FUNCTION VS FASHION

FUNCTION VS FASHION

Over training, simulatie en het lichaam als leugenaar

“Perfect is the worst enemy of good” – Voltaire

Beste Lezer,

Dit stuk is geen pleidooi voor beter trainen, gezonder leven of een ander lichaam.
Het is een poging om een hardnekkige denkfout bloot te leggen.

In de fitness- en sportcultuur wordt structureel gesproken over het trainen van spieren, terwijl feitelijk iets anders plaatsvindt: 
het aanleren van bewegingen, binnen een context van gemakzucht, statusstreven en beeldvorming. 
Het lichaam fungeert daarbij steeds minder als gevolg, en steeds vaker als doel.

De centrale vraag in dit essay is niet hoe we trainen, maar waarvoor:
FUNCTION of FASHION.

Niet als morele tegenstelling, maar als twee fundamenteel verschillende logica’s.
De ene vraagt investering, tijd en frictie.
De andere biedt simulatie, shortcuts en representatie.

Wat volgt is geen handleiding en geen aanklacht, maar een analyse van hoe training, lichaam en cultuur elkaar zijn gaan bevestigen in plaats van corrigeren. Wie zoekt naar beloftes, zal ze hier niet vinden. Wie bereid is het onderscheid te verdragen, mogelijk wel iets anders.

Perfectie is een esthetisch verlangen.
Functioneren is een biologisch criterium.

Met sportieve groet,
Peter Koopman

Over training, simulatie en het lichaam als leugenaar

De verkeerde vraag – waarom “spieren trainen” een categoriefout is

De meeste fouten in denken ontstaan niet doordat mensen slechte antwoorden geven, maar doordat ze de verkeerde vragen stellen. De fitness- en sportwereld vormt daarop geen uitzondering. Integendeel: zij heeft van de verkeerde vraag haar kernactiviteit gemaakt.

Die vraag luidt al decennia hetzelfde: hoe train ik mijn spieren zo effectief mogelijk?
Het is een vraag die logisch klinkt, technisch verfijnd kan worden, en een eindeloze productie van schema’s, apparaten en specialisaties rechtvaardigt. Maar het is ook een vraag die structureel mist wat er werkelijk gebeurt wanneer een mens traint.

Want spieren worden niet getraind. Ze worden gebruikt.
Wat er geleerd wordt, is iets anders.

Spieren als verkeerde eenheid van analyse

Een spier is geen actor. Zij neemt geen beslissingen, formuleert geen strategie en optimaliseert niets. Zij verkort, verlengt of spant aan wanneer zij daartoe wordt aangestuurd. Dat aansturen gebeurt niet lokaal, maar systemisch. Wie spieren tot primaire eenheid van training maakt, verwart uitvoering met organisatie.

Deze verwarring is geen klein detail, maar een categoriefout. Het is alsof men een orkest wil verbeteren door individuele instrumenten harder te stemmen, zonder acht te slaan op timing, dirigentie of compositie. Het geluid wordt luider, maar zelden beter.

In functionele zin is een spier niets meer dan een kostenpost. Ze verbruikt energie. Het organisme zet haar alleen in wanneer dat binnen een oplossing past die als geheel economisch is. Meer spieractiviteit is geen teken van betere beweging; vaak is het precies het tegenovergestelde.

Beter bewegen betekent doorgaans:
– minder gelijktijdige activatie
– betere timing
– minder overbodige spanning
– snellere ontkoppeling

Dat alles is nauwelijks zichtbaar. En precies daar begint het probleem.

De zichtbaarheid van inspanning versus de onzichtbaarheid van leren

Leren is een traag, rommelig en slecht te etaleren proces. Het laat zich niet makkelijk fotograferen, meten of verkopen. Inspanning daarentegen is zichtbaar, direct en sociaal leesbaar. Zweet, vermoeidheid en spierpomp fungeren als plaatsvervangend bewijs voor effectiviteit.

De fitnesscultuur heeft deze zichtbaarheid tot norm verheven. Wie moe is, heeft “goed getraind”. Wie niet moe is, heeft gefaald — ongeacht wat er werkelijk is geleerd of aangepast. Daarmee verschuift het criterium van training van adaptatienaar vertoon.

