Producer, Parasiet en de Illusie van Morele Zekerheid

Producer, Parasiet en de Illusie van Morele Zekerheid

Over parasieten, producers en andere geruststellende sprookjes

Beste lezer,

U hebt waarschijnlijk ooit gedacht dat u wel weet hoe mensen in elkaar steken.
Dat doen we allemaal. Dat is ook precies het probleem.

In het bijgaande hoofdstuk wordt een hardnekkige geruststelling ontmanteld:
het idee dat er “goede” producers bestaan, “slechte” parasieten, en dat moraal ons daarbij richting geeft.

Ayn Rand dacht dat helderheid redding was.
Haar critici dachten dat gelijkheid troost bracht.
Beiden vergaten iets onhandigs: de mens is geen moreel project, maar een opportunistisch organisme dat verhalen nodig heeft om samen te kunnen leven — en te paren.

Dit hoofdstuk is geen verdediging van egoïsme.
Geen lofzang op Darwin.
Geen afrekening namens de wetenschap.

Het is een ontmanteling.
Ook van mijn eigen aannames.

Producer en parasiet blijken geen mensen te zijn, maar rollen.
Morele zekerheid blijkt geen waarheid, maar groepssoftware.
En wie denkt boven ficties te staan, blijkt er meestal één te hebben ingeruild.

Lezen op eigen risico.
Troost wordt niet verstrekt.
Bevestiging evenmin.

Maar als u na afloop denkt:
“Verdomme, misschien klopt dit ook,”
dan heeft het hoofdstuk zijn werk gedaan.

Met onverminderde twijfel,

Peter Koopman

Rand, Darwin, Sapolsky — en de mens die denkt dat hij niets gelooft

Inleiding — Waarom dit hoofdstuk bestaat

Elke beschaving heeft haar heilige woorden.
Vrijheid. Gelijkheid. Solidariteit. Rechtvaardigheid.

Zodra een woord heilig wordt, stopt het denken.

Ayn Rand maakte van producer een morele categorie en van parasiet een zonde. Haar tegenstanders deden het omgekeerde: zij maakten gelijkheid heilig en verklaarden elke hiërarchie verdacht. Beiden deden hetzelfde: ze veranderden beschrijving in oordeel.

Dit hoofdstuk weigert die vlucht.

Niet omdat er een betere moraal is, maar omdat moraal zelf het probleem is.

1. Rand: de verleidelijkheid van morele helderheid

Rand begrijpt één ding uitzonderlijk goed:
groepen die niet meer produceren, verbranden hun productieven — eerst moreel, daarna materieel.

Haar kracht:

  • ze ziet incentive-structuren feilloos
  • ze doorziet schuld als bestuursinstrument
  • ze begrijpt dat dwang vermomd als deugd de creativiteit doodt

Maar dan komt haar misstap.

Rand transformeert een functionele rol in een morele identiteit.

De producer wordt goed.
De parasiet wordt slecht.

Daarmee verlaat ze de werkelijkheid en betreedt ze de kerk.

Want in werkelijkheid:

  • dezelfde mens produceert hier en parasiteert daar
  • afhankelijkheid wisselt per fase, per context, per levensperiode
  • succes is nooit louter individueel, noch ooit puur collectief

Rand haat parasieten, maar ziet niet dat haar helden biologisch onmogelijk zijn.

Haar personages zijn geen mensen.
Het zijn rechtlijnige moraaldragende standbeelden.

2. Darwin: een bril, geen haute couture

Darwin helpt ons iets zien wat Rand weigert te erkennen:
de mens is geen moreel project maar een historisch toeval met zenuwen.

Overleven en voortplanting zijn geen doelen in morele zin, maar filters:
wie niet door de filters komt, verdwijnt.

Belangrijk:
Darwin zegt niet wat hoort, maar wat bleef.

Producer en parasiet zijn in Darwinistische termen:

  • strategieën, geen karakters
  • fasen, geen essences
  • relaties, geen eigenschappen

De jager parasiteert op prooidieren.
De oude parasiteert op de jonge.
De zieke op de gezonde.
De leider op de groep.
De groep op het individu.

Dat is geen kritiek. Dat is boekhouding.

Maar — en hier snijdt jouw waarschuwing terecht —
Darwin kan net zo goed een nieuwe schijnzekerheid worden.

