Investeringen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst

Investeringen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst

Dit is geen sport. Dit is geruststelling.

Beste lezer,

Dit stuk gaat niet over bewegen.
Het gaat over wat mensen zichzelf wijsmaken terwijl ze bewegen.

Over sport die geen sport is, fitness die niets fit maakt en health centers waar men vooral gezond genoeg moet zijn om binnen te mogen. Over het organisme dat hoopt dat aanwezigheid gelijkstaat aan effect, en dat verleden investeringen bescherming bieden tegen toekomstig verval.

Lees dit niet als u tevreden bent met “goed bezig zijn”.
Lees dit niet als u uw abonnement verwart met inzicht.
Lees dit vooral niet als u denkt dat het lichaam moreel meewerkt.

Dit essay is geen oproep tot meer doen, maar tot minder zelfbedrog.
Wie hier iets uithaalt, traint daarna anders.
Wie zich ergert, herkent zichzelf.

Met vriendelijke groet,
Peter Koopman

Over sport, fitness en de massale zelfmisleiding

Er bestaat een hardnekkige overtuiging die verrassend veel lijkt op religie: wie maar lang genoeg “goed bezig is”, oogst later vanzelf de beloning. Het lichaam fungeert daarin als morele spaarrekening. Elke training een storting, elke zweetdruppel rente. En zoals bij elk geloof is twijfel ongewenst, nuance hinderlijk en realisme verdacht.

De sportschool en het health center zijn de kathedralen van dit denken.

Sport: een woord dat te zwaar is voor wat men doet

Sport is geen welzijnsactiviteit. Sport is strijd. Vergelijking. Selectie. Sport veronderstelt verlies, falen en uitsluiting. Zonder rangorde geen sport, zonder consequenties geen prestatie. Blessures zijn geen incidenten maar structurele bijproducten. Sport test het lichaam, het spaart het niet.

Dat wat zich in sportscholen afspeelt, voldoet hier zelden aan. Er is geen competitie, geen externe maat, geen beslissend moment waarop blijkt of iets gewerkt heeft. Toch wordt de sport genoemd. Niet omdat het klopt, maar omdat sport status verleent. Sport suggereert discipline, karakter, morele superioriteit. Het is aantrekkelijk om je daaraan te associëren zonder de prijs te betalen.

Zo ontstaat sport als decorstuk. De taal van strijd zonder de realiteit ervan.

Fitness: het perfecte verdovingsmiddel

Fitness is sport gestript van alles wat ongemakkelijk is. Geen tegenstander, geen verlies, geen eindpunt. Fitness betekent letterlijk: voldoende geschikt zijn. Waarvoor precies blijft opzettelijk vaag. Dat maakt het woord ideaal.

Fitness is altijd goed, altijd verantwoord, altijd aanpasbaar. Je kunt er eeuwig mee bezig zijn zonder ooit geconfronteerd te worden met de vraag of het ergens toe leidt. Biologisch is dat problematisch. Zonder duidelijke stressor geen adaptatie. Zonder adaptatie geen verandering. Alleen beweging, bezigheid, tijdverdrijf.

Fitness is veilig. En veiligheid is zelden de voedingsbodem voor ontwikkeling.

De sportschool die geen sport-school is

Een school veronderstelt een leerlijn, een visie, een idee van wat men probeert te vormen. De gemiddelde sportschool heeft geen curriculum, geen uitgewerkte mensvisie en geen didactiek. Er is geen antwoord op de vraag wat een mens is, laat staan hoe hij zich duurzaam aanpast.

Wat rest is fragmentatie: een beetje kracht, een beetje cardio, een beetje mobiliteit, afhankelijk van de dag en de stemming. Doelloos trainen levert voorspelbaar weinig op. Maar het voelt actief, en dat is tegenwoordig voldoende om het denken te vermijden.

Het health center dat niets met gezondheid te maken heeft

Gezondheid is geen project en geen morele staat. Het is een tijdelijke toestand waarin het organisme functioneert binnen zijn adaptieve grenzen. Zodra er werkelijk iets misgaat, verdwijnen health centers uit beeld en nemen zorg, geneeskunde en schadebeperking het over.

Deze instellingen zijn geen bolwerken tegen ziekte, maar plekken waar mensen naartoe gaan zolang ze nog gezond genoeg zijn om te doen alsof ze ziekte vóór zijn. Men traint niet tegen pathologie, men traint tegen angst. Tegen ouderdom. Tegen verval. Tegen de wetenschap dat niets blijvend is.

De mens als voorspellend organisme

De mens investeert energie in de hoop op toekomstig rendement. Dat is rationeel, maar alleen wanneer de investering doelgericht is. In deze instituten is die zelden dat. Men hoopt dat aanwezigheid gelijkstaat aan vooruitgang.

Biologisch werkt het anders. Het organisme heeft een beperkte verwerkingscapaciteit. Een maximale prikkel leidt tot adaptatie. Daarbovenop stapelen levert geen extra winst op, maar vermoeidheid, langer herstel, slechtere techniek en meer schade. Meer doen is hier niet beter, maar slechter uitgevoerd.

