Democratie. Een drieluik, deel 3. Zou u op iemand stemmen die in kabouters gelooft?

Democratie. Een drieluik, deel 3. Zou u op iemand stemmen die in kabouters gelooft?

Geachte lezer,

In de Verenigde Staten gelooft ongeveer 60% van de bevolking in engelen. Al deze mensen mogen stemmen. Voor een rijbewijs doe je examen. Voor de keuze wie het grootste nucleaire arsenaal ter wereld beheert, hoef je niets aan te tonen.

Bijgaand drie essays over wat democratie werkelijk is, waar ze vandaan komt, en wat er van geworden is. Zowel aan de religieuze als aan de progressieve kant van het politieke spectrum. De conclusie is niet troostend. Maar ze is wetenschappelijk onderbouwd, wat in dit geval bijna hetzelfde is als cynisch.

Het dogma heeft niet plaatsgemaakt voor de rede. Het heeft van shirt gewisseld.

Peter Koopman

Het shirt gewisseld

San Francisco, zomer 1967. De bloemen in de haren, de lsd in het bloed, de vrijheid als programma. Make love not war. Weg met de autoriteit. Weg met het dogma. Weg met de seksuele moraal die je op school werd ingestampt door mensen die zelf niet wisten wat ze misten. De hippiebeweging was veel dingen tegelijk, naïef, zelfoverschattend, commercieel gekaapt binnen twee seizoenen, maar de kern was serieus gemeend: de mens als vrij wezen, het lichaam als eigen terrein, de gedachte als onaantastbaar domein.

Die mensen zijn nu zeventig of tachtig. Hun intellectuele erfgenamen besturen universiteiten, redacties, HR-afdelingen, gemeenteraden en subsidiecommissies. En ze hebben precies de controlemechanismen heringevoerd die ze beloofden te slechten. Ander vocabulaire. Identieke architectuur.

Dit is het derde sprookje, en het meest recente.

De mechanismen zijn vertrouwd

Schaamte als handhavingsinstrument. Uitstoting als sanctie. Orthodoxie als toegangskaart tot de gemeenschap. Wie afwijkt van de vastgestelde lijn krijgt geen argument maar een label. Niet een ban, zoals Spinoza’s gemeenschap hem gaf, maar iets functioneel identiek: het label fascist, racist, transfoob, islamofoob, extreem rechts. De terminologie is modern. De techniek is oud.

De Inquisitie werkte ook met categorieën. Ketter. Heks. Sodomiet. Wie in een categorie viel was klaar; verdediging verergerde de verdenking. Het huidige equivalent heet cancelcultuur, wat een lelijk woord is voor een reëel mechanisme: het publieke equivalent van de cherem waarmee Spinoza’s gemeenschap hem het zwijgen oplegde. Aangejaagd via platforms die snelheid boven nauwkeurigheid stellen en verontwaardiging boven verificatie.

Haidt en Lukianoff beschreven in ‘The Coddling of the American Mind’ hoe een generatie studenten is grootgebracht met drie grote onwaarheden: dat je gedachten je kunnen beschadigen, dat het leven een strijd is tussen goeden en slechten, en dat je gevoelens de maatstaf zijn voor de werkelijkheid. Het resultaat is een morele cultuur die identiek is aan de religieuze morele cultuur die ze dacht te vervangen. Gevoel als bewijs. Gemeenschap als rechter. Afwijking als gevaar.

De seksuele regulering van links

Elke religie reguleert seks, schreven we eerder. De progressieve beweging doet hetzelfde, alleen is de richting van de regulering verschoven en is het vocabulaire veranderd van zonde naar consent-protocol.

Dit is geen kleinigheid. De seksuele revolutie van de jaren zestig was een aanval op precies dat religieuze controlemechanisme. Vrije seks, vrij lichaam, geen schaamte. Wat er nu voor in de plaats is gekomen is een even rigide systeem van wat mag, met wie, hoe en onder welke verbale condities, waarbij overtreding van de regels equivalent is gesteld aan misdaad. De regels zelf zijn soms zinvol. Maar het handhavingsmechanisme, de sociale doodverklaring zonder procedure, het principe van guilty until proven innocent in de rechtbank van Twitter, dat is religieuze logica in seculiere kleding.

Foucault, die de progressieve beweging graag citeert, zou dit herkennen als precies het mechanisme dat hij analyseerde: macht die zich inschrijft in het discours over seksualiteit, die bepaalt wat gezegd mag worden, wat gevoeld mag worden, en wie het recht heeft te spreken. Hij analyseerde hoe de Victoriaanse seksuele moraal niet verdween maar transformeerde in een proliferatie van categorieën en regels. Hetzelfde patroon herhaalt zich, met andere categorieën en andere regels, maar met dezelfde behoefte aan controle over het meest persoonlijke domein.

De vrouwen die links in de steek laat

Dan de contradictie die het hardst snijdt. De beweging die voortkomt uit het feminisme van de tweede golf, die Simone de Beauvoir en Mary Wollstonecraft als geestelijke moeders erkent, beschermt nu praktijken die die moeders als barbaars zouden hebben gekwalificeerd.

Meisjesbesnijdenis is in Nederland strafbaar. In de politieke praktijk wordt het nauwelijks vervolgd, omdat vervolging kwetsbare gemeenschappen zou stigmatiseren. Uithuwelijking is officieel verboden. In de praktijk wordt het zelden aangepakt om dezelfde reden. Femicide, de systematische moord op vrouwen door familieleden die de familieeer willen herstellen, wordt in progressieve kringen met grote omzichtigheid benaderd omdat de daders tot minderheidsgroepen behoren die bescherming verdienen.

De Beauvoir schreef in ‘Le Deuxième Sexe’ dat vrouwen niet als vrouwen worden geboren maar als vrouwen worden gemaakt, door cultuur, door systemen, door mannen die belang hebben bij hun onderwerping. Haar analyse gold universeel. Cultuur was geen excuus; cultuur was het probleem. Vijfenzeventig jaar later geldt in progressieve kringen dat cultuur het excuus is. Dat westerse normen niet van toepassing zijn op niet-westerse praktijken. Dat het oordelen over vrouwenonderdrukking in andere culturen zelf een vorm van onderdrukking is.

Dit is geen intellectuele positie. Het is een politieke positie die vrouwen offert op het altaar van groepssolidariteit. De vrouwen die worden besneden, uitgehuwelijkt of vermoord, zijn ook een groep. Zij verdienen ook solidariteit. Maar zij zijn niet electoraal nuttig, en hun onderdrukkers behoren tot gemeenschappen die links als bondgenoot beschouwt.

Ayaan Hirsi Ali noemde dit en werd voor haar moeite weggezet als rechts. Irshad Manji noemde dit en werd islamofoob verklaard. Het patroon is consistent: wie de contradictie benoemt krijgt het label dat de discussie beëindigt. Precies zoals ketters werden behandeld door instituties die hun autoriteit niet konden verdedigen met argumenten.

Een contradictie in termen

Politieke islam is een contradictie in termen op dezelfde manier als politiek christendom dat is: een systeem dat zijn legitimiteit ontleent aan een buitenmenselijke autoriteit kan geen democratisch systeem zijn, want democratie ontleent haar legitimiteit aan menselijke consensus. Dit is niet ingewikkeld. Het is de basisfilosofie van Spinoza, Locke en Grotius, de mensen die het systeem bouwden.

Toch is de progressieve beweging de meest consistente verdediger geworden van de politieke ruimte voor islamistische partijen en bewegingen in westerse democratieën, terwijl ze gelijktijdig christelijke politieke bewegingen met groot wantrouwen tegemoet treedt. De asymmetrie is niet principieel. Ze is tribaal. Moslims zijn in de westerse context een minderheidsgroep die bescherming verdient; christenen zijn de dominante cultuur die bekritiseerd mag worden. Het principe van scheiding van kerk en staat wordt selectief toegepast op basis van de demografische positie van de geloofsgemeenschap.

Spinoza’s principe was universeel of het was niets. Religie hoort buiten de politieke legitimatie, alle religie, niet de religie van de meerderheid en niet de religie van de minderheid. Zodra het principe selectief wordt toegepast is het geen principe meer maar een stamwapen.

De nieuwe dogmatiek

De hippie van 1967 was anti-dogmatisch. Dat was het punt. Geen autoriteit, geen vastgestelde waarheid, geen straf voor afwijking. Vijftig jaar later heeft de intellectuele erfgename van die beweging een orthodoxie gebouwd die op alle punten het tegendeel is.

Er zijn vastgestelde waarheden over gender, ras, klasse, cultuur en geschiedenis. Afwijking van die waarheden is geen intellectuele positie maar een morele fout, strafbaar met sociale uitsluiting. De autoriteit die deze waarheden vaststelt is niet God maar de gemeenschap, wat in de praktijk betekent: de meest luidruchtige fractie van de gemeenschap op het meest invloedrijke moment. Dat is geen verbetering ten opzichte van het concilie van Nicaea. Het is hetzelfde met een betere wifi-verbinding.

Thomas Kuhn beschreef hoe wetenschappelijke paradigma’s niet worden verlaten omdat ze worden weerlegd maar omdat de generatie die erin gelooft uitsterft. Hetzelfde geldt voor politieke paradigma’s. De mensen die geloofden in vrije gedachte als absolute waarde zijn dood of oud. Hun erfgenamen geloofden in de uitkomsten van vrije gedachte, niet in het principe zelf. Zodra de uitkomsten niet meer overeenstemmen met de gewenste werkelijkheid, gaat de vrijheid van gedachte overboord.

