tussen REM en lichtere slaap, draait een netwerk in de hersenen op vol vermogen dat overdag op de achtergrond blijft. Het heet het default mode network. Het verbindt herinneringen, integreert ervaringen, legt associaties die het waakbewustzijn niet legt omdat het waakbewustzijn andere dingen te doen heeft.
Tegelijkertijd is de dorsolaterale prefrontale cortex, de zone die overdag dienstdoet als censor en redactie, half offline. Wat overdag wordt weggefilterd omdat het niet past in de lopende bezigheid, krijgt nu ruimte. Het organisme doet onderhoud. Het sorteert, het verbindt, het zet dingen op een rij die overdag niet bij elkaar pasten.
Soms is een verband zo onverwacht of zo dringend dat het de slaapdrempel doorbreekt. Het bewustzijn komt erbij staan en wordt geconfronteerd met een al gevormde gedachte. Het ik denkt dat het deze gedachte heeft, terwijl hij er hoogstens bij is gaan staan toen ze klaar was. De pen die wordt gepakt is geen besluit. Het is een drukverschil.
Dit is wat de apostelen overkwam, alleen hadden zij geen woorden voor netwerken in de hersenstam. Ze hadden Jahweh, en die was beschikbaar. Wij hebben Jahweh niet meer beschikbaar, maar het fenomeen is gebleven. En daarmee de vraag wat je ermee aanmoet.
Vier nieuwe namen voor hetzelfde
De moderne mens die deze ervaring krijgt heeft een keuzemenu aan interpretaties. De eerste is inspiratie. Een neutraal woord dat herinnert aan het Latijnse inspirare, inblazen, met een onuitgesproken vraag wie precies inblies. De tweede is intuïtie. Klinkt rationeler maar zegt evenmin iets over de oorsprong. De derde is het hoger zelf, een formulering die populair is in spirituele kringen en die suggereert dat er een wijzere versie van de persoon ergens beschikbaar is. De vierde is het universum, een lege variabele die alles kan inhouden zolang het maar geen god heet.
Alle vier zijn nieuwe namen voor hetzelfde proces. Alle vier verlenen ze aan het ik een rol die het niet heeft, namelijk die van ontvanger van iets dat van elders komt. Alle vier voorkomen ze dat de spreker hoeft te erkennen dat het zijn eigen organisme is dat dit produceert, in een laag waar hij geen toegang toe heeft op de manier waarop hij toegang denkt te hebben tot zijn eigen denken.
Want dat is de eigenlijke verlegenheid. Wie zegt dat hij de gedachte zelf heeft gehad, claimt iets dat hij niet kan waarmaken. Hij heeft geen weet van waar de gedachte ontstond, waarom ze nu kwam en niet drie weken geleden, waarom in deze formulering en niet in een andere. Hij heeft alleen het resultaat. En het resultaat voelt eigen, dus claimt hij het. Maar de claim is een rationalisering achteraf. De gedachte was er voor het ik aankwam.
Daarom werken de oudere interpretaties zo goed. Geest, godheid, muze, openbaring. Ze geven het ik tenminste een eerlijke positie. Het is de ontvanger, niet de auteur. Wat er aan onwaarheid in zit, is metafysisch. Wat er aan waarheid in zit, is psychologisch. De moderne taal heeft het omgekeerd. De metafysica is opgeruimd, maar de psychologie van het auteurschap wordt nu nog hardnekkiger volgehouden dan ooit. Wij zijn niet bescheidener geworden. We hebben alleen de figuur naast ons weggepoetst en zijn alleen overgebleven.
De openbaring is gebleven. Alleen de god die haar leverde is opgeruimd.
De gedomesticeerde werkelijkheid
Hier moet het essay een bredere stap zetten, want wat ’s nachts gebeurt is geen geïsoleerd verschijnsel. Het is een symptoom van een veel grotere structuur. We leven met zijn allen in een laag die we hebben gebouwd en die we als natuur ervaren. Geld, recht, staat, gezondheid, religie, onderwijs, het ik. Dit zijn geen objecten in de wereld. Het zijn afspraken die werken zolang voldoende mensen ernaar handelen alsof ze werken.
John Searle heeft hier in 1995 een nuttig onderscheid voor geleverd. Brute facts zijn dingen die er zijn ongeacht wat iemand denkt. Een steen, een rivier, de zwaartekracht. Institutional facts zijn dingen die er alleen zijn omdat een groep mensen ze samen overeenkomt. Geld, eigendom, huwelijk, naties, bedrijven. Een briefje van twintig euro is fysisch papier en inkt. Dat het twintig euro vertegenwoordigt is een afspraak. Verdwijnt de afspraak, dan is het papier.
Het lijkt een academisch onderscheid, maar het is een levensgrote. Het hele bouwwerk waarin wij ons dagelijks bewegen, bestaat uit institutional facts die door generaties heen zijn gestold tot iets wat als natuur voelt. Belasting voelt als zwaartekracht. Een nationale grens voelt als een rivier. Je rekeningnummer voelt als een eigenschap van jezelf. Geen van deze dingen is wat het voelt te zijn. Allemaal zijn ze collectieve gedragsafspraken die werken omdat we ons gedragen alsof ze werken.
Yuval Harari heeft hetzelfde verschijnsel voor een breed publiek herverpakt als gedeelde fictie. Volgens hem onderscheidt onze soort zich van andere niet door intelligentie of taal, maar door het vermogen om grote aantallen mensen te laten samenwerken op basis van gedeeld geloof in iets dat nergens fysiek bestaat. Tienduizend Neanderthalers konden niet onder één vlag oorlog voeren, omdat ze geen gedeelde fictie hadden om zich onder te scharen. Tienduizend Romeinen konden dat wel. Dat is het wapen van de soort. Niet de duim, niet de spraak. De fictie.
De prijs is dat de fictie zichzelf gaat vergeten. Een verhaal dat generaties lang werkt, voelt op den duur niet meer als verhaal. Het voelt als hoe het is. Op dat moment is de fictie de werkelijkheid geworden voor wie erin leeft, en is hij niet meer bijstuurbaar zonder dat het hele bouwwerk eronder kraakt.
Geloven in geloven
Hier komt de moderne positie in beeld, en die is precair. De meeste mensen in dit deel van de wereld geloven niet meer in God in de oude zin. Ze geloven niet meer in een metafysisch fundament van de mensenrechten. Ze geloven niet meer in de onsterfelijkheid van de natie. Ze geloven niet meer dat het ik een ziel is. Wat geloofd werd, is weggezakt.
En toch werkt het hele systeem nog. Mensen betalen belasting alsof het sociaal contract metafysisch zwaar is. Mensen verdedigen mensenrechten alsof ze in een natuurwet geloofden. Mensen zeggen ik tegen zichzelf alsof er iemand thuis is. Mensen vieren kerst zonder in de geboorte te geloven, trouwen zonder in het sacrament te geloven, begraven zonder in het hiernamaals te geloven.
Dit is de tweede orde. We geloven niet meer in objecten van geloof. We geloven in de praktijk van het geloven. We weten dat het verhaal een verhaal is, maar we hebben het verhaal nog nodig om dagelijks te kunnen functioneren. Dus we doen alsof. We zijn naïef geworden over onze eigen naïviteit, in de zin dat we doen alsof we erin geloven en daarmee de werking ervan in stand houden.
Dit werkt, tot op zekere hoogte. Het werkt omdat afspraken die collectief worden bewoond, een eigen werkelijkheid produceren. Geld werkt zolang we doen alsof. Mensenrechten werken zolang voldoende staten doen alsof. Het ik werkt zolang ik doe alsof er iemand is die ik ben. Maar het werkt niet zonder kosten.
De kosten zijn precies wat ’s nachts opkomt. Het organisme dat overdag in tweede orde leeft, dat zich beweegt door een fictie die het zelf niet meer helemaal gelooft maar waarvan het ook niet kan loskomen, doet ’s nachts integratiewerk dat de overdag-laag niet kan doen. Soms is dat onderhoud zacht, niet meer dan een droom die snel vervaagt. Soms is het pregnant genoeg om de slaap te breken. Dan komt de boodschap door dat de filter niet de werkelijkheid is. En de drager moet ermee omgaan.
We hebben de objecten van het geloof verloren. De behoefte aan geloof niet.
De openbaring zonder god
Wat het pinksterverhaal en de hedendaagse retraite delen is niet de geest. Het is de mens. Het organisme dat door zijn eigen filter wordt afgemat, dat soms scheuren in die filter ervaart, en dat zonder uitzondering iemand of iets nodig heeft om uit te leggen wat het heeft meegemaakt. De interpretatie is altijd gelaagd. De ervaring is rauw, de uitleg komt later, en de uitleg bepaalt wat de ervaring betekend zal hebben.
Vroeger leverde de priester de uitleg. Hij stond klaar met het kader. Wat je had gevoeld was de geest, of de duivel, of de roeping. Het kader was er voor de ervaring kwam, en de ervaring werd in dat kader gepast. Dat had voordelen. Mensen wisten waar ze aan toe waren. Het had nadelen. Mensen wisten weinig over wat er werkelijk gebeurde.
Vandaag levert de coach de uitleg. Of de retraite-leider, of de auteur van het boek dat je leest na een dergelijke ervaring, of de podcast die op de achtergrond loopt. Het kader is anders, het mechanisme is identiek. Iemand heeft een ervaring, iemand anders levert het script, de ervaring krijgt achteraf haar betekenis. De transactie is dezelfde. De prijslijst is veranderd.
Wat opvallend is, is dat de moderne uitleggers vaak harder werken dan de oude priesters. De priester had een dik boek waar hij naar kon verwijzen. De coach moet zijn eigen kader bouwen, en hij doet dat met flarden uit neurowetenschap, oosterse tradities, motiverende psychologie en zelfhulplectuur. Hij maakt een patchwork. Hij verkoopt dat patchwork als wijsheid. En het werkt, in de zin dat mensen ervoor terugkomen.
Want hier zit het mechanisme dat dit essay probeert te benoemen. De mens is voortdurend op zoek naar zekerheid, ook als die zekerheid alleen bestaat uit een geloof. De inhoud van het geloof doet er minder toe dan je zou denken. De functie doet ertoe. Het geloof biedt een kader waarbinnen de ervaring betekenis kan hebben en de drager kan blijven functioneren. Zonder enig kader valt het organisme stil. Met een kader, hoe ondoordacht ook, kan het door.
Daarom keren religieuze structuren via de achterdeur terug, ook in een seculiere cultuur die formeel met religie heeft gebroken. Pinksteren bestaat nog. Het heet alleen anders. Het heet ademhalingssessie, of plant medicine ceremony, of darkness retreat, of breathwork journey. Het maakt niet uit. De structuur is identiek. Een groep mensen komt bijeen, wordt door een geleider in een toestand gebracht waarin de gebruikelijke filter even scheurt, ervaart iets sterks, krijgt achteraf de uitleg aangereikt, en gaat naar huis met de overtuiging iets te hebben meegemaakt dat hun leven heeft veranderd.
Soms heeft het hun leven veranderd. Vaker is de verandering een nieuw geloof, dat de oude leegte opvult zonder de structuur ervan op te ruimen. Het organisme blijft in tweede orde leven, alleen met een bijgewerkte verzameling rituelen.
Wat hieruit te leren valt
Een essay als dit eindigt vaak met een oproep tot wakker worden. Doorzie het systeem, stap eruit, leef authentiek. Dat is een verleiding die ik wil weerstaan, want ze loopt op zichzelf weer in de val die het essay beschrijft. Wie pretendeert uit het systeem te kunnen stappen, doet alleen alsof, en levert daarmee een nieuwe versie van precies wat hij meent te verlaten.
Wat wel te leren valt is bescheidener en taaier. Het systeem werkt. Het is niet wenselijk om eruit te stappen, en het is ook niet mogelijk. Wat wel mogelijk is, is om te weten dat je erin leeft. Om te beseffen dat de filter de filter is, niet de werkelijkheid. Om de openbaring die om half drie ’s nachts komt te erkennen als wat ze is, namelijk je eigen organisme dat onderhoud doet, en niet als boodschap van elders. Om de coach die je een nieuw kader aanbiedt te zien als een coach, niet als gids. Om in geloven te blijven geloven waar het niet anders kan, maar met de wetenschap dat het geloven is.
Dat verandert niet veel aan het dagelijks leven. Je betaalt nog steeds belasting. Je zegt nog steeds ik. Je viert Pinksteren misschien niet, maar je zult de behoefte aan overgang en markering blijven hebben. Wat verandert is dat je weet wat je doet. En dat is, in deze tweede-orde positie, de enige eerlijkheid die te hebben is.
Tweeduizend jaar later wordt nog steeds in talen gesproken die de spreker zelf niet begrijpt.
Literatuur
Baudrillard, J. (1981). Simulacres et Simulation. Paris: Éditions Galilée.
Dennett, D. C. (1991). Consciousness Explained. Boston: Little, Brown and Company.
Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11(2), 127–138.
Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. New York: Pantheon.
Harari, Y. N. (2011). Sapiens: A Brief History of Humankind. Tel Aviv: Dvir.
Hume, D. (1739). A Treatise of Human Nature. London: John Noon.
Metzinger, T. (2003). Being No One: The Self-Model Theory of Subjectivity. Cambridge, MA: MIT Press.
Searle, J. R. (1995). The Construction of Social Reality. New York: Free Press.