Het lichaam kent geen verleden eer. Geen loyaliteit. Geen dankbaarheid. Wat je ooit kon, ben je voortdurend aan het verliezen.

Wat deze instituten werkelijk zijn

Sportscholen en health centers zijn primair sociale instituten. Ontmoetingsplekken. Rituele ruimtes waar men gezamenlijk het verhaal bevestigt dat men “goed bezig is”. De spiegels, de kleding, de muziek en de meetapparatuur dienen niet het lichaam, maar het narratief.

Men traint niet om beter te worden, maar om zichzelf gerust te stellen.

De mens als organisme: hoop, onnozelheid en habitatgedrag

Wat in deze habitat rondloopt is geen rationele beslisser, maar een organisme met een zenuwstelsel dat gebouwd is om te voorspellen, niet om waar te nemen. De mens handelt hier niet vanuit inzicht, maar vanuit verwachting. En verwachting is zelden meer dan hoop met een sporttas.

Het organisme en zijn behoefte aan betekenis

Het menselijk organisme verdraagt slecht dat inspanning zinloos is. Elke investering moet ergens voor zijn, al is het maar symbolisch. Daarom verzint het lichaam een verhaal zodra het zweet. Niet omdat het klopt, maar omdat leegte ondraaglijk is. Bewegen zonder belofte voelt als verspilling; bewegen mét belofte voelt als controle.

Die belofte hoeft niet concreet te zijn. Integendeel. Hoe vager het doel, hoe langer het intact blijft. “Gezond blijven”, “fit zijn”, “aan mezelf werken” — formules die niets specificeren en dus nooit kunnen falen. Het organisme kiest vaagheid als overlevingsstrategie tegen teleurstelling.

Hoop als energetisch misverstand

Hoop is hier geen deugd, maar een cognitieve kortsluiting. Het organisme verwart activiteit met effect. De gedachte is simpel: ik doe iets, dus het zal wel goed zijn. Dat deze redenering biologisch onzinnig is, doet er niet toe. Het gevoel van vooruitgang volstaat.

Het lichaam wordt zo behandeld als een lineair systeem: meer input levert meer output. Maar het organisme is niet lineair. Het is adaptief, begrensd en contextgevoelig. Het kan slechts een bepaalde hoeveelheid prikkel verwerken. Alles daarboven wordt geen vooruitgang maar ruis.

Toch blijft men stapelen. Nog een les. Nog een schema. Nog een wearable die meet wat men toch al negeert: vermoeidheid, herstel, verval.

De habitat als geruststellingsmachine

De sportschool en het health center zijn ecologisch perfect afgestemd op deze organistische zwakte. Ze bieden:

  • voorspelbare prikkels
  • sociaal bewijs
  • morele bevestiging
  • afleiding van existentiële onzekerheid

De mens beweegt hier niet primair om zich aan te passen, maar om gezien te worden terwijl hij zich aanpast. Dat kijken — door anderen, door spiegels, door apparaten — fungeert als vervanging voor resultaat. Wat niet verandert, wordt gemaskeerd door zichtbaarheid.

Onnozelheid als functionele eigenschap

De onnozelheid die hier zichtbaar wordt is geen gebrek, maar een functie. Wie werkelijk zou doorzien hoe tijdelijk, fragiel en contextafhankelijk lichamelijke adaptatie is, zou heel anders handelen. Minder vaak. Gerichter. Met meer rust. En vooral: zonder de illusie van controle.

Maar dat is psychologisch onaantrekkelijk. Het organisme verkiest ritueel boven realisme. Liever een vast schema dan een confronterende analyse. Liever herhaling dan inzicht. Onnozelheid is hier niet dom, maar geruststellend.

Slot, zonder troost

Sport is te hard voor wie geruststelling zoekt.
Fitness is te leeg voor wie werkelijk wil veranderen.

Dus ontstaat een hybride die niets van beide is: sporttaal zonder strijd, fitness zonder adaptatie, gezondheid zonder ziekte. Investeringen uit het verleden worden opgevoerd als bewijs van toekomstig recht.

De mens in deze habitat is geen sporter, geen leerling en geen patiënt. Het is een voorspellend organisme dat energie investeert om angst te dempen en betekenis te simuleren. Het lichaam wordt niet getraind, maar gebruikt als decor voor hoop.

En zolang hoop wordt verward met effect, blijft deze habitat bevolkt. Niet omdat ze werkt, maar omdat ze geruststelt.

Het organisme wil geen waarheid.
Het wil continuïteit van verwachting.

Maar het lichaam onderhandelt niet. Het onthoudt niets. Het reageert alleen op wat nu gebeurt.

Wie dat accepteert, traint doelgericht en spaarzaam.
Wie dat weigert, koopt een abonnement en noemt het vooruitgang.

En dat, meer dan spiergroei of conditie, is het ware product van deze plekken.