Stemt u op een bestuurder die in spoken gelooft?

De vraag waarmee dit drieluik begon keert terug, maar met een verbreed adres. Want spoken bestaan in vele gedaanten.

De religieuze spoken zijn bekend: engelen, demonen, een schepper die de kosmos in zes dagen bouwde en daarna rustte. Maar er zijn ook seculiere spoken. De overtuiging dat de geschiedenis een morele boog heeft die naar rechtvaardigheid buigt, zonder dat iemand verklaart welk mechanisme die boog doet buigen. De overtuiging dat de juiste woorden de werkelijkheid veranderen, dat taalregulering gedragsregulering produceert. De overtuiging dat een groep mensen hun identiteit transcendeert zodra ze de juiste politieke opvattingen hebben, en een andere groep hun identiteit nooit transcendeert, ongeacht hun opvattingen.

Dit zijn geen empirische posities. Het zijn geloofsposities. Ze worden niet met bewijs verdedigd maar met verontwaardiging. Wie ze betwist is niet incorrect maar slecht, wat het religieuze denkpatroon bij uitstek is: ketterij als morele categorie, niet als intellectuele.

De Verlichtingsdenkers waarop de democratie is gebouwd hadden één centraal project: de scheiding van moreel oordeel en empirische werkelijkheid. Feiten zijn feiten ongeacht of ze passen in het gewenste verhaal. Dat project is onder vuur van twee kanten. De religieuze kant zegt: Gods waarheid overstijgt menselijke feiten. De progressieve kant zegt: geleefde ervaring overstijgt objectieve feiten. Beide posities zijn epistemologisch identiek. Beide maken het onmogelijk om een argument te voeren dat een gelovige kan overtuigen.

Spinoza schreef in zijn ‘Tractatus’ dat bijgeloof voortkomt uit angst en zijn kracht ontleent aan hoop. De angst en de hoop zijn veranderd. Het bijgeloof niet.

Het dogma heeft niet plaatsgemaakt voor de rede. Het heeft van shirt gewisseld.

* * *

Literatuur

Filosofie en politieke theorie

Spinoza, B. (1670). Tractatus Theologico-Politicus. Amsterdam: Jan Rieuwertsz.

Grotius, H. (1625). De Jure Belli ac Pacis. Parijs.

Locke, J. (1689). Two Treatises of Government. Londen: Awnsham Churchill.

Hobbes, T. (1651). Leviathan. Londen: Andrew Crooke.

Montesquieu, C. (1748). De l’esprit des lois. Genève: Barillot & fils.

Rousseau, J.J. (1762). Du contrat social. Amsterdam: Marc-Michel Rey.

Wollstonecraft, M. (1792). A Vindication of the Rights of Woman. Londen: Joseph Johnson.

De Beauvoir, S. (1949). Le Deuxième Sexe. Parijs: Gallimard.

Psychologie en gedragswetenschap

Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. New York: Farrar, Straus and Giroux.

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People are Divided by Politics and Religion. New York: Pantheon.

Haidt, J. & Lukianoff, G. (2018). The Coddling of the American Mind. New York: Penguin Press.

Trivers, R. (1985). Social Evolution. Menlo Park: Benjamin/Cummings.

Buss, D.M. (1994). The Evolution of Desire. New York: Basic Books.

Tangney, J.P. & Dearing, R.L. (2002). Shame and Guilt. New York: Guilford Press.

Biologie en evolutie

Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene. Oxford: Oxford University Press.

Wrangham, R. (2019). The Goodness Paradox: The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. New York: Pantheon.

Sapolsky, R. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. New York: Penguin Press.

De Waal, F. (1982). Chimpanzee Politics. Londen: Jonathan Cape.

Maatschappijkritiek en cultuuranalyse

Foucault, M. (1975). Surveiller et punir. Parijs: Gallimard.

Foucault, M. (1976). La Volonté de savoir (Histoire de la sexualité, vol. 1). Parijs: Gallimard.

Schoeck, H. (1966). Envy: A Theory of Social Behaviour. New York: Harcourt, Brace & World.

Sloterdijk, P. (1983). Kritik der zynischen Vernunft. Frankfurt: Suhrkamp.

Kuhn, T.S. (1962). The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.

Geertz, C. (1973). The Interpretation of Cultures. New York: Basic Books.

Bloom, P. (2016). Against Empathy: The Case for Rational Compassion. New York: Ecco Press.

Hirsi Ali, A. (2004). De zoontjesfabriek. Amsterdam: Augustus.

Manji, I. (2003). The Trouble with Islam. Toronto: Random House Canada.

Bayle, P. (1697). Dictionnaire historique et critique. Rotterdam: Reinier Leers.

* * *

Ook interessant voor jou!