Straf is geen rechtvaardigheid

Straf is geen rechtvaardigheid

Beste lezer,

Dit stuk is geen pleidooi.
Het is ook geen oplossing, geen beleidssuggestie en al helemaal geen moreel kompas.

Het is een gedachte-experiment.

Uitgangspunt is eenvoudig: rechtvaardigheid bestaat niet. Wat wij recht noemen is een door mensen geconstrueerde fictie om geweld te reguleren, te legitimeren en te verdelen. Straf is geen correctie van de overtreder, maar genoegdoening voor de groep. Dat is geen cynisme, dat is observatie.

Wanneer financiële straffen ongelijkheid reproduceren en gevangenisstraf vooral symbolisch geruststelt, blijft de vraag wat straf eigenlijk doet. En voor wie. Wat gebeurt er wanneer we consequent doordenken en het lichaam — in plaats van geld of tijd — als laatste universele valuta beschouwen?

Dat experiment voert niet naar oplossingen, maar naar ontmaskering. Het legt bloot waar onze grenzen werkelijk liggen, welke ficties het systeem overeind houden en waarom sommige leugens functioneler blijken dan waarheden.

Lees dit niet als moreel standpunt.
Lees het als systeemanalyse.
En wees gewaarschuwd: wie rechtvaardigheid zoekt, zal haar hier niet vinden.

Met vriendelijke groet,

Peter Koopman


Er bestaat geen recht. Er bestaan slechts afspraken, afgedwongen door een dominante groep die belang heeft bij voorspelbaarheid. “Rechtvaardigheid” is geen eigenschap van de werkelijkheid, maar een narratief dat gedrag kanaliseert. Dat narratief functioneert zolang het geloofwaardig blijft. Zodra de discrepantie tussen norm en uitkomst te groot wordt, begint het te rafelen.

De moderne strafpraktijk is daar een schoolvoorbeeld van.

Financiële straffen pretenderen neutraliteit, maar zijn regressief. Voor de welgestelde zijn zij ongemak, voor de kwetsbare existentiële dreiging. De boete is geen morele correctie, maar een fiscale aflaat. De staat straft niet om orde te herstellen, maar om begrotingen sluitend te houden. Dat is geen cynisme, dat is boekhouden.

Dat roept een ongemakkelijke vraag op: als geld een slechte strafvaluta is, wat dan wel?

Het lichaam dringt zich op. Niet vanuit sadisme, maar vanuit gelijkheidsdenken. Iedereen heeft een lichaam. Iedereen ervaart verlies, pijn en beperking. Waar geld ongelijk verdeeld is, lijkt het lichaam een universele maat. Wie een leven neemt, geeft er één. Symmetrisch, helder, onontkoombaar.

Precies hier wordt zichtbaar hoe dun de laag “rechtvaardigheid” werkelijk is.

Niet omdat het voorstel immoreel zou zijn — moraal is hier irrelevant — maar omdat het laat zien wat straf in wezen is: georganiseerd geweld met een verhaal. Zodra het verhaal wegvalt, blijft alleen de techniek over. En techniek kent geen rechtvaardigheid, alleen efficiëntie.

Het bezwaar tegen lichamelijke straf is zelden principieel. Het is functioneel. Lichamen zijn onomkeerbaar. En systemen die door feilbare mensen worden bestuurd, kunnen zich onomkeerbaarheid slecht permitteren. Niet omdat fouten uitzonderlijk zijn, maar omdat zij structureel zijn. Elk systeem dat foutloosheid veronderstelt, verraadt een kinderlijk mensbeeld.

Maar laten we eerlijk zijn: dat is niet het echte ongemak.

Het echte ongemak is dat een dergelijk gedachte-experiment blootlegt dat straf nooit primair voor de overtreder is. Straf is ritueel. Het is genoegdoening voor de groep. Het bevestigt een grens en zegt: dit gedrag valt buiten de orde die wij willen handhaven. Of de dader daarvan leert, is secundair. Soms zelfs hinderlijk.

In dat licht is het onderscheid tussen gevangenisstraf, TBS of lichamelijke sanctie minder principieel dan men wil toegeven. Detentie ontneemt tijd, autonomie en toekomst. Dat is geen zachte maatregel, maar een fysiologische ingreep met juridische handschoenen aan.

Waarom dan toch deze weerstand tegen het lichaam als strafobject?

Omdat het lichaam de fictie doorprikt. Het maakt zichtbaar wat straf altijd al was. Geen correctie, geen rehabilitatie, maar uitsluiting en neutralisatie. De reden dat we liever tijd afnemen dan organen, is niet humaniteit, maar symbolische afstand. Tijd is abstract. Het lichaam is concreet.

Tegelijkertijd toont het experiment een andere zwakte: het overschat de rationele actor. Mensen die zware geweldsdelicten plegen, handelen zelden vanuit een berekende kosten-batenanalyse. Zij handelen vanuit vernauwde cognitie, affect, intoxicatie, vernedering en narratieve zelfrechtvaardiging. Het beslismoment bestaat, maar het is geen vrij knooppunt. Het is het eindstation van een proces.

Dat maakt de vraag naar afschrikking precair. Niet de zwaarte van straf blijkt doorslaggevend, maar de zekerheid en nabijheid van interventie. Niet wat er achteraf gebeurt, maar wat vooraf wordt verhinderd. Wie inzet op steeds extremere sancties, adresseert het spektakel, niet het patroon.

