De Pyromaan en de Staat

De Pyromaan en de Staat

Wie steekt hier eigenlijk wat in brand?


Beste lezer,

Er is een oud gezegde: “Wie met vuur speelt, brandt zijn vingers.”
Maar wat als degene met de lucifer een uniform draagt, of een moreel kompas?

In mijn nieuwe essay De Pyromaan en de Staat onderzoek ik de merkwaardige symbiose tussen gezag en verzet, tussen macht die chaos nodig heeft en burgers die menen uit overtuiging te rebelleren. Wie dient hier eigenlijk wie? En wie houdt de brand gaande, de pyromaan of de brandweer?

Een stuk voor wie niet bang is om zich te verbranden aan ongemakkelijke waarheden.
Lees het. Denk. En trek daarna gerust je eigen conclusies… liefst vóór ze voor je getrokken worden.

Hartelijke groet,
Peter Koopman

I. De vlam als beginsel

Er is iets merkwaardigs aan brandstichting. Niet het vuur zelf — dat is oud, eerlijk, natuurgetrouw — maar de manier waarop de mens ernaar kijkt. Wie vuur sticht, sticht in feite betekenis. Hij ontsteekt niet slechts materie, maar de verbeelding van de massa. En in dat licht — dat alles verzwelgt — wordt plots zichtbaar wat anders verborgen bleef: macht, angst, wanhoop, overtuiging.

De staat ziet in vuur chaos, een bedreiging van de orde. De demonstrant ziet er juist de zuiverende kracht van erkenning in. En ergens daartussen, tussen de rook en het morele stof, loopt de burger — half angstig, half gefascineerd — die niet weet of hij zijn kinderen binnen moet houden of de camera moet pakken.

De pyromaan, in deze metafoor, is niet noodzakelijk een individu met lucifers. Het is de drang van een collectief dat de temperatuur van onrecht niet langer verdraagt. De vraag is niet of er iets in brand moet, maar wat: de institutie, de hypocrisie, of het geweten van de kijker.

II. De staat als brandweerkorps

Elke regering — van democratie tot dictatuur — is in wezen een brandweerkorps. Ze dooft, reguleert, begrenst. Want orde is de zuurstofbeperking van het maatschappelijk vuur.

De staat leeft niet van sympathie. Sympathie is grillig, onbetrouwbaar, een sentiment dat de massa vandaag koestert en morgen vervloekt. Macht kan zich geen emoties veroorloven. Stalin begreep dat: angst werkt beter dan sympathie, omdat angst een constante is. Sympathie vergt inspanning, angst onderhoudt zichzelf.

De burger gehoorzaamt niet uit liefde voor het gezag, maar uit vrees voor de consequenties van ongehoorzaamheid. Dat is geen moreel falen, dat is de biologische logica van de kudde: we volgen niet de herder die we liefhebben, maar degene die de wolf op afstand houdt.

De democratie doet alsof ze warm is, maar haar kern is koud. Ze is ontworpen om te overleven, niet om aardig te zijn. Daarom kan ze brandstichters niet begrijpen: het zijn irrationele actoren in een rationeel systeem, verstoringen van de thermodynamische balans van gehoorzaamheid.

III. De demonstrant als vuurproef

Wie protesteert, test de temperatuur van zijn overtuiging. Woorden branden niet, maar symbolen wel. Daarom is de brandstichting zo’n krachtig ritueel: ze vertaalt frustratie in fysiek bewijs.

Wanneer een boer zijn tractor in brand steekt, offert hij niet alleen een werktuig, maar ook zijn rationaliteit. Dat is de prijs van geloof. In dat moment verandert hij van economische actor in rituele priester. Het is niet langer een protest, maar een offer: zie, dit is wat ik bereid ben te verliezen om gehoord te worden.

De Homo economicus zou huiveren: de kosten zijn immens, de baten onzeker. Maar rebellie is nooit rationeel, het is existentieel. Ze komt niet voort uit berekening, maar uit de ondraaglijke spanning tussen machteloosheid en waardigheid.

De overheid noemt het “vernieling”, maar voor de dader is het een vorm van schepping. Hij creëert betekenis uit as. Zoals Prometheus het vuur stal, zo steelt de demonstrant het monopolie op macht: een vlam als symbool van autonomie.

IV. De hypocrisie van selectieve heiligheid

Er bestaat een merkwaardige ongelijkheid in de beoordeling van vuur. Wanneer een brand in naam van klimaat, gender of inclusie wordt aangestoken, noemt men het “expressie”. Wanneer een boer of arbeider het doet, heet het “terreur”.

Het morele onderscheid ligt niet in de daad, maar in de ideologische kleur van het vuur. De hedendaagse rebellie is namelijk niet meer anarchistisch, maar gereguleerd. De staat tolereert opstand — zolang ze voorspelbaar, instagramwaardig en subsidieerbaar blijft.

Een “goede” rebellie veroorzaakt geen echte schade. Ze blokkeert een weg, maar niet de economie. Ze schreeuwt, maar steekt niets aan. Ze is een ritueel van symbolische verontwaardiging, geënsceneerd voor camera’s. De overheid weet: zolang de burger schreeuwt, brandt hij niet.

Maar zodra de daden het theater verlaten en het vuur echt wordt — zodra eigendom, veiligheid of gezag letterlijk vlam vat — dan schiet de staat terug in zijn ware gedaante: een repressieve machine met moreel vernis.

De ironie is dat beide kampen geloven dat ze uit overtuiging handelen, terwijl ze in werkelijkheid elkaars voorwaarden zijn. De staat heeft het vuur nodig om zijn legitimiteit te herbevestigen; de demonstrant heeft de onderdrukking nodig om zijn woede te rechtvaardigen.

