DE ONVERANDERBARE MENS

DE ONVERANDERBARE MENS DE MENS IN ZIJN EIGEN CONSTRUCTIES

DE MENS IN ZIJN EIGEN CONSTRUCTIES

Een synthese: instituties, constructies en de grenzen van menselijke veranderlijkheid

Slotessay van de reeks De Onveranderbare Mens

Hallo fanatieke lezer,

Dit is het tiende en laatste essay in de reeks De Onveranderbare Mens.

In de voorgaande negen essays hebben we onderwijs, justitie, bureaucratie, religie en de staat onder de loep genomen. En telkens verscheen hetzelfde patroon: systemen die ooit zijn ontworpen om menselijke problemen op te lossen, ontwikkelen na verloop van tijd een eigen logica. Ze groeien. Ze beschermen zichzelf. Ze produceren de complexiteit die hen nodig maakt.

Maar er was een vraag die ik steeds voor me uitschoof.

Waarom lukt het de mens zo slecht om dit patroon te doorbreken — ook als hij het ziet?

In dit slotessay probeer ik die vraag te beantwoorden. Met behulp van Peter Berger en Thomas Luckmann, die in 1966 beschreven hoe menselijke constructies werkelijkheid worden. Met Yuval Noah Harari, die laat zien dat beschaving alleen mogelijk is via gedeelde ficties die we als feiten behandelen. Met René Girard, die analyseerde hoe systemen vijanden nodig hebben om hun cohesie te bewaren. En met Hegel, die de paradox al in 1807 formuleerde: de mens ervaart zijn eigen voortbrengsels als een vreemde macht.

In het slotessay kom je onder andere tegen:

• Waarom instituties niet alleen moeilijk te veranderen zijn door belangen, maar ook omdat we ze niet meer als instituties zien
• Hoe cognitieve dissonantie ons beschermt tegen inzichten die we eigenlijk al hebben
• Waarom een systeem dat zijn vijand verliest, een groot probleem heeft
• Of de mens überhaupt buiten zijn eigen constructies kan treden — en zo ja, hoe
• En wat ‘de onveranderbare mens’ eigenlijk betekent — het is geen pessimisme, het is een vertrekpunt

Het essay is bijgevoegd. Het is het langste en meest ambitieuze van de reeks.

Bedankt voor het meelezen.

DE ONVERANDERBARE MENS

DE MENS IN ZIJN EIGEN CONSTRUCTIES

Een synthese: instituties, constructies en de grenzen van menselijke veranderlijkheid

Slotessay van de reeks De Onveranderbare Mens

Abstract

Dit slotessay synthetiseert de inzichten van de voorafgaande negen essays in de reeks De Onveranderbare Mens. De centrale these luidt dat menselijke instituties — onderwijs, justitie, bureaucratie, religie, staat en ideologie — niet slechts instrumenten zijn die mensen gebruiken om de wereld te organiseren, maar geconstrueerde werkelijkheden die vervolgens de waarneming, het denken en het handelen van diezelfde mensen conditioneren. Met behulp van Berger en Luckmann’s sociale constructie van de werkelijkheid, Hegel’s dialectiek van subject en object, Friston’s predictive processing, Festinger’s cognitieve dissonantie, Girard’s mimetische theorie en Harari’s intersubjective reality wordt een synthesekader gebouwd dat het overkoepelende patroon van de reeks theoretisch fundeert. Aanvullend wordt de vraag gesteld die de reeks systematisch open heeft gelaten: kan de mens überhaupt buiten zijn eigen constructies treden, en zo ja, onder welke condities? Het essay concludeert dat de ‘onveranderbare mens’ niet een determinist of pessimistisch concept is, maar een realistisch vertrekpunt voor wie de architectuur van zijn eigen kooi wil begrijpen voordat hij probeert te ontsnappen.