Dat is geen onschuldige verschuiving. Het is de overgang van functioneel leren naar symbolische arbeid.

Function versus fashion: twee logica’s

Hier doemt de kerntegenstelling op die dit hele essay structureert: FUNCTION versus FASHION.

Functioneel trainen betekent:
het verbeteren van oplossingsstrategieën voor beweging onder belasting. Het lichaam past zich aan door efficiënter om te gaan met krachten, timing en stabiliteit. Het uiterlijk dat daar eventueel uit voortkomt is een bijproduct. Onbedoeld. Niet afdwingbaar.

Fashioneel trainen betekent:
het nastreven van een uiterlijk effect dat iets moet communiceren — gezondheid, discipline, jeugd, aantrekkelijkheid. De training is hier geen leerproces, maar een productiemiddel voor een beeld.

Beide logica’s kunnen naast elkaar bestaan, maar ze zijn niet compatibel. Zodra fashion het doel wordt, verliest function zijn prioriteit. En zodra function serieus wordt genomen, wordt fashion onbetrouwbaar.

Het lichaam als gevolg versus het lichaam als doel

In biologische zin is het lichaam altijd een weerslag geweest.
Een samenvatting van gedrag, belasting, voeding, stress, slaap, leeftijd en context. Het lichaam vertelt iets, maar het isniets op zichzelf.

De moderne cultuur heeft deze causaliteit omgedraaid. Het lichaam is geen gevolg meer, maar een doel op zich. Een project. Een identiteit. Een belofte.

Men wil niet langer leven op een manier die een bepaald lichaam voortbrengt; men wil een lichaam bezitten dat suggereert dat men zo leeft. Dat verschil is subtiel in formulering, maar radicaal in consequenties.

Het eerste vraagt tijd, frictie en offers.
Het tweede vraagt imitatie, discipline-light en vooral: zichtbaarheid.

De aantrekkelijkheid van shortcuts

Dat deze omkering plaatsvindt, is geen moreel falen. Het is logisch gedrag van een organisme dat gericht is op energie-economie. De mens zoekt altijd de kortste weg naar status, veiligheid en reproductieve kansen. Dat is geen cultuurkritiek, dat is ethologie.

In een omgeving waarin een jong, fit en gespierd uiterlijk sociale voordelen oplevert — status, aandacht, seksuele kansen — is het rationeel om te proberen het teken te verkrijgen zonder de oorzaak. De jas zonder de winter. Het diploma zonder de studie. Het lichaam zonder het leven.

Fitness en wellness-industrieën floreren precies op deze logica. Zij bieden rituelen die lijken op arbeid, maar zelden de structurele consequenties daarvan hebben. Men werkt hard, maar niet noodzakelijk functioneel. Men zweet, maar leert weinig. Men herhaalt, maar verandert nauwelijks.

Waarom “hard werken” zo aantrekkelijk is

Hard werken is sociaal veilig. Het is zichtbaar. Het roept respect op. Niemand hoeft te begrijpen wat je doet, zolang duidelijk is dat je iets doet. In een cultuur die resultaat verwart met inspanning, is dat voldoende.

Functioneel leren daarentegen oogt vaak als het tegenovergestelde. Het vereist aandacht, vertraging, soms zelfs het verminderen van intensiteit. Het vraagt het loslaten van brute kracht ten gunste van betere organisatie. En dat ziet er voor de buitenstaander vaak uit als “minder doen”.

Daarmee ondergraaft functioneel trainen precies de symbolische waarde waarop fashion drijft. En dus wordt het gemarginaliseerd, verdacht gemaakt of gereduceerd tot “niet hard genoeg”.

De fitnesszaal als toneel

De fitnesszaal is in die zin geen leeromgeving, maar een theater. Apparaten zijn rekwisieten. Spiegels zijn publiek. Schema’s zijn scripts. Men speelt de rol van iemand die “aan zichzelf werkt”, ongeacht of er werkelijk iets verandert.

Dat klinkt cynisch, maar het verklaart waarom de sector zo hardnekkig vasthoudt aan spiergroepen, isolatie en vermoeidheid als maatstaven. Ze zijn dramaturgisch perfect. Ze maken inspanning zichtbaar, individueel en meetbaar — precies wat een toneel nodig heeft.