Want zodra Darwin klinkt als:
“zo werkt het, dus zo hoort het”
zijn we weer bij een evangelie aangekomen.

Darwin beschrijft selectie.
Hij legitimeert niets.

3. Sapolsky: de doodsteek voor morele zekerheid

Waar Rand spreekt over schuld, keuze en karakter, schraapt Sapolsky het bord leeg.

Zijn inzet is vernietigend eenvoudig:
gedrag is het eindpunt van causaliteit.

Hormonen.
Stress.
Ontwikkeling.
Sociale positie.
Toeval.

Vrije wil blijkt geen motor, maar een narrator.

Wat betekent dat voor producer en parasiet?

Dat niemand kiest om moreel superieur te zijn.
Dat niemand kiest om afhankelijk te worden.
Dat “verantwoordelijkheid” een pragmatisch hulpmiddel is, geen natuurfeit.

Sapolsky maakt iets ondraaglijk duidelijk:
morele verontwaardiging is meestal biologische onwetendheid.

Dit ondermijnt Rand volledig — maar ook haar tegenstanders.

4. Haidt en Foucault: moraal als groepssoftware

Haidt toont:
moraal ontstaat niet uit rede, maar uit intuïtie en groepsbinding.

Foucault toont:
moraal disciplineert, normaliseert, vormt lichamen en gewoontes.

Samen zeggen ze iets onaangenaams:
moraal is geen waarheidssysteem, maar sociale technologie.

Dat betekent:

  • “parasiet” is geen feit, maar een label
  • “producer” is geen waarheid, maar een eeretitel
  • morele taal is altijd politiek, zelfs (juist) wanneer ze zegt dat ze dat niet is

De groep heeft moraal nodig om:

  • opportunisme te dempen
  • loyaliteit af te dwingen
  • afwijkers te corrigeren
  • lasten te verdelen zonder geweld

Maar zodra moraal zich presenteert als universeel, ruikt het naar bedrog.

5. De positie onder het hakblok: mijn eigen visie

Hier geen veilige afstand. Hier snijden we ook in eigen vlees.

Mijn uitgangspunt:
de mens is primair een opportunistisch organisme, geen moreel wezen.

Dat betekent:

  • hij past strategieën aan
  • hij wisselt rollen
  • hij gebruikt moraal wanneer nuttig
  • hij verwerpt moraal wanneer belemmerend

De groep is geen ideaal, maar een reproductief hulpmiddel.
“Wij tegen zij” is geen afwijking, maar een adaptatie.

Producer en parasiet zijn:

  • geen mensen
  • geen standen
  • geen zonden
    maar momentane posities in energiestromen.

Dit standpunt ontkomt niet aan kritiek.

Kwetsbaar punt 1

Het risico van kilte:
wie alles reduceert tot strategie, riskeert blindheid voor lijden.

Niet moreel problematisch, maar epistemisch verarmend.

Kwetsbaar punt 2

Het gemak van afstand:
wie moraal als fictie benoemt, kan zich erboven wanen —
en dat is precies een nieuwe vorm van superioriteit.

Kwetsbaar punt 3

De verleiding van “zo werkt het dus laat maar”:
waar beschrijving ophoudt, kan cynisme beginnen.

Mijn positie is daarom geen waarheid,
maar een tijdelijk scherp mes.

En elk mes moet soms worden neergelegd.

6. Wat overblijft na de sloop

Niet Rand.
Niet Darwin.
Niet Sapolsky.
Niet Haidt.
Niet Foucault.

Wat overblijft is iets ongemakkelijks:

Een dier
dat verhalen nodig heeft
om zijn opportunisme draaglijk te maken
dat groepen nodig heeft
maar vrijheid fantaseert
dat moraal gebruikt
maar haar als natuurwet verkoopt
dat zich superieur acht
zodra het denkt niets te geloven.

Misschien is dát de grootste fictie:
dat men denkt vrij te zijn van ficties.

Slot — zonder conclusie

Dit hoofdstuk eindigt niet met een aanbeveling.
Niet met hoop.
Niet met een beter systeem.

Alleen met een waarschuwing:

Zodra iemand zegt
“zo is de mens werkelijk”
is het tijd om van bril te wisselen.

En misschien even in de zon te gaan staan.

>

Afsluitende noot (bewust ongemakkelijk)

Deze literatuur ondersteunt geen “standpunt”.
Ze ondergraaft standpunten.

Dat is precies waarom ze hier thuishoort.

Wie uit deze lijst een nieuw geloof samenstelt,
heeft het hoofdstuk niet begrepen.

Wie er ongemakkelijk van wordt,
zit waarschijnlijk goed.

LITERATUURLIJST

Producer, Parasiet en de Illusie van Morele Zekerheid

1. Ayn Rand & Objectivisme (primaire bron én mikpunt)

  • Rand, A. (1957). Atlas Shrugged. New York: Random House.
    De kerntekst. Niet als waarheid, maar als ideologisch experiment.
  • Rand, A. (1964). The Virtue of Selfishness. New York: Signet.
    Essentieel om te zien hoe expliciet Rand moraal en egoïsme aan elkaar vastlast.
  • Burns, J. (2009). Goddess of the Market: Ayn Rand and the American Right. Oxford University Press.
    Contextualiseert Rand als seculier-religieuze figuur.

2. Darwin & evolutie (bril, geen altaar)

  • Darwin, C. (1859). On the Origin of Species.
    De beschrijving, niet de rechtvaardiging.
  • Darwin, C. (1871). The Descent of Man.
    Cruciaal voor zijn vroege, vaak vergeten ideeën over sociale instincten.
  • Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene.
    Helpt begrijpen waarom “egoïsme” biologisch descriptief is en moreel leeg.
  • Trivers, R. (1971). The Evolution of Reciprocal Altruism.
    Onmisbaar om naïef anti-altruïsme te vermijden.

3. Neurobiologie & vrije wil (Sapolsky’s sloophamer)

  • Sapolsky, R. (2017). Behave.
    De meest vernietigende aanval op morele simplificatie.
  • Sapolsky, R. (2023). Determined.
    Vrije wil als narratief hulpmiddel, niet als oorzaak.
  • Dennett, D. (2003). Freedom Evolves.
    Een meer compatibilistische tegenstem; nuttig als frictie.

4. Moraalpsychologie & groepssoftware

  • Haidt, J. (2012). The Righteous Mind.
    Moraal als intuïtief, groepsgebonden mechanisme.
  • Greene, J. (2013). Moral Tribes.
    Waarom “wij versus zij” moreel onvermijdelijk is.
  • Boehm, C. (2012). Moral Origins.
    Moraal als egaliserend wapen tegen te dominante individuen.

5. Macht, moraal en constructie (Foucault & consorten)

  • Foucault, M. (1975). Surveiller et punir.
    Discipline, normalisering en morele productie.
  • Foucault, M. (1976). Histoire de la sexualité I.
    Moraal, macht en regulatie van lichamen.
  • Bourdieu, P. (1998). Practical Reason.
    Hoe ongelijkheid gereproduceerd wordt zonder moraal nodig te hebben.

6. Nietzsche: tegen heilige waarden

  • Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
    Moraal als historisch machtsproduct.
  • Nietzsche, F. (1883–85). Also sprach Zarathustra.
    Niet voor de Übermensch-mythe, maar voor het ondermijnen van vaste waarden.
  • Nietzsche, F. (1882). Die fröhliche Wissenschaft.
    Vrijheid na de dood van absolute waarheden.

7. Antropologie & mens als opportunist-in-groepen

  • Barkow, J., Cosmides, L., & Tooby, J. (1992). The Adapted Mind.
    Psychologie als evolutionair gereedschap, niet als moraal.
  • Henrich, J. (2020). The WEIRDest People in the World.
    Laat zien hoe cultureel onze morele intuïties eigenlijk zijn.
  • Dunbar, R. (1996). Grooming, Gossip and the Evolution of Language.
    Over groep, binding en sociale controle.

8. Kritiek op gelijkheid, meritocratie & morele ficties

  • Elias, N., & Dunning, E. (1986). Quest for Excitement.
    Over spanningsregulatie en beschavingsillusies.
  • Taleb, N. N. (2012). Antifragile.
    Tegen planbaarheid, voor contextgevoeligheid.
  • Graeber, D. (2011). Debt: The First 5,000 Years.
    Moraal, schuld en macht historisch bekeken.

>

Ook interessant voor jou!