Appendix

Waar training wél werkt — en waarom dat zelden gebeurt

Wanneer training daadwerkelijk training is

Training werkt alleen onder strikte voorwaarden. Dat klinkt banaal, maar het wordt structureel genegeerd. Training is geen beweging en geen intentie, maar een doelgericht verstoringsproces met een beoogde adaptatie.

Training werkt wanneer:

  • het doel concreet en toetsbaar is
  • de prikkel specifiek is voor dat doel
  • de belasting gedoseerd wordt
  • herstel actief gepland is
  • falen informatief mag zijn

Zodra één van deze voorwaarden ontbreekt, verandert training in activiteit. En activiteit levert hooguit vermoeidheid en symbolisch comfort op.

Sportcontexten waar het wél werkt

Training functioneert het betrouwbaarst in omgevingen waar de realiteit zich niet laat wegpraten.

Competitieve sport
In sport met echte consequenties dwingt de context helderheid af. Je wint of verliest. Je stijgt of valt af. De wedstrijd fungeert als externe beoordelaar. Illusies worden afgestraft.

Selectieve systemen
Militaire opleidingen, topsportprogramma’s en bepaalde vechtsportculturen werken omdat ze uitsluiten. Niet iedereen blijft. Dat is geen fout, maar een functie. Training vereist selectie om adaptatie zichtbaar te maken.

Tijdelijke doelprojecten
Wanneer training gekoppeld is aan een eindpunt — een wedstrijd, een test, een inzet — wordt dosering vanzelf rationeler. Zonder eindpunt ontspoort alles naar eindeloze herhaling.

Waarom dit zelden gebeurt

De redenen zijn niet technisch maar menselijk.

Doelen zijn psychologisch riskant
Een concreet doel kan falen. Daarom kiest men liever voor vaagheid. “Fit blijven” faalt nooit, omdat het niets betekent.

Adaptatie is traag en ondankbaar
Echte fysiologische verandering is langzaam, onzichtbaar en contextafhankelijk. Dat botst met een cultuur die directe feedback eist.

Herstel voelt als niets doen
Herstel produceert geen zichtbare prestatie. Geen zweet, geen verhaal, geen bevestiging. Dus wordt het genegeerd of gemoraliseerd als luiheid.

Sociale harmonie wint van biologische waarheid
In groepssettings wordt intensiteit afgestemd op sfeer, niet op adaptatie. Niemand wil de verstorende factor zijn die het ongemakkelijke niveau introduceert waarop training daadwerkelijk effect heeft.

De biologische grens

Het organisme is geen oneindig schaalbaar systeem. Het beschikt over een beperkt energiebudget en een begrensde herstelcapaciteit. Prikkels stapelen niet lineair.

Dit punt is uitvoerig onderbouwd in stress- en adaptatieonderzoek, onder meer door Robert M. Sapolsky: boven een bepaalde drempel wordt belasting geen stimulus maar ruis. De aanpassing stopt, de schade begint.

Training vereist dus minder doen op het juiste moment, niet meer doen uit nervositeit.

Waarom fitness hier structureel faalt

Fitnesscontexten vermijden alles wat training effectief maakt:

  • geen selectie
  • geen uitsluiting
  • geen eindpunt
  • geen verlies
  • geen verplicht herstel

Dat is commercieel logisch, maar biologisch rampzalig. Effectieve training is per definitie niet voor iedereen tegelijk, niet permanent en niet gezellig.

De paradox

De mens wil training zonder prijs, sport zonder strijd en gezondheid zonder kwetsbaarheid. Maar juist die elementen maken adaptatie mogelijk.

Zoals Nassim Nicholas Taleb beschrijft: systemen die tegen elke vorm van stress worden beschermd, verzwakken. Dat geldt ook voor lichamen.

Slot van de appendix

Training werkt.
Maar alleen waar men bereid is:

  • doelen te specificeren
  • falen te verdragen
  • herstel te respecteren
  • en mensen uit te sluiten

Dat maakt het zeldzaam. Niet omdat het ingewikkeld is, maar omdat het psychologisch onaantrekkelijk is.

Wie dit accepteert, traint weinig, scherp en tijdelijk.
Wie dit weigert, blijft bewegen — en noemt het ontwikkeling.

Literatuurlijst

  • Robert M. Sapolsky
    Behave — Over stress, adaptatie en het falen van lineair denken over gedrag en prestatie.
  • Daniel Kahneman
    Thinking, Fast and Slow — Over voorspellingsfouten, illusie van controle en retrospectieve rationalisatie.
  • Ernest Becker
    The Denial of Death — Over rituelen, symbolisch handelen en het dempen van existentiële angst.
  • Nassim Nicholas Taleb
    Antifragile — Over stressoren, adaptatie en waarom bescherming vaak verzwakt.
  • Daniel E. Lieberman
    Exercised — Over waarom beweging geen vanzelfsprekende gezondheidsmachine is.
  • Peter Sterling & Joseph Eyer
    Allostasis (oorspronkelijke papers) — Over voorspelling, energiebudgetten en fysiologische grenzen.
  • Norbert Elias
    The Civilizing Process — Over discipline, lichaam en sociaal gereguleerd gedrag.

Ook interessant voor jou!