Waarom trainen als je ook op de bank kunt zitten?
Beste Bankzitter (oops, ik bedoel Sportfan),
Laten we eerlijk zijn: trainen is een briljant idee… voor mensen die van masochisme houden. Waarom zou je jezelf in het zweet werken terwijl de natuur je al miljoenen jaren heeft getraind in de kunst van het niksen? Toch blijven we onszelf martelen met marathons, benchpresses en andere absurde sportrituelen—allemaal voor wat extra spiermassa en een vage belofte van zelfverbetering.
Maar wacht even! Wat als ik je vertel dat je slimmer kunt trainen in plaats van harder? Dat 80% van je resultaten voortkomt uit slechts 20% van je inspanning? Klinkt als een droom, toch? Alsof je een cheatcode hebt gevonden voor het leven. In mijn nieuwste artikel, ‘Training en Trainingseffect’, leg ik uit waarom je lichaam een energiezuinig opportunist is—en hoe je dat in je voordeel kunt gebruiken.
Wil je ontdekken hoe je met minimale inspanning maximale resultaten boekt? Klik dan hier en laat je hersenen alvast wennen aan het idee van efficiënter trainen.
Geen blaren, geen spierpijn—alleen een paar minuten lezen met een lichte glimlach (en misschien een vleugje schuldgevoel over al die uren die je op de bank hebt verspild).
Groet,
Peter Koopman
10 mrt. 2025
Tel.: 06 8135 8861
Training en Trainingseffect:
Biologische Grenzen en de Illusie van Zelfoptimalisatie
Inleiding
Ik ben altijd blij wanneer er reacties komen op mijn stukjes—het geeft me niet alleen inzicht in wat lezers boeit, maar ook waar de discussie naartoe kan gaan. Naar aanleiding van reacties op mijn artikel ‘Het Effect van Training op de Functie van het Hart’, lijkt het me nuttig om wat dieper in te gaan op de begrippen training en trainingseffect. Er bestaat namelijk een begrijpelijke, maar hardnekkige neiging om deze twee begrippen door elkaar te halen of ze als één en hetzelfde fenomeen te zien. Dit is een denkfout die Friedrich Nietzsche al beschreef in zijn concept van Umwertung aller Werte (de herwaardering van alle waarden). We meten het doel—het trainingseffect—af aan de invulling van de trainingsinhoud. Hoe snel loop je die marathon? Hoeveel kilo’s til je bij de benchpress? Hoe indrukwekkend zijn je biceps?
Maar laten we eerlijk zijn: deze meetlat zegt weinig over wat training écht betekent. Om deze verwarring op te helderen, is het essentieel om te begrijpen hoe het menselijk lichaam zich aanpast aan omgevingsprikkels—en vooral: hoe deze aanpassingen plaatsvinden binnen strikte biologische grenzen.
De Mens als Adaptief Organisme: Biologische Grenzen en Evolutie
Stel je het lichaam voor als een opportunistisch systeem dat voortdurend probeert te overleven in een veranderende omgeving. Dit aanpassingsproces kent echter grenzen—setpoints—die evolutionair zijn vastgelegd. Een marathon lopen in 90 minuten of een benchpress van 300 kg tillen? Ongeacht hoe hard je traint, deze prestaties zijn simpelweg onmogelijk. Dit betekent niet dat aanpassing niet plaatsvindt, maar wel dat deze gebonden is aan biologische en genetische beperkingen.
Een fundamenteel misverstand over training is de aanname dat het lichaam zich doelbewust aanpast om betere prestaties te leveren. De natuur werkt echter niet met intenties of doelen, maar met differentiële overleving. Neem de giraffe: die ontwikkelde geen lange nek omdat hij ‘probeerde’ bij hogere bladeren te komen, maar omdat exemplaren met iets langere nekken een grotere kans hadden om te overleven en zich voort te planten. Evenzo past een getraind lichaam zich aan binnen zijn genetische marges, maar deze aanpassing is niet cumulatief over generaties. Je kinderen erven je spiermassa of uithoudingsvermogen niet, hoe hard je ook traint.
Het Lichaam als Energiezuinige Opportunist: De Rol van Efficiëntie
Probeer het lichaam voor te stellen als een organische bal die probeert zichzelf in leven te houden door zich aan te passen aan de eisen van een voortdurend veranderende omgeving. Deze aanpassingen zijn echter aan grenzen gebonden. Zo is het onmogelijk om in de huidige situatie een marathon in 90 minuten te lopen of een benchpress te maken van 300 kg. Er zijn grenzen waar je tegenaan loopt, hoe hard je ook traint. Biologische aanpassingen vinden plaats over miljoenen jaren, en ze zijn niet doelbewust. De nek van een giraffe groeide niet omdat hij ‘probeerde’ hoger te reiken, maar omdat giraffen met een wat langere nek een grotere overlevingskans hadden.
Het lichaam doet wat nodig is om zijn overlevingskansen te vergroten. Dit betekent: energie besparen waar mogelijk en voorkomen dat je op het menu staat. Energie is kostbaar, en nodeloze inspanning—zoals vluchten voor een denkbeeldige sabeltandtijger of jagen op voedsel dat niet nodig is—is evolutionair gezien zinloos. Dit plaatst training in een paradoxale positie: inspanning is alleen zinvol als het direct bijdraagt aan overleving of reproductie. Training op zichzelf is slechts nuttig als het leidt tot een optimaal rendement binnen de natuurlijke grenzen van het lichaam.