Trefwoorden: sociale constructie, institutionele logica, intersubjective reality, cognitieve dissonantie, mimetische theorie, reflexiviteit, Berger, Luckmann, Harari, Girard, Festinger, predictive processing

1. Inleiding: Het Patroon Achter de Essays

In de negen voorafgaande essays in deze reeks zijn verschillende menselijke instituties onderzocht: onderwijs dat leren simuleert, justitie die risico verkeerd inschat, bureaucratie die complexiteit produceert in plaats van reduceert, religie die haar oorspronkelijke spirituele impuls inkapsuelt in institutionele procedures, en de staat die de logica van zijn eigen regulering begint te reguleren. Op het oppervlak zijn dit totaal verschillende systemen. Zij opereren in andere domeinen, hanteren andere taal en claimen andere doelen.

Maar onder die verschillen manifesteert zich een patroon dat opmerkelijk consistent is. Alle onderzochte systemen vertonen dezelfde evolutionaire dynamiek: zij ontstaan als adaptieve oplossingen voor reële menselijke problemen, zij groeien naarmate zij succesvol zijn in het oplossen van die problemen, en zij ontwikkelen vervolgens structuren die hun eigen voortbestaan beschermen — ongeacht of die structuren nog bijdragen aan de oorspronkelijke functie waarvoor zij werden opgericht.

Dit slotessay heeft een drieledig doel. Ten eerste synthetiseert het de inzichten van de voorgaande essays in een theoretisch kader. Ten tweede stelt het de vraag die in de afzonderlijke essays open bleef: hoe is het mechanisme te begrijpen waardoor de mens niet alleen systemen produceert, maar er vervolgens zelf door wordt geproduceerd? Ten derde formuleert het wat dit alles impliceert voor de vraag die de titel van de reeks stelt: in welke zin is de mens onveranderbaar?

2. De Geconstrueerde Werkelijkheid: Berger en Luckmann

Het meest directe theoretische fundament voor de centrale these van deze reeks biedt Peter Berger en Thomas Luckmann’s The Social Construction of Reality (1966). Berger en Luckmann beschrijven hoe menselijke instituties ontstaan via een dialectisch proces van drie fasen: externalisering, objectivering en internalisering.

In de fase van externalisering produceert de mens via zijn handelen structuren die zich buiten hem bevinden: taal, gewoonten, organisaties, regels. In de fase van objectivering verkrijgen deze structuren een zelfstandige, objectieve realiteitsstatus: zij bestaan voortaan als feiten van de sociale wereld, ongeacht de intenties van de individuen die hen hebben gecreëerd. In de fase van internalisering neemt de volgende generatie deze structuren over als gegeven realiteit, niet als historisch geconstrueerde keuzes — en reproduceert ze daarmee als vanzelfsprekend.¹

‘Society is a human product. Society is an objective reality. Man is a social product.’ — Peter Berger & Thomas Luckmann, The Social Construction of Reality (1966)

Het gevolg van dit dialectische proces is wat Berger en Luckmann reïficatie noemen: de tendens van mensen om hun eigen sociale constructies te vergeten als constructies en ze te behandelen als natuurlijke, onvermijdelijke feiten van de werkelijkheid. Een bureaucratische procedure, een onderwijscurriculum, een juridische categorie — zij worden niet ervaren als keuzes die op andere momenten anders hadden kunnen uitvallen, maar als onderdelen van de orde der dingen.

Dit mechanisme verklaart de hardnekkigheid van de patronen die in de voorgaande essays werden beschreven. Instituties zijn niet slechts moeilijk te veranderen omdat machtige belangen ze in stand houden — al is dat ook het geval. Zij zijn moeilijk te veranderen omdat de mensen die er deel van uitmaken ze niet meer als institutie waarnemen, maar als werkelijkheid.

3. Gedeelde Ficties als Besturingssysteem: Harari’s Intersubjective Reality

Yuval Noah Harari heeft in Sapiens (2011) een populair maar theoretisch substantieel argument geleverd dat de reïficatiethese van Berger en Luckmann uitbreidt naar de macro-schaal van menselijke beschaving. Harari’s centrale claim is dat het unieke kenmerk van Homo sapiens niet intelligentie, taal of gereedschapsgebruik is, maar het vermogen om in grote aantallen samen te werken op basis van gedeelde ficties — wat hij intersubjective reality noemt.