Functioneel leren past slecht in dit decor. Het is te stil, te subtiel en te traag.

De eerste breuklijn

Hiermee is de eerste breuklijn zichtbaar:
niet tussen goed en slecht trainen, maar tussen leren en simuleren.

Zolang training primair gericht is op het produceren van een beeld, zal zij het beeld steeds beter nabootsen — en de functie steeds verder loslaten. Zolang training primair gericht is op functie, zal het beeld onbetrouwbaar, grillig en contextafhankelijk blijven.

Dat is geen tekortkoming. Dat is het verschil.

In het volgende deel verschuift de analyse van deze breuklijn naar het culturele niveau: hoe beeldcultuur, simulatie en statusmechanismen ervoor zorgen dat fitness steeds verder afdrijft van leren — en waarom dat vrijwel onvermijdelijk is.

Maar eerst moest dit gezegd worden, zonder omwegen:

We trainen geen spieren.
We leren bewegingen.
En wie dat verwart, traint uiteindelijk vooral een beeld.

Beeld zonder oorsprong – fitness als simulacrum en cultureel ritueel

Waar in het eerste deel de categoriefout werd blootgelegd — spieren als verkeerde eenheid van analyse — verschuift hier het perspectief. Niet langer het lichaam of de training staat centraal, maar het culturele landschap waarin beide zijn ingebed. Want de hardnekkigheid van de misvatting rond trainen laat zich niet verklaren uit onwetendheid alleen. Zij wordt actief in stand gehouden door een cultuur die het beeld boven de oorzaak heeft verheven.

Dit is het punt waarop training niet langer een functionele activiteit is, maar een symbolische handeling. En precies daar verandert fitness van leren in simulatie.

Van teken naar werkelijkheid

In biologische zin was het lichaam altijd een signaal.
Niet omdat het iets wilde uitdrukken, maar omdat het onvermijdelijk iets verraadde. Spiermassa, houding, vetverdeling en bewegingskwaliteit waren leesbaar als gevolgen van gedrag, voeding, stress, ziekte en omgeving. Het lichaam verwees naar een werkelijkheid buiten zichzelf.

In de moderne beeldcultuur is deze verwijzing instabiel geworden. Het teken is losgeraakt van zijn oorsprong. Het lichaam verwijst steeds minder naar een geleefd leven, en steeds meer naar andere lichamen. Niet naar arbeid, maar naar afbeeldingen van arbeid. Niet naar functie, maar naar esthetische conventies.

Hiermee wordt het lichaam wat Jean Baudrillard een simulacrum noemt:
een teken dat niet langer iets representeert, maar alleen nog circuleert binnen een netwerk van andere tekens. Het fitte lichaam verwijst niet naar kracht, gezondheid of bekwaamheid, maar naar het idee van fitheid zoals dat cultureel is afgesproken.

Fitness als gesloten circuit

De fitnesscultuur functioneert als een gesloten systeem.
Oefeningen verwijzen naar oefeningen. Lichamen naar lichamen. Schema’s naar schema’s. Er is nauwelijks nog een externe maatstaf.

Wanneer iemand zegt “dit werkt”, bedoelt hij zelden: dit maakt mij functioneler in mijn leven. Hij bedoelt: dit brengt mij dichter bij een herkenbaar beeld. Dat beeld is vooraf gedefinieerd — door sociale media, reclame, influencers, tijdschriften — en wordt voortdurend bevestigd door herhaling.

Binnen zo’n systeem is het niet relevant of iets functioneel is. Het hoeft slechts herkenbaar te zijn. Herkenning is voldoende om geloof te creëren.

De rol van vermoeidheid en pijn

In een context waarin functie niet direct zichtbaar is, worden surrogaten nodig. Vermoeidheid is zo’n surrogaat. Spierpijn een ander. Zij fungeren als plaatsvervangend bewijs dat er “iets gebeurd is”.

Deze logica is pervers, maar consistent. Wie vermoeid is, heeft geïnvesteerd. Wie pijn heeft, heeft geleden. En lijden wordt in veel culturen verward met waarde.

Dat verklaart waarom trainingen die objectief weinig leren, maar subjectief zwaar voelen, zo populair zijn. Ze leveren direct bewijs. Ze vragen geen interpretatie. Ze laten zich tonen.