Daarmee komen we bij het ongemakkelijke deel dat zelden hardop wordt uitgesproken.

Moderne samenlevingen prediken individuele vrijheid, maar organiseren onderwijs en socialisatie zodanig dat zelfregulatie nauwelijks wordt ontwikkeld. Volgen is goedkoper dan denken. Autonomie wordt verkocht als recht, niet als last. Waarden worden gedeclareerd, niet geïnternaliseerd. Het resultaat is een populatie die vrijheid verwart met entitlement en frustratie externaliseert zodra grenzen voelbaar worden.

In zo’n context is straf achteraf altijd te laat. Het systeem produceert zelf de condities waaronder geweld waarschijnlijker wordt, en reageert vervolgens verontwaardigd op de uitkomst. Dat is geen tragiek, dat is ontwerpfalen.

Wie dit werkelijk consequent doordenkt, komt tot een conclusie die ongemakkelijker is dan orgaandonatie als straf: effectieve ordening vereist selectie en uitsluiting vóór het misdrijf, niet symbolische vergelding erna. Risico-inschatting, bewegingsbeperking, isolatie, permanente toezichtmaatregelen. Niet fraai, wel functioneel.

Dat botst met vrijheid. Maar vrijheid was nooit gratis. Zij was altijd een tijdelijk experiment, getolereerd zolang de opbrengst groter was dan de schade.

Het gedachte-experiment van lichamelijke straf doet uiteindelijk precies wat het moet doen: het laat zien dat “rechtvaardigheid” geen eigenschap is, maar een verhaal dat we vertellen om geweld verteerbaar te maken. Sommige verhalen stabiliseren systemen. Andere leggen hun leugen bloot.

En misschien is dát de echte vraag:
niet hoever straf mag gaan,
maar hoeveel fictie een samenleving nodig heeft om zichzelf nog serieus te nemen.

Literatuurlijst

Thomas Hobbes – Leviathan
De staat als geweldsmonopolist. Recht niet als waarheid, maar als afspraak om onderlinge vernietiging te voorkomen. Fundament onder mijn stelling dat recht een construct is, geen moreel gegeven.

Max Weber – Politik als Beruf
Heldere analyse van legitimiteit en het geweldsmonopolie. Straf als instrument van orde, niet van rechtvaardigheid. Weber is hier klinisch, niet normatief.

Michel Foucault – Surveiller et punir
Onmisbaar. Laat zien hoe straf verschuift van lichaam naar tijd, van pijn naar discipline. Mijn gedachte-experiment keert precies dat historische proces om, en maakt daarmee de fictie zichtbaar.

Cesare Beccaria – Dei delitti e delle pene
Vroeg utilitaristisch strafdenken. Niet moreel, maar functioneel: straf moet voorspelbaar en zeker zijn. Interessant juist omdat zijn ideeën vaak verkeerd worden gelezen als “humaan”, terwijl ze vooral anti-arbitrair zijn.

David Garland – The Culture of Control
Moderne straf als ritueel van maatschappelijke geruststelling. Straf voor de gemeenschap, niet voor de dader. Sluit direct aan bij mijn punt over genoegdoening.

Jonathan Simon – Governing Through Crime
Hoe criminaliteit wordt gebruikt om politieke en sociale orde te organiseren. Straf als bestuurlijk middel, niet als correctie.

Ernst Becker – The Denial of Death
Niet over straf, maar essentieel voor het begrijpen van geweld, controle en symbolische genoegdoening. Straf als beheersing van existentiële angst.

Hannah Arendt – On Violence
Strak onderscheid tussen macht en geweld. Relevant voor mijn punt dat straf geen legitimiteit schept, maar macht bevestigt wanneer betekenis ontbreekt.

Giorgio Agamben – Homo Sacer
Het lichaam als inzet van soevereine macht. Wie buiten de orde valt, wordt “biologisch leven”. Zeer direct raakvlak met jouw lichaam-als-valuta gedachte.

Norbert Elias – The Civilizing Process
Langetermijnanalyse van hoe geweld wordt geïnternaliseerd en uitbesteed aan instituties. Helpt verklaren waarom lichamelijke straf zo’n culturele allergie oproept.

George Orwell – Animal Farm (ja, expliciet literair)
Niet als grap, maar als compacte systeemanalyse van gelijkheid, fictie en macht. De zin die ik al aanhaalde is hier inhoudelijk exact raak.

David Graeber – Debt: The First 5,000 Years
Graeber ontmantelt het idee dat geld uit ruilhandel is ontstaan. Schuld, boete en betaling ontstaan in relatie tot macht en geweld, niet tot marktlogica. Straf in geld is historisch gezien altijd een afgeleide geweest van sociale verplichting, hiërarchie en sanctie. Precies mijn punt: geldstraffen zijn geen neutrale ruil, maar gecodeerde machtsuitoefening.

David Graeber – Toward an Anthropological Theory of Value
Hier wordt het nog scherper. Waarde is geen eigenschap van dingen, maar van sociale relaties. Dat betekent dat straf nooit objectief kan zijn. Zelfs het lichaam is geen neutrale eenheid; het krijgt betekenis binnen een machtssysteem. Dat ondergraaft zowel financiële als lichamelijke straf als “gelijke maat”.

——

Ook interessant voor jou!