Geld, naties, wetgeving, religie, mensenrechten, bedrijven — geen van deze entiteiten bestaat als fysiek object in de wereld. Een bankbiljet is in werkelijkheid een stuk papier; een natie is een gedeelde overtuiging; een rechtspersoon is een juridische constructie. Zij hebben reële effecten in de wereld uitsluitend omdat voldoende mensen ze als reëel behandelen. De macht van instituties is daarmee in de kern een epistemisch fenomeen: zij berust op collectief geloof.²

De implicatie voor de these van deze reeks is verstrekkend. Wanneer menselijke samenwerking op grote schaal alleen mogelijk is via intersubjectieve werkelijkheden die als objectief worden ervaren, dan is het niet slechts een bijwerking van beschaving dat mensen gevangen raken in hun eigen constructies. Het is haar constitutieve voorwaarde. Zonder de bereidheid om institutionele ficties te internaliseren als werkelijkheid, is grootschalige samenwerking onmogelijk. De kooi is tegelijk de beschaving.

4. De Psychologie van Gesloten Systemen: Cognitieve Dissonantie

De institutionele logica die Berger en Luckmann op sociologisch niveau beschrijven, heeft een psychologisch correlaat dat Leon Festinger in 1957 beschreef als cognitieve dissonantie: het onaangename gevoel dat ontstaat wanneer twee of meer cognities die een persoon bezit onderling inconsistent zijn. Festinger’s centrale bevinding was dat mensen systematisch de neiging vertonen dit onaangename gevoel te reduceren — niet door hun overtuigingen te herzien op basis van bewijs, maar door het bewijs te herinterpreteren zodat het met de overtuiging in overeenstemming komt.³

Dit mechanisme heeft verstrekkende consequenties voor de vraag hoe ideologische en institutionele systemen zich handhaven. Wanneer een individu sterk geïnvesteerd heeft in een overtuiging — religieus, politiek, professioneel — fungeert die overtuiging als een filter door welke nieuwe informatie wordt verwerkt. Tegenstrijdig bewijs wordt geminimaliseerd, geherdefinieerd of afgewezen. Bevestigend bewijs wordt uitvergroot en onthouden. Het systeem reproduceert zichzelf via de psychologie van zijn dragers.

Festinger illustreerde dit in zijn klassieke veldstudi When Prophecy Fails (1956): een apocalyptische sekte die een specifieke datum voor het einde der wereld had voorspeld, versterkte haar overtuigingen juist nadat die datum was verstreken zonder de voorspelde catastrofe. De cognitieve investering in de overtuiging was zo groot dat de weerlegging ervan leidde tot intensivering van het geloof, niet tot herziening.

In bureaucratische context produceert dit mechanisme wat Merton trained incapacity noemde: de ambtenaar die zijn institutionele kader zo heeft geïnternaliseerd dat hij geen alternatief meer kan waarnemen. In religieuze context is het de gelovige wiens geloofsovertuiging resistent is tegen rationele kritiek niet omdat hij irrationeel is, maar omdat de overtuiging een existentiële bufferunctie vervult die rationele toetsing psychologisch ondraaglijk maakt. In politiek-ideologische context is het de ideoloog die feiten die zijn wereldvisie weerspreken beschouwt als propaganda of misverstand.

5. De Vijand als Constitutief Element: Girard’s Mimetische Theorie

Een dimensie die in de voorgaande essays onderbelicht bleef, is de rol van het vijandbeeldmechanisme in institutionele reproductie. René Girard bood in Violence and the Sacred (1972) en La Route antique des hommes pervers (1985) een analyse van hoe menselijke gemeenschappen hun interne spanningen reguleren via mimetisch verlangen en het zondebokmechanisme.

Girard’s uitgangspunt is het mimetisch verlangen: mensen begeren niet autonome objecten maar objecten die anderen begeren — verlangen is fundamenteel imitatief van aard. Dit leidt tot rivaliserende begeerte en escalerende conflicten die de sociale orde bedreigen. De oplossing die Girard in menselijke culturen waarneemt is het zondebokmechanisme: de collectieve projecting van de interne spanning op een zondebok — een individu of groep die wordt aangewezen als bron van het kwaad en wiens uitsluiting of eliminatie de gemeenschap tijdelijk verzoent.⁴

In institutionele context heeft Girards analyse een directe toepassing. Ideologische systemen — religieuze, politieke en in mindere mate bureaucratische — construeren systematisch categorieën van het andere: de ketter, de klasseenvijand, de illegale immigrant, de terrorist. Deze categorieën zijn niet slechts beschrijvingen van reële bedreigingen; zij zijn constitutieve elementen van de institutionele identiteit. Een systeem dat zijn vijand verliest, verliest tegelijk een belangrijk cohesiemechanisme.

