Beste Lezer,
Stel je voor: je gelooft dat de overheid je helpt, dat ze empathisch en sociaal is, en dat je vrij bent om je eigen keuzes te maken. Verrassing: het grootste deel van je gehoorzaamheid is gewoon berekende angst.
In mijn nieuwste essay “De Staat als Geïnstitutionaliseerde Angst” duik ik in de ongemakkelijke waarheid achter gezag, sympathie en dreiging. Van Hobbes tot Freud, van Foucault tot Taleb: de menselijke natuur laat zich niet misleiden door goedbedoelde woorden of morele gebaren. Angst is en blijft de universele motor van orde — sympathie is slechts het decor.
Het essay leest als een wandeling langs de kronkelige paden van macht en psychologie, met een scherp oog voor ironie en een lichte glimlach op de lippen. Of zoals ik het zou samenvatten: wij denken dat we vrij zijn, maar het systeem weet dat we dat niet zijn… en wij knikken braafjes.
Durf je het te lezen? Klik hier [link invoegen] en ontdek waarom de staat niet sympathiek is, maar wel verrassend effectief.
Met kritische groet,
Peter Koopman
De Staat als Geïnstitutionaliseerde Angst Over gezag, sympathie en de noodzaak van dreiging
De moderne mens heeft een opmerkelijke gave ontwikkeld: hij weet zich te laten regeren door wat hij zelf heeft voortgebracht, en noemt dat vrijheid. Hij vertrouwt op instanties die hij niet begrijpt, gehoorzaamt wetten die hij niet heeft geschreven, en gelooft dat hij autonoom is, zolang hij zijn keus tussen drie merken pindakaas mag behouden. De staat is, kortom, een gesofisticeerde illusie van orde. En orde, zo leert de geschiedenis telkens opnieuw, rust niet op sympathie, maar op angst.
De staat is het product van angst, en tegelijkertijd haar beheerder. Angst is de grondstof van gezag; macht is haar geconcentreerde vorm. Wie zegt dat de overheid er is “om mensen te helpen”, verwart moraal met mechaniek. De staat helpt slechts in zoverre dat hulp de stabiliteit vergroot. Zodra hulp chaos dreigt te veroorzaken, verandert ze in dwang. Achter elk vriendelijk formulier schuilt een sanctie; achter elk burgerloket een politiereglement. De lach van de ambtenaar is de glimlach van een systeem dat weet dat je uiteindelijk betaalt.
De illusie van de “sympathieke staat” – de overheid die luistert, begrijpt, troost en betuttelt – is een laat product van het humanisme. Sinds de Verlichting heeft men geprobeerd het monster van Hobbes in een maatpak te steken. Men wilde de Leviathan huiselijk maken, sociaalvaardig, inclusief. De macht zou niet langer gebaseerd zijn op angst, maar op rede, dialoog en consensus. Men droomde van gezag zonder dreiging – van een vader zonder strengheid. Maar een vader zonder strengheid is een clown, en een staat zonder dreiging een decorstuk.
De burger heeft het systeem verward met zijn spiegelbeeld. Men gelooft dat de overheid empathisch moet zijn, omdat men zélf empathie als hoogste morele norm is gaan beschouwen. De politiek als therapie, bestuur als emotioneel management. En zo kwam de staat terecht in de paradox van sympathie: hoe menselijker haar toon, hoe minder ze wordt gerespecteerd. Want sympathie ondermijnt afstand, en afstand is de zuurstof van gezag.
Het fundament van gezag is niet liefde, maar geloof. En geloof ontstaat niet door overtuiging, maar door ontzag. Max Weber begreep dat feilloos toen hij schreef over Herrschaft: gezag bestaat alleen zolang mensen geloven dat het legitiem is – en die legitimiteit rust uiteindelijk niet op rechtvaardigheid, maar op angst voor wat er gebeurt als ze wegvalt. De moderne democratie heeft dit geloof verward met vertrouwen. Vertrouwen kan worden verdiend; geloof moet worden afgedwongen.