V. De economie van verontwaardiging

In de moderne samenleving wordt zelfs verzet berekend. De media fungeren als marktplaats van emotie: wie het meeste morele rendement genereert, krijgt de meeste zendtijd.

Elke demonstratie is een investering in aandacht. De ROI — return on indignation — wordt gemeten in likes, shares en talkshowuitnodigingen. En zoals elke markt, kent ook deze een inflatie: hoe vaker men schreeuwt, hoe minder waarde het heeft. Alleen escalatie houdt de waarde stabiel.

Daarom is brandstichting de logische volgende stap in een verzadigde communicatiesamenleving. Het is de laatste vorm van authenticiteit die niet te faken is. Je kunt boosheid simuleren, maar niet hitte.

De overheid reageert voorspelbaar: meer camera’s, meer regels, meer controle. Zo groeit een paradox: hoe meer men de brand wil voorkomen, hoe meer brandbaar materiaal men opstapelt. Angst voor chaos creëert juist de omstandigheden waarin chaos loont.

VI. De ethiek van de lucifer

De morele discussie over brandstichting gaat zelden over de daad zelf, maar over haar legitimiteit. Mag men iets in brand steken “voor een goed doel”? En wie bepaalt wat goed is?

Religieuze extremisten die zichzelf en anderen opblazen, geloven dat hun vuur heilig is. Klimaatactivisten die kunstwerken met soep bekogelen, noemen hun daden “noodzakelijk”. Boeren die mest dumpen, zeggen “genoeg is genoeg”. En de overheid? Die brandt rustig verder in beleid dat de bodem uitput en generaties verbrandt in schulden.

Er is dus geen principieel verschil — alleen een verschil in narratief. Het vuur is hetzelfde; alleen de retoriek verschilt.

De ethiek van de lucifer is simpel: wie haar hanteert, claimt een hogere noodzaak. Vuur rechtvaardigen is macht uitoefenen over betekenis. En in een maatschappij die moreel vermoeid is, werkt vuur beter dan woorden.

VII. Angst als lijm van de beschaving

De beschaving rust op angst. Niet op liefde, niet op redelijkheid, maar op de permanente vrees voor de consequenties van vrijheid.

Vrijheid is een mooi ideaal zolang niemand er gebruik van maakt. Zodra mensen hun vrijheid letterlijk ontsteken — de macht uitdagen, wetten verwerpen, symbolen verbranden — ontdekken we hoe dun de laklaag van orde werkelijk is.

Stalin had gelijk, hoe grimmig ook: angst is de meest efficiënte vorm van sociale controle. Liefde vereist onderhoud; angst onderhoudt zichzelf.

Onze democratie heeft dat begrepen, zij het subtieler. In plaats van geweld gebruikt ze schuld. In plaats van onderdrukking gebruikt ze inclusiviteit — die magische term waarmee afwijking wordt opgenomen, geneutraliseerd, en daarmee onschadelijk gemaakt.

Het resultaat: een samenleving waarin men mag roepen wat men wil, zolang men niets in brand steekt.

VIII. Het vuur dat we missen

Misschien is dat het werkelijke probleem: niet dat er te veel vuur is, maar dat we het niet meer begrijpen. We leven in een tijdperk van veilige vlammen: haardvuren op Netflix, elektrische kaarsjes, vuurwerk dat door de gemeente wordt gereguleerd.

We hebben het vuur uit onze handen gehaald en in apparaten gestopt. Gas, stroom, algoritme. Alles wat ooit brandde, brandt nu gecontroleerd. Zelfs onze woede is gedigitaliseerd — een emoji met vlammetjes.

Maar ergens, diep in het limbisch systeem, zit nog altijd dat oervlammetje: de herinnering dat vuur niet alleen vernietigt, maar ook zuivert. Dat soms iets moet branden om ruimte te maken voor iets nieuws.

De pyromaan begrijpt dat intuïtief. De staat vreest het. En de burger kijkt toe, tussen angst en fascinatie in, hopend dat de vlam niet overslaat naar zijn eigen tuin.

IX. Epiloog: De paradox van het vuur

Er is geen vooruitgang zonder verbranding. Elke revolutie, elk hervormingsproces, elke culturele schok is een vorm van gecontroleerde verbranding: iets ouds moet in as veranderen om iets nieuws te kunnen voeden.

De vraag is dus niet of we het vuur moeten toelaten, maar hoeveel — en wie de lucifer vasthoudt.

De staat zal altijd blussen. De mens zal altijd aansteken. En ergens daartussen, in die eeuwige dialectiek tussen controle en chaos, leeft de beschaving: schurend, sissend, rokend — maar levend.

Misschien moeten we ophouden het vuur te vrezen, en het opnieuw leren gebruiken. Niet om te vernielen, maar om te onthullen. Want in de gloed van verbranding toont de mens zijn ware aard: kwetsbaar, irrationeel, maar eindelijk waarachtig.

Literatuurlijst (selectie)

  • Arendt, H. (1963). On Revolution. Viking Press.
  • Bauman, Z. (2000). Liquid Modernity. Polity Press.
  • Durkheim, É. (1912). Les formes élémentaires de la vie religieuse.
  • Freud, S. (1930). Das Unbehagen in der Kultur.
  • Hobbes, T. (1651). Leviathan.
  • Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
  • Orwell, G. (1949). Nineteen Eighty-Four.
  • Sloterdijk, P. (2002). Zorn und Zeit.
  • Taleb, N. N. (2012). Antifragile. Random House.
  • Weber, M. (1919). Politik als Beruf.

Ook interessant voor jou!