De meest verontrustende implicatie van Girards analyse is de suggestie dat institutionele zelfhandhaving het produceren van vijanden vereist — en dat, naarmate een systeem zijn oorspronkelijke probleemoplossende functie verliest, de noodzaak toeneemt om zijn cohesie via externe dreiging te organiseren. Dit patroon is in de geschiedenis van bureaucratieën, natiestaten en religieuze organisaties herhaaldelijk zichtbaar.

6. Subject en Object: De Hegeliaanse Paradox van Zelfvervreemding

De filosofische ruggengraat van de centrale these vindt haar meest expliciete formulering bij Hegel. In de Phänomenologie des Geistes (1807) beschreef Hegel het dialectische proces waardoor de Geist — de menselijke geest in zijn historische ontwikkeling — zichzelf veruitwendigt in objectieve structuren (recht, moraal, religie, staat) en vervolgens in die structuren zijn eigen voortbrengsel niet meer herkent. Hegel noemde dit vervreemding (Entfremdung): de ervaring van het subject dat zijn eigen producten als vreemd en beperkend ervaart.

Marx heeft dit concept vervolgens geseculariseerd en geradicaliseerd: vervreemding is bij hem niet een fase in de zelfontplooiing van de Geist maar een structureel kenmerk van kapitalistische productieverhoudheden — de arbeider die zijn eigen arbeid niet meer herkent in het product dat hij heeft gemaakt. Maar de kern van de analyse is Hegeliaans: de mens is het wezen dat zijn eigen constructies tegenover zichzelf stelt als een vreemde macht.

‘Das Wahre ist das Ganze.’ [Het ware is het geheel.] — G.W.F. Hegel, Phänomenologie des Geistes (1807)

Friston’s predictive processing-model biedt een cognitief-neurowetenschappelijk correlaat van deze Hegeliaanse these. Het brein, zo betoogt Friston, construeert voortdurend een model van de werkelijkheid en toetst inkomende informatie aan dat model. Wat niet past, wordt gefilterd of geherinterpretered. Wat past, bevestigt het model. Het gevolg is dat wat wij ‘werkelijkheid’ noemen in belangrijke mate een constructie is van het model dat wij hebben gebouwd — een model dat deels bestaat uit geïnternaliseerde institutionele categorieën die wij niet meer als zodanig waarnemen.

7. De Kernvraag: Kan de Mens Buiten zijn Eigen Constructies Treden?

De vraag die de reeks systematisch open heeft gelaten, is ook de meest fundamentele: kan de mens de structuren die hem conditioneren überhaupt doorzien en overstijgen? Of is het bewustzijn van de kooi slechts een nieuwe laag van hetzelfde mechanisme — een metanarratief dat zichzelf als uitzondering beschouwt maar in werkelijkheid dezelfde institutionele logica repliceert?

Er zijn drie theoretische posities mogelijk. De eerste is het determinisme: de mens kan zijn constructies niet werkelijk verlaten omdat het bewustzijn zelf een product is van de taal, categorieën en instituties die hij heeft geïnternaliseerd. Elk kritisch denken gebruikt dezelfde conceptuele infrastructuur die het probeert te ondermijnen. Dit is de positie die het meest consistent volgt uit Berger en Luckmann, en die Wittgenstein in zijn taalfilosofie aanvulde: de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld.

De tweede positie is het reflexiviteitsperspectief: bewustzijn van de constructie is niet hetzelfde als gevangenzijn in de constructie. Het feit dat een institutionele realiteit geconstrueerd is, impliceert dat zij ook anders geconstrueerd had kunnen worden — en dus ook anders geconstrueerd kan worden. Dit is de positie van Berger zelf, die ook betoogde dat de sociologie haar eigen bevrijdend potentieel heeft: wie zijn kooi herkent als kooi, heeft een eerste stap gezet buiten haar logica.

De derde positie is de pragmatische: de vraag of men ‘volledig’ buiten zijn constructies kan treden is filosofisch onbeantwoordbaar en praktisch irrelevant. Wat wel mogelijk is, zijn partiële verschuivingen: het tijdelijk opschorten van institutionele categorieën via artistieke, wetenschappelijke of contemplatieve praktijken — ervaringen waarin de werkelijkheid even anders wordt waargenomen dan de institutionele infrastructuur normaliter toestaat. Dit is de positie die het meest productief is voor wie niet slechts wil begrijpen maar ook wil handelen.⁵

8. Wat Is dan Onveranderbaar? Een Herdefinitie

De titel van deze reeks — De Onveranderbare Mens — dreigt bij onzorgvuldige lezing te worden begrepen als een fatalistisch statement: de mens verandert niet, instituties blijven groeien, de kooi is permanent. Dat is niet de conclusie die de reeks rechtvaardigt.

Wat onveranderbaar is, is het mechanisme: de tendens van de mens om oplossingen te institutionaliseren, die instituties te reïficeren als werkelijkheid, en vervolgens die werkelijkheid te verdedigen tegen de inzichten die haar als constructie zouden onthullen. Dit mechanisme is niet een cultureel of historisch contingent verschijnsel maar een structureel kenmerk van de cognitieve architectuur van de soort — verankerd in de predictive processing-logica van het brein, in de sociale constructieprocessen die Berger beschrijft, en in de mimetische en existentiële dynamieken die Girard en Becker analyseren.

Maar het mechanisme als zodanig onveranderbaar noemen impliceert niet dat de uitkomsten van het mechanisme vastliggen. Beschavingen hebben altijd nieuwe instituties gebouwd, bestaande hervormd en sommige afgeschaft — al duurde dat vaak langer dan de betrokkenen wensten en verliep het zelden via de rationele weg die de hervormers voor ogen hadden. De vraag is niet of de mens kan veranderen, maar via welke mechanismen verandering daadwerkelijk plaatsvindt — en wat een realistisch inzicht in die mechanismen betekent voor wie verandering nastreeft.

Het antwoord dat de reeks impliceert: verandering is mogelijk, maar zij verloopt niet via rationele overtuiging alleen. Zij vereist het begrijpen van de institutionele logica die men wil veranderen — haar selectiedynamiek, haar reïficatiemechanismen, haar identiteitsverdediging en haar productie van vijanden. Wie een institutie wil hervormen zonder deze mechanismen te kennen, werkt met de onschuld van een amateurschaker die gelooft dat schaken een eerlijk spel is omdat de regels worden gepubliceerd.

De Mens in zijn Eigen Constructies

Illustratie: AI-gegenereerd beeld, gecreëerd door de auteur via een generatief beeldmodel. © Peter Koopman, 2025.

9. De Synthese: Één Patroon, Negen Instituties

Het overkoepelende patroon van de reeks laat zich nu als volgt formuleren. De mens is een biologisch organisme met specifieke cognitieve architecturen die hem voorbereden op leven in kleine, directe sociale groepen. Die architecturen omvatten: een sterke neiging tot agentdetectie, een mechanisme voor statusranking en sociale vergelijking, een existentiële angst voor sterfelijkheid en willekeur, een vermogen tot coöperatie via gedeelde symbolen en narratieven, en een zelfreproducerend predictiemodel van de werkelijkheid dat bestaande categorieën beschermt.

Op deze biologische basis heeft de mens instituties gebouwd die zijn organische beperkingen compenseren: schrift verlengt het geheugen, recht reguleert conflicten die directe sociale controle niet meer kan beheersen, religie organiseert existentiële angst, bureaucratie beheert complexiteit, onderwijs draagt kennis over aan degenen die de oorspronkelijke ontdekkingen niet hebben meegemaakt. Elk van deze compenserende instituties is een culturele prothese voor een biologische beperking.

Maar de culturele prothese heeft een structureel neveneffect: zij wordt door de drager geïnternaliseerd als realiteit in plaats van als hulpmiddel. En zodra zij als realiteit is geïnternaliseerd, begint