Functioneel leren daarentegen ontneemt vaak deze bevestiging. Wie economischer beweegt, voelt soms juist minder. Minder spanning. Minder strijd. Minder heroïek. En dat voelt — binnen een cultuur die inspanning fetisjeert — verdacht leeg.

Status, paringswaarde en lichaamspolitiek

Onder deze dynamiek ligt een oudere laag, die zelden expliciet wordt benoemd maar alles structureert: status en paringswaarde.

Een jong, fit en gespierd lichaam communiceert levensvatbaarheid. Dat is geen cultureel toeval, maar evolutionair diep verankerd. In vrijwel alle sociale diersoorten fungeren fysieke kenmerken als signalen van gezondheid, kracht en genetische kwaliteit.

De mens is hier geen uitzondering, maar wel een overdrijving. Door bewustzijn, taal en symboliek is het lichaam niet alleen signaal, maar identiteitsdrager geworden. 

De moderne mens is zijn lichaam niet geworden. Hij is het lichaam gaan behandelen als object.

Wat oorspronkelijk een zichtbaar oppervlak was van een regulerend organisme, is verzelfstandigd tot project, bezit en teken. Het lichaam verschijnt als iets dat kan worden beheerst, gevormd, verbeterd en beoordeeld, terwijl het organisme — dat regelt, compenseert en zich aanpast buiten bewuste controle — uit beeld verdwijnt.

In deze verschuiving wordt niet het lichaam geleefd, maar het lichaam geëxploiteerd. Het fungeert als interface tussen organisme en cultuur: zichtbaar, vergelijkbaar en manipuleerbaar.

Het bewustzijn projecteert op dit lichaam een ‘ik’ — een narratief centrum dat betekenis, intentie en identiteit suggereert — en verwart deze projectie met een individu. Het resultaat is een lichaam dat iets moet voorstellen, terwijl het organisme slechts probeert te reguleren wat er gebeurt.

Fitness richt zich vrijwel uitsluitend op dit lichaam-als-object. Het organisme, dat leert door verstoring, timing en reductie van kosten, blijft onzichtbaar en onbegrepen.

Niet het lichaam leeft, maar het organisme regelt.
Het ‘ik’ kijkt toe, verzint betekenis, en noemt dat zichzelf.

Dat maakt het streven naar een bepaald uiterlijk existentieel beladen. Het gaat niet om sport of gezondheid, maar om erkenning, begeerlijkheid en — uiteindelijk — ontkenning van eindigheid.

Fitness als doodsontkenning

Een lichaam dat jong oogt, suggereert toekomst.
Het communiceert: ik ben nog niet aan de beurt. In een cultuur waarin traditionele metafysische kaders zijn weggevallen, is het lichaam een van de laatste tastbare bastions tegen het besef van vergankelijkheid.

Functioneel trainen accepteert veroudering als context. Het erkent dat aanpassing altijd tijdelijk is en dat verlies onvermijdelijk deel uitmaakt van leven.

Fashioneel trainen daarentegen probeert tijd te bevriezen. Het jaagt op het behoud van tekens die ooit functioneel waren, maar nu los zijn geraakt van hun voorwaarden. Dat is geen oppervlakkigheid, maar angstmanagement.

Waarom simulatie aantrekkelijker is dan transformatie

Werkelijke transformatie is traag, onvoorspelbaar en onomkeerbaar. Zij vraagt dat gedrag, prioriteiten en soms identiteit veranderen. Simulatie daarentegen is reversibel. Men kan het pak aantrekken en weer uittrekken. Vandaag fit, morgen niet. Geen structurele consequenties.

Voor een organisme dat risico minimaliseert, is dat aantrekkelijk. Simulatie biedt de voordelen van het teken zonder de kosten van de oorzaak.

Daarom bloeit een cultuur van:
– tijdelijke challenges
– esthetische programma’s
– zichtbare vermoeidheid
– en eindeloze variatie zonder verdieping

Niet omdat mensen dom zijn, maar omdat het energetisch goedkoper is.

De fitnessindustrie als facilitator

De industrie speelt hierin geen kwade rol; zij volgt vraag. Apparaten, schema’s en supplementen zijn ontworpen om beeldproductie te ondersteunen. Zij leveren controleerbaarheid, meetbaarheid en zichtbaarheid — allemaal elementen die simulatie versterken.