De burger die zijn overheid vertrouwt, zal haar bevragen; de burger die haar vreest, zal haar gehoorzamen. En dat verschil maakt orde mogelijk.
2.
De geschiedenis van de macht is in wezen de geschiedenis van angstbeheer. De farao, de keizer, de koning — ze regeerden niet enkel door zwaarden, maar door symbolen die angst structureerden. Angst zonder structuur leidt tot paniek; gestructureerde angst heet gezag.
Thomas Hobbes, de Britse grondlegger van het moderne staatsdenken, had dat scherp door. In Leviathan (1651) schildert hij de mens als een wezen dat gedreven wordt door angst voor de dood en verlangen naar veiligheid. Zonder een superieure macht die deze angst tempert, vervalt de mens in de “oorlog van allen tegen allen”. De soeverein is niet de vijand van vrijheid, maar haar voorwaarde. Angst wordt zo niet onderdrukt, maar gecultiveerd — gekanaliseerd naar gehoorzaamheid.
Hobbes’ inzicht was niet moreel, maar mechanisch. Hij begreep dat angst de enige universele valuta is die alle mensen erkennen. Liefde verdeelt, angst verenigt. Zelfs de meest eigenzinnige individualist past zich aan zodra het risico concreet wordt. De samenleving is dus niets anders dan een collectief systeem van risicobeperking. Het contract dat we met de staat sluiten, is geen pact van vertrouwen, maar een ruil: veiligheid in ruil voor onderwerping.
De staat is de geïnstitutionaliseerde vorm van deze onderwerping. Ze organiseert angst, doseert haar, en gebruikt haar als brandstof voor orde. Foucault zou later schrijven dat macht niet enkel straft, maar produceert: ze creëert gedrag, normen en zelfdiscipline. Angst wordt geïnternaliseerd — niet langer via de knoet, maar via het geweten. Freud noemde dit het Über-Ich, de innerlijke politieagent die ons vertelt wat niet mag. De moderne burger is geen slaaf van de overheid, maar van zijn eigen superego — een bureaucratische echo van angst die permanent toezicht houdt.
Het resultaat: een samenleving van zelfbeheersing, niet uit overtuiging, maar uit anticipatie op straf. De burger volgt regels niet omdat hij ze begrijpt, maar omdat hij geleerd heeft dat overtreding duurder is. Homo economicus, inderdaad — maar niet uit liefde voor de orde, slechts uit rationele schrik.
De ironie is dat de moderne staat deze realiteit niet meer durft te erkennen. Ze wil gezien worden als moreel, sociaal en empathisch. “Vertrouwen in de burger” en “de menselijke maat” zijn mantra’s geworden, alsof herhaling ze waar kan maken. Maar gezag dat zich baseert op sympathie, verliest zijn heilige afstand. En zonder afstand is er geen ontzag.
De echte reden waarom mensen zich aan de regels houden, is niet omdat ze geloven in de goedheid van beleid, maar omdat ze weten dat overtreding gevolgen heeft. Zodra die dreiging verdwijnt, valt het masker. De mens die geen sanctie vreest, is moreel losgeslagen. Dat klinkt hard, maar het is evolutionair logisch: zonder negatieve consequenties zou geen enkel organisme zich consistent aanpassen aan een collectieve norm. Angst is adaptief.
Daarom werkt angst — mits zorgvuldig beheerd — beter dan sympathie. Sympathie wekt verwachtingen, angst schept duidelijkheid. Sympathie is wispelturig, angst is betrouwbaar. Zoals Stalin het nuchter formuleerde: “Angst werkt beter dan sympathie.” Een afgrijselijke zin, maar in zijn koele waarheid de blauwdruk van elke effectieve orde.
3.
De moderne samenleving heeft angst gedepolitiseerd — ze heeft haar vervangen door morele schaamte. Waar vroeger de zweep of de guillotine de orde handhaafden, gebruikt men nu sociale verontwaardiging, reputatieschade, of digitale uitsluiting. De publieke schandpaal is vervangen door het algoritme. De straf is niet langer fysiek, maar symbolisch: je wordt niet meer gevangen, je wordt gecanceld.
Het resultaat is pervers: angst is niet verdwenen, maar verplaatst. Ze is diffuus geworden, ongrijpbaar, overal aanwezig en tegelijk nergens. Wie tegenwoordig iets zegt wat “verkeerd valt”, voelt dezelfde reflex als de middeleeuwse ketter: niet schuldig aan een misdaad, maar aan een afwijking. De moraal is het nieuwe strafrecht.
Michel Foucault zou dit waarschijnlijk als de perfecte machtsvorm hebben gezien: de mens die zichzelf controleert uit angst voor sociale uitsluiting. Geen tralies nodig; alleen een collectieve blik. Jeremy Bentham’s Panopticum is niet meer het ronde gevangenisgebouw, maar de online publieke ruimte waarin iedereen de cipier van iedereen is.
Toch is dit systeem instabiel, omdat het zijn fundament — angst — niet langer durft te erkennen. De morele façade van empathie en zorgzaamheid maakt de angst onuitspreekbaar, waardoor ze gaat etteren. Mensen worden niet minder bang, ze worden banger om toe te geven dat ze bang zijn. De mens die zijn angst ontkent, rationaliseert haar — en noemt het moraal.
Zo ontstaat de morele kooi: een samenleving waarin angst zich vermomt als deugd. Waar elke afwijking wordt bestraft met de glimlach van morele superioriteit. Waar men zegt: “Het gaat niet om straf, het gaat om verantwoordelijkheid.” Maar de uitkomst is dezelfde: conformiteit door dreiging.
En hier wringt de paradox van onze tijd. De moderne staat wil sympathiek zijn, maar effectief gezag vraagt afstand, ritueel, en een zekere wreedheid. Een leider die te veel empathie toont, verliest geloofwaardigheid. Een gezag dat zijn tanden laat trekken, verwordt tot theater. We hebben de overheid gereduceerd tot serviceorganisatie — en klagen vervolgens dat niemand meer luistert.
Het is een van de grootste illusies van de democratie: dat macht menselijk kan zijn. Macht die menselijk wordt, sterft. Want macht berust niet op gelijkheid, maar op ongelijkheid — niet op empathie, maar op hiërarchie. Wie gezag wil behouden, moet angst begrijpen, niet veroordelen.
Niet de dictator, maar de diffuse goedbedoelde consensusmaatschappij is gevaarlijker, omdat ze haar eigen onderdrukking niet meer herkent. Waar de tiran zijn macht openlijk uitoefent, oefent de consensusmacht haar geweld uit met een glimlach. “We doen dit samen,” klinkt het — en niemand durft nog nee te zeggen.
De Franse socioloog Jean Baudrillard noemde dit het simulacrum van macht: een systeem dat nog wel de tekens van autoriteit vertoont, maar niet langer de inhoud ervan draagt. De staat speelt nog steeds de rol van Leviathan, maar zonder tanden. Angst is vervangen door beleid; straf door participatie. Het resultaat: niemand gelooft nog in gezag, maar iedereen is afhankelijk van de façade ervan.
4.
De moderne burger is een paradox in zichzelf: hij verlangt naar orde, maar verafschuwt het middel dat orde creëert. Hij wil regels, maar haat sancties; hij verlangt bescherming, maar verzet zich tegen de dreiging die die bescherming afdwingt. Deze cognitieve dissonantie is de kern van het conflict tussen sympathie en angst in hedendaagse staten.
Er is een subtiel verschil tussen gehoorzamen uit angst en gehoorzamen uit sympathie. Sympathie vereist betrokkenheid, begrip en medeleven. Angst vereist slechts berekening: wat gebeurt er als ik dit doe, en wat kost het als ik dat niet doe? De moderne overheid probeert beide te combineren — empathisch communiceren, tegelijk sanctioneren. Maar net als een hybride auto die twee tegenstrijdige motoren probeert te combineren, leidt dit tot verlies van efficiëntie.
Taleb zou het een antifragiele paradox noemen: systemen die ontworpen zijn om zowel menselijkheid als rationele dreiging te combineren, zijn kwetsbaar voor onverwachte stressoren. Een plotselinge crisis — pandemie, terrorisme, economische schok — onthult het fundament: de empathische façade werkt niet; alleen rationele dreiging kan gedrag sturen onder extreme druk.
Historisch gezien is angst het enige constante bindmiddel van samenlevingen. Hobbes begreep dat, Stalin erkende het, en moderne beleidsmakers vermijden het. Maar zelfs als het niet openlijk wordt toegepast, blijft de mens in zijn kern reageren op risico. Ons brein is geëvolueerd om dreiging te herkennen en gedrag daarop aan te passen. Sympathie is luxe, angst is noodzaak.
Freud zou dit psychologisch verklaren: het superego ontwikkelt zich niet uit empathie, maar uit de interne dreiging van straf. Moraal is een geïnternaliseerde knoet, en schuld een echo van vroegere straffen. De mens handelt niet moreel omdat hij het wil, maar omdat het interne mechanisme van angst hem dwingt tot conformiteit.
De moderne staat probeert dit te maskeren met beleid, media en educatie, maar het mechanisme blijft: dreiging schept gedrag, gedrag schept orde, orde schept stabiliteit. Het is een cyclus die sinds het ontstaan van georganiseerde staten onveranderd is gebleven, slechts de verpakking verandert.
Arendt zou waarschuwen dat het ontkennen van deze werkelijkheid tot vervreemding en instabiliteit leidt. Een samenleving die gelooft dat gezag gebaseerd is op sympathie, zal schokken niet overleven. Mensen zullen niet luisteren, zelfs niet als het in hun eigen belang is, omdat de impliciete dreiging van sanctie ontbreekt of niet geloofwaardig is.
En zo komen we terug bij de kern van de paradox: de overheid is afhankelijk van angst, maar durft angst niet te erkennen. Ze berooft zichzelf van het fundamentele instrument van macht en verliest daardoor de kern van gezag. Sympathie kan het systeem aanvullen, maar niet dragen. Wie het geheel baseert op sympathie, creëert slechts een decor: een Leviathan zonder tanden, een Leviathan die zijn eigen macht speelt in een theater van illusionaire orde.
5.
Het is verleidelijk om te denken dat moderne samenlevingen verder zijn dan de brute mechanismen van angst. Democratie, rechtstaat en mensenrechten zouden de menselijke maat terugbrengen in het spel van macht. Maar deze institutionele vooruitgang verandert niets aan de psychologische kern: de mens reageert op dreiging. De vormen zijn verfijnd, maar de dynamiek is identiek aan die van de farao of de middeleeuwse koning.
We zien dit in beleid, communicatie en sociale controle. Bijvoorbeeld in gezondheidsbeleid: burgers volgen instructies vaak niet uit begrip of sympathie, maar uit berekening van risico’s en sancties. Wie zich niet laat vaccineren, loopt de dreiging van ziekte en sociale afkeuring. Wie fraudeert, riskeert boetes en reputatieverlies. Het systeem werkt niet door het morele argument, maar door consequenties — door angst in allerlei gedaanten.
De moderne media versterken deze dynamiek. Elke overtreding wordt uitvergroot, elke afwijking publiekelijk bestraft. Sociale controle en staatsmacht raken vervlochten: een burger voelt niet alleen de dreiging van sanctionering door de overheid, maar ook door zijn omgeving. Het superego van Freud is hier collectief geworden, een door de maatschappij geïnternaliseerd toezicht dat nooit slaapt.
Hier ligt het subtiele gevaar: angst wordt geherformuleerd als moraliteit. Morele superioriteit vervangt fysieke dreiging. Overtreders zijn niet alleen wetsovertreders, maar moreel gebrekkig. Deze vermomming maakt angst onzichtbaar, en tegelijk omnipresent. Het is een perfect gereguleerd systeem van gehoorzaamheid, maar het voedt illusies: de burger gelooft dat hij moreel handelt, terwijl hij enkel reageert op de impliciete dreiging van sancties.
Becker en Girard benadrukken dat angst voor sociale uitsluiting diep biologisch en cultureel verankerd is. Mensen willen niet alleen overleven, maar willen ook geaccepteerd worden. De staat speelt daarop in door sociale normen te codificeren: wet, regelgeving en publieke opinie worden instrumenten van beheerde angst. Deze subtiele vorm van dreiging werkt krachtiger dan de knoet van de dictator, omdat ze alomtegenwoordig is en wordt geïnternaliseerd.
Toch werkt dit systeem slechts zolang de angst geloofwaardig blijft. Zodra burgers het gevoel krijgen dat overtreding zonder consequenties blijft, stort de façade in. Het decor van orde is slechts dat: een decor. De menselijke natuur laat zich niet voor de eeuwigheid bedotten. Historische voorbeelden — van de val van Rome tot moderne economische crisissen — tonen dat zodra de impliciete dreiging van sanctionering verdwijnt, chaos en opportunisme terugkeren.
Sympathie kan nooit het vacuüm van angst vullen. Het kan gedrag versterken, legitimiteit ondersteunen en draagvlak creëren, maar het kan nooit de kern van gezag vervangen. Het besef dat de overheid macht bezit, en die macht kan toepassen, is essentieel voor orde. Sympathie zonder angst is theater; angst zonder empathie is efficiënt. De uitdaging van de moderne staat is het balanceren van deze elementen — zonder het ene te overschatten en het andere te ontkennen.
We eindigen bij de kern van de paradox: de mens verlangt naar orde en veiligheid, maar verafschuwt de middelen die dit mogelijk maken. De staat wil gezag en legitimiteit, maar vreest de erkende aanwezigheid van angst. Het resultaat is een fragiele samenleving die op het randje balanceert tussen controle en illusie. Het is een theater waarin iedereen acteert, maar slechts enkelen het script begrijpen.
6.
In dit essay hebben we gezien dat de moderne staat, ondanks haar pretentie van empathie en morele superioriteit, in essentie een systeem van geïnstitutionaliseerde angst blijft. Geschiedenis, psychologie en sociologie tonen aan dat angst de universele motor van gedrag is: ze schept gehoorzaamheid, structureert orde en produceert stabiliteit. Sympathie, empathie en moreel appel zijn luxe-instrumenten, nooit de kern van gezag.
De paradox van de democratische staat is dat ze verlangt naar legitimiteit, draagvlak en participatie, maar de erkenning van angst als fundament uit de weg gaat. Dit creëert een fragiel systeem: de façade blijft overeind zolang de dreiging impliciet en geloofwaardig is, maar het verval ligt op de loer zodra burgers het masker doorzien.
In de kern is dit een verhaal over menselijke natuur en maatschappelijke structuren: de mens gehoorzaamt uit berekening, intern gereguleerd door zijn superego, extern gestuurd door de institutionele dreiging van sancties. Macht wordt niet uitgeoefend op basis van sympathie, noch op basis van morele overtuiging, maar door de voortdurende aanwezigheid van consequenties. Dat is de ongemakkelijke waarheid die politici, burgers en filosofen vaak proberen te negeren, maar die altijd het fundament van de staat vormt.
Literatuurlijst / Verwijzingen
- Weber, M. (1922). Economy and Society: An Outline of Interpretive Sociology. University of California Press.
- Hobbes, T. (1651). Leviathan. London: Andrew Crooke.
- Freud, S. (1923). The Ego and the Id. Vienna: International Psycho-Analytical Press.
- Foucault, M. (1975). Discipline and Punish: The Birth of the Prison. New York: Pantheon Books.
- Arendt, H. (1951). The Origins of Totalitarianism. New York: Harcourt, Brace & Co.
- Taleb, N. N. (2012). Antifragile: Things That Gain from Disorder. New York: Random House.
- Becker, E. (1973). The Denial of Death. New York: Free Press.
- Pinker, S. (2011). The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. New York: Viking.
- Girard, R. (1977). Violence and the Sacred. Baltimore: Johns Hopkins University Press.
- Fromm, E. (1941). Escape from Freedom. New York: Farrar & Rinehart.