Het Pareto-principe en Economische Aanpassing: Slim Trainen vs. Hard Trainen
Hier past het 80/20 Pareto-principe uitstekend bij: 80% van de resultaten komt voort uit 20% van de inspanning. Dit principe, oorspronkelijk geformuleerd door de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto, stelt dat een klein deel van de inspanning vaak verantwoordelijk is voor het grootste deel van de resultaten. In de context van training betekent dit dat beginnende sporters al snel vooruitgang boeken met relatief minimale inspanning. De eerste keren dat je traint, zijn de prikkels nieuw en uitdagend genoeg om het lichaam aan te zetten tot snelle aanpassingen. Je wordt sterker, fitter en uithoudingsvermogen neemt toe—allemaal met relatief weinig moeite.
Maar naarmate je vordert, verandert dit. Gevorderde sporters moeten exponentieel meer tijd en energie investeren voor slechts marginale verbeteringen. Dit komt omdat het lichaam energie-economisch werkt: het past zich alleen aan als het echt nodig is. In het begin zijn de prikkels voldoende om het lichaam uit zijn comfortzone te halen, maar na verloop van tijd raakt het gewend aan dezelfde stimulus. Het lichaam wordt efficiënter in het omgaan met de belasting, en er zijn steeds sterkere prikkels nodig om verdere aanpassingen uit te lokken.
Dit verklaart ook waarom een progressieve trainingsprikkel essentieel is. Zonder nieuwe uitdagingen—zonder het lichaam voortdurend uit te dagen—stopt het met aanpassen. Het Pareto-principe helpt ons dus begrijpen waarom slim trainen belangrijker is dan hard trainen. Het grootste deel van de winst komt uit een kleine maar effectieve stimulus, terwijl het najagen van maximale prestaties onevenredig veel energie en risico met zich meebrengt.
De Misconceptie van Ongelimiteerde Groei: Waarom Meer Niet Altijd Beter Is
In veel hedendaagse opvattingen over training sluimert een hardnekkige misvatting: het idee dat harder trainen altijd leidt tot betere resultaten. Dit lineaire groeidenken past binnen een bredere, economisch gekleurde visie op het leven, waarin alles te optimaliseren en te maximaliseren zou zijn. Meer is beter, harder is sneller, en grenzen zijn er om te overschrijden. Maar biologische systemen werken niet zo. Ze zijn cyclisch, niet lineair, en kennen natuurlijke plafonds.
Adaptatie volgt een curve van afnemende meeropbrengst. In het begin zijn de trainingseffecten groot: je wordt sterker, sneller, fitter. Maar naarmate het lichaam zich aanpast, wordt progressie exponentieel moeilijker. Wat eerst een sprint was, wordt al snel een marathon. En uiteindelijk stagneert de progressie helemaal. Dit is geen falen van het lichaam—het is juist een teken dat het lichaam doet waarvoor het geëvolueerd is: efficiënt omgaan met energie en stabiliteit behouden.
De misvatting is dat we dit zien als een tekortkoming. We denken dat het lichaam ‘faalt’ als de progressie afneemt, terwijl het in werkelijkheid precies doet wat het hoort te doen. Het lichaam is geen machine die je eindeloos kunt opvoeren; het is een biologisch systeem dat gericht is op overleving, niet op perfectie. Dit maakt training ironisch genoeg een eindeloze strijd tegen de eigen natuur.
Praktische Implicaties: Hoe Pas Je Dit Toe in Je Eigen Training?
Het is belangrijk om te benadrukken dat niet de trainingsomvang of trainingsintensiteit van belang zijn, maar het resultaat dat deze inspanningen hebben op het organisme. Als we kampioen konden worden door in bed te blijven liggen, kwam niemand nog zijn bed uit. Het gaat niet om de hoeveelheid zweet of de uren die je in de sportschool doorbrengt, maar om hoe je lichaam reageert op de prikkels die je het geeft.
Hier zijn enkele praktische tips om deze inzichten toe te passen:
- Focus op progressie, niet op perfectie: Streef naar kleine, haalbare verbeteringen in plaats van maximale prestaties.
- Varieer je training: Voorkom dat je lichaam gewend raakt aan dezelfde prikkels door regelmatig van routine te veranderen.
- Luister naar je lichaam: Overbelasting leidt tot blessures en afnemende meerwaarde. Rust en herstel zijn net zo belangrijk als de training zelf.
Conclusie: Training als Menselijk Construct en Existentiële Zelfdefiniëring
Training en trainingseffect zijn geen synoniemen, en ze zijn al helemaal geen rechtlijnige processen. Het lichaam past zich aan binnen strikte genetische en energetische grenzen, zonder vooropgezet doel. De moderne obsessie met training als middel tot zelfoptimalisatie is dan ook eerder een cultureel-filosofisch fenomeen dan een biologisch gegeven.
We trainen niet omdat het noodzakelijk is, maar omdat we het willen. Het is een reflectie van onze diepgewortelde neiging om onszelf te definiëren door prestaties en perfectie na te streven. Maar laten we eerlijk zijn: het werkelijke doel hiervan is vaak het verwerven van aandacht. Aandacht geeft invloed, en invloed geeft macht. In een wereld waarin sociale media en persoonlijke branding steeds belangrijker worden, is een gespierd lichaam of een indrukwekkende prestatie niet langer slechts een teken van gezondheid—het is een statussymbool, een manier om op te vallen in een zee van concurrentie.
Misschien is dat besef—dat training uiteindelijk een vorm van existentiële zelfdefiniëring is, en vaak een middel om aandacht en invloed te verwerven—wel het grootste trainingseffect van allemaal.
Literatuurlijst
- Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
- Selye, H. (1956). The Stress of Life.
- Bouchard, C., & Rankinen, T. (2001). Individual differences in response to regular physical activity. Medicine & Science in Sports & Exercise.
- Noakes, T. (2012). The Lore of Running.
- Holloszy, J.O., & Coyle, E.F. (1984). Adaptations of skeletal muscle to endurance exercise and their metabolic consequences. Journal of Applied Physiology.