Wat zij zelden leveren, is contextverlies. Functioneel leren vereist immers dat vertrouwde oplossingen tijdelijk niet werken. Dat is frustrerend, onzeker en slecht verkoopbaar.

Een systeem dat gericht is op behoud van klanten, niet op ontregeling, zal altijd kiezen voor fashion boven function.

De onmogelijkheid van populariteit

Hier wordt een ongemakkelijke waarheid zichtbaar:
een systeem dat function centraal stelt, kan niet massaal populair zijn.

Het ontneemt mensen hun shortcuts. Het relativeert hun inspanning. Het weigert het eindbeeld te beloven. En het confronteert hen met de vraag die men juist probeert te vermijden: waarvoor doe ik dit eigenlijk?

Dat maakt functioneel trainen elitair noch moreel superieur, maar structureel marginaal. Het past slecht in een cultuur die beeld boven proces verkiest.

De tweede breuklijn

Waar ik eerder de breuklijn trok tussen spier en beweging, trekt dit deel haar tussen werkelijkheid en representatie.

Fitness is niet mislukt omdat zij te weinig weet, maar omdat zij te veel verbeeldt. Zij produceert lichamen die iets moeten betekenen, in plaats van lichamen die iets kunnen.

En zolang dat zo blijft, zal het grootste deel van de training geen leren zijn, maar ritueel. Een herhaling die geruststelt, bevestigt en bezweert — zonder werkelijk te veranderen.

In het volgende deel verschuift de focus opnieuw. Niet naar cultuur, maar terug naar het lichaam — ditmaal niet als teken, maar als lerend systeem. Daar wordt zichtbaar waarom efficiëntie altijd reductie is, waarom “harder” zelden “beter” betekent, en waarom echte training onvermijdelijk botst met alles wat fashion nodig heeft om te overleven.

Dit onderscheid — lichaam, organisme en ego — is geen filosofische finesse, maar een noodzakelijke scheiding van niveaus.

Het lichaam is wat verschijnt.
Het organisme is wat regelt.
Het ego is wat er een verhaal van maakt.

Zolang training wordt begrepen op het niveau van het lichaam, blijft zij steken in vorm, uiterlijk en inspanning. Pas wanneer het organisme als lerend systeem centraal komt te staan, wordt zichtbaar wat trainen werkelijk is: het reduceren van kosten in beweging, niet het produceren van beelden.

In het volgende deel verschuift de analyse daarom van cultuur naar fysiologie — niet naar spieren, maar naar leren. Niet naar kracht, maar naar organisatie. Niet naar harder werken, maar naar economischer handelen.

Het lichaam verschijnt.
Het organisme handelt.
Het ego fantaseert een ‘ik’.

Fashion richt zich op het lichaam.
Function raakt het organisme.
Het ego wil controle — en krijgt een beeld.

Het organisme leert – waarom training geen spieropbouw is maar kostenreductie

Zodra het onderscheid tussen lichaam, organisme en ego serieus wordt genomen, verandert ook de vraag wat training eigenlijk doet. Niet op papier, maar in werkelijkheid. Wat zichtbaar wordt, is ongemakkelijk eenvoudig: het organisme leert geen spieren aan te sturen, maar oplossingen goedkoper te maken. Alles wat dat proces verstoort — spektakel, vermoeidheid, maximale inspanning — staat leren eerder in de weg dan dat het het bevordert.

Dit is het punt waarop FUNCTION en FASHION niet langer theoretische tegenpolen zijn, maar praktisch onverenigbaar.

Het organisme als probleemoplosser

Het organisme is geen spierverzamelaar. Het is een regulerend systeem dat voortdurend problemen oplost: hoe verplaats ik massa, hoe behoud ik stabiliteit, hoe reageer ik op verstoring, hoe beperk ik schade en energieverlies. Deze problemen worden niet lokaal opgelost, maar globaal. Het systeem kijkt niet naar spieren, maar naar uitkomsten.

Wanneer een taak herhaald wordt, gebeurt er iets fundamenteels anders dan wat men meestal denkt. Het organisme zoekt niet naar meer activatie, maar naar minder noodzaak. Het leert:
– overbodige spanning weglaten
– timing verfijnen
– volgorde optimaliseren
– redundantie afbouwen

Dat is leren. En leren is altijd reductie.

Waarom spiergroei een bijwerking is

Spierhypertrofie kan optreden tijdens training, maar zij is geen doelvariabele van het organisme. Zij is een bijproduct van herhaalde belasting binnen bepaalde grenzen. Zodra hypertrofie het doel wordt, verschuift de aandacht van organisatie naar lokale uitputting.

Dit is precies waarom spiergerichte schema’s zo populair zijn: ze sluiten aan bij het lichaam-als-object. Ze zijn zichtbaar, lokaal, meetbaar en eenvoudig te controleren. Maar ze leren het organisme nauwelijks iets nieuws. Integendeel: ze verankeren bestaande oplossingen door steeds dezelfde patronen te overbelasten.

Functioneel leren vraagt juist het tegenovergestelde: het tijdelijk onbruikbaar maken van automatische oplossingen.

Constraint-manipulatie in plaats van instructie

Het organisme leert niet door uitleg, maar door constraints. Door beperkingen die bestaande oplossingen onder druk zetten. Andere tempo’s, andere steunpunten, andere asymmetrieën, andere timing. Niet om creatief te zijn, maar om het systeem te dwingen tot herorganisatie.

Daarom zijn tempoveranderingen, pauzes, unilateraal werk en karakterwisselingen geen technieken, maar leerprikkels. Ze zijn niet bedoeld om het zwaar te maken, maar om het onhandig te maken. Onhandigheid is de voorwaarde voor leren.

Alles wat te soepel gaat, wordt niet herzien.

Vermoeidheid als vijand van leren

Een van de meest hardnekkige misverstanden is dat vermoeidheid leren zou verdiepen. In werkelijkheid doet zij meestal het tegenovergestelde. Vermoeidheid vernauwt oplossingsruimte. Het organisme grijpt terug op robuuste, maar inefficiënte noodstrategieën. Compensatie neemt toe. Variatie verdwijnt.

Dat voelt “hard”, maar het is conservatief gedrag. Het systeem beschermt zichzelf. Leren vereist juist voldoende marge om alternatieven te verkennen. Dat betekent: submaximale belasting, herhaalbaarheid en aandacht.

FASHION heeft vermoeidheid nodig als bewijs.
FUNCTION kan haar zich zelden permitteren.

Het ego en de behoefte aan intensiteit

Hier speelt het ego zijn bekende rol. Intensiteit geeft betekenis. Het rechtvaardigt tijd, moeite en identiteit. Wie zich leeg voelt na training, heeft iets gedaan. Dat is psychologisch begrijpelijk, maar motorisch irrelevant.

Het ego wil voelen dat het regeert. Het organisme wil alleen dat het goedkoop blijft functioneren.

Daarom botst functioneel trainen zo vaak met beleving. Het voelt te licht, te saai, te weinig heroïsch. Totdat het effect zich buiten de training manifesteert: betere controle, minder verspilling, meer robuustheid. Maar dat effect is indirect, vertraagd en slecht te claimen.

Voor FASHION is dat dodelijk. Voor FUNCTION is het precies de bedoeling.

Variatie als leerstrategie, niet als entertainment

Variatie is alleen zinvol wanneer zij gericht is. Niet als afleiding, maar als systematische verstoring van bestaande patronen. Variatie zonder structuur leidt tot ruis. Structuur zonder variatie leidt tot fixatie. Leren zit precies daartussenin.

Daarom werkt een vast frame met wisselende uitvoering. Het organisme herkent de taak, maar wordt gedwongen haar anders op te lossen. Dat vergroot oplossingsruimte en verlaagt de kans op overbelasting. Het bouwt geen “spier”, maar competentie.

FASHION gebruikt variatie om verveling te maskeren.
FUNCTION gebruikt variatie om automatisme te ondermijnen.

Efficiëntie is geen stijl, maar uitkomst

Efficiënt bewegen ziet er zelden indrukwekkend uit. Het oogt kalm, soms zelfs nonchalant. Er is weinig overbodige spanning, weinig drama. Dat maakt het cultureel verdacht. In een wereld die inspanning verwart met waarde, lijkt efficiëntie op luiheid.

Maar biologisch gezien is efficiëntie het hoogst haalbare resultaat. Elk organisme dat niet efficiënt handelt, wordt op termijn uitgesorteerd — door vermoeidheid, blessure of irrelevantie.

Training die efficiëntie niet centraal stelt, traint geen toekomstbestendig gedrag.

De onvermijdelijke frictie met FASHION

Hier wordt duidelijk waarom functioneel trainen structureel botst met alles wat fashion nodig heeft om te bestaan. Het:
– ontneemt zichtbare bevestiging
– reduceert heroïek
– relativeert intensiteit
– en maakt het ego secundair

Dat maakt het moeilijk verkoopbaar, lastig te promoten en slecht geschikt voor snelle beloftes. Maar het maakt het ook eerlijk.

Wie functioneel traint, traint geen identiteit.
Hij traint aanpassing.

Naar het slot toe

Na deze drie delen is de contour helder.
Niet omdat alles is uitgelegd, maar omdat de niveaus uit elkaar zijn gehaald:

– Het lichaam verschijnt als object.
– Het organisme leert door kostenreductie.
– Het ego verlangt betekenis en zichtbaarheid.

FASHION bedient het ego via het lichaam.
FUNCTION raakt het organisme ondanks het ego.

In het laatste deel zal duidelijk worden wat dit alles betekent voor training, coaching en cultuur — en waarom een functioneel systeem niet kan doen alsof het iedereen dient. Niet uit elitisme, maar uit consequentie.

Maar eerst dit, zonder verzachting:

Wie spieren wil trainen, traint een beeld.
Wie beweging wil leren, moet het organisme ongemak toestaan.

Geen oplossing – consequenties van FUNCTION in een FASHION-cultuur

Na het uiteenrafelen van lichaam, organisme en ego; na het blootleggen van simulatie, statusmechanismen en motorisch leren; blijft er geen elegante afronding over. Dat is geen tekortkoming van de analyse, maar haar logische eindpunt. Wie FUNCTION serieus neemt, kan geen universele belofte doen. En wie dat toch probeert, vervalt opnieuw in FASHION.

Dit slot is daarom geen conclusie, maar een grensstelling.

Function is exclusief, of het is niets

Een functioneel trainingssysteem kan niet iedereen bedienen. Niet omdat mensen tekortschieten, maar omdat FUNCTION eisen stelt die botsen met dominante culturele drijfveren. Het vraagt tijd zonder garantie, inzet zonder zichtbaar bewijs, en leren zonder onmiddellijke beloning.

Dat maakt FUNCTION structureel exclusief. Niet sociaal, maar biologisch. Alleen systemen die bereid zijn om korte-termijnbevrediging op te offeren, kunnen lange-termijnadaptatie dragen.

Elke poging om FUNCTION “toegankelijk” te maken door haar te verzachten, eindigt in FASHION. Onvermijdelijk.

Coaching zonder illusies

Dit heeft directe consequenties voor de rol van trainer, coach of docent. Wie functioneel wil werken, kan geen leverancier zijn van motivatie, identiteit of zelfbeeld. Hij kan hooguit condities creëren waarin leren mogelijk wordt.

Dat betekent:
– geen beloftes over uiterlijk
– geen morele claims over discipline
– geen psychologisch theater rond “doorzetten”

De coach wordt daarmee geen inspirator, maar een architect van frictie. Iemand die weet wanneer hij moet ingrijpen, en vooral wanneer hij moet zwijgen.

Dat is een ondankbare rol in een cultuur die applaus verwart met effect.

De fitnesszaal herzien

Binnen dit kader verandert ook de betekenis van de fitnesszaal. Zij is geen tempel van gezondheid, geen fabriek van lichamen, en geen therapieruimte. Zij is hooguit een context waarin organismen worden blootgesteld aan verstoringen.

Wie daar betekenis aan wil ontlenen — identiteit, moraal, zingeving — zal haar altijd misbruiken. De zaal kan niet leveren wat zij belooft, omdat zij nooit daarvoor bedoeld was.

FUNCTION accepteert deze leegte.
FASHION vult haar op met verhalen.

Waarom dit niet populair kan zijn

Populariteit vereist herhaalbaarheid, eenvoud en bevestiging. FUNCTION biedt geen van drie. Het levert variatie, onzekerheid en uitgestelde opbrengst. Dat maakt het ongeschikt voor massale adoptie.

Elke poging om het alsnog populair te maken, zal het onherkenbaar veranderen. Dat is geen cynisme, maar systeemlogica.

Daarom bestaan functionele benaderingen altijd aan de randen: bij vakidioten, specialisten, atleten, of mensen die al genoeg hebben gezien om niet meer verleid te worden door beeld.

De rol van het ego (nog één keer)

Het ego verdwijnt hier niet. Het wordt slechts ontmaskerd. Het blijft verhalen produceren, betekenis eisen, en zichzelf centraal stellen. FUNCTION probeert het ego niet te vernietigen, maar te negeren waar het stoort.

Dat is misschien de hardste consequentie: functioneel trainen is onpersoonlijk. Het gaat niet over wie je bent, maar over wat het organisme leert.

Voor velen is dat ondraaglijk. En terecht — want het ego verliest zijn podium.

FUNCTION en FASHION naast elkaar

Dit essay is geen pleidooi om FASHION af te schaffen. Dat zou opnieuw een categorieverwarring zijn. FASHION vervult sociale functies: status, herkenning, spel, expressie. Zij is niet fout, maar iets anders.

Het probleem ontstaat alleen wanneer men doet alsof FASHION FUNCTION is. Wanneer beeld wordt verkocht als adaptatie. Wanneer zweet wordt verward met leren.

Zolang dat onderscheid niet expliciet wordt gemaakt, blijft training een ritueel zonder richting.

Wat overblijft

Na alles wat gezegd is, blijft er weinig over om vast te houden. Geen schema. Geen methode. Geen identiteit. Alleen een scherp onderscheid:

– Het lichaam verschijnt.
– Het organisme regelt.
– Het ego vertelt verhalen.

FUNCTION richt zich op het organisme.
FASHION bedient het ego via het lichaam.

Wie dat onderscheid kan verdragen, heeft geen motivatie nodig.
Wie het niet kan verdragen, zoekt terecht iets anders.

Slot – zonder belofte

Dit is geen oproep tot beter trainen.
Geen uitnodiging tot bewustwording.
Geen programma voor verandering.

Het is slechts een poging om te stoppen met liegen over wat training is.

Wie functioneel wil werken, zal minder indruk maken.
Wie indruk wil maken, zal zelden functioneel werken.

Daar zit geen oplossing tussen.
Alleen een keuze.

FUNCTION vraagt leven.
FASHION vraagt een beeld.
Verwar ze niet.

Literatuurlijst 

Baudrillard, J. (1981). Simulacra and simulation (S. F. Glaser, Trans.). University of Michigan Press.

Becker, E. (1973). The denial of death. Free Press.

Bernstein, N. A. (1967). The coordination and regulation of movements. Pergamon Press.

Bosch, F. (2015). Strength training and coordination: An integrative approach. Uitgeverij Nieuwezijds.

Debord, G. (1967). The society of the spectacle (K. Knabb, Trans.). Zone Books.

Hume, D. (1739/2000). A treatise of human nature. Oxford University Press.

Illich, I. (1975). Medical nemesis: The expropriation of health. Pantheon Books.

La Mettrie, J. O. de. (1747/1996). Man a machine (A. Thomson, Trans.). Hackett Publishing.

Metzinger, T. (2009). The ego tunnel: The science of the mind and the myth of the self. Basic Books.

Miller, G. (2000). The mating mind: How sexual choice shaped the evolution of human nature. Doubleday.

Morris, D. (1967). The naked ape: A zoologist’s study of the human animal. McGraw-Hill.

Nietzsche, F. (1886/2002). Beyond good and evil (J. Norman, Trans.). Cambridge University Press.

Postman, N. (1985). Amusing ourselves to death: Public discourse in the age of show business. Viking Penguin.

Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The biology of humans at our best and worst. Penguin Press.

Schmidt, R. A., & Lee, T. D. (2019). Motor control and learning: A behavioral emphasis (6th ed.). Human Kinetics.

Seth, A. (2021). Being you: A new science of consciousness. Faber & Faber.

Ook interessant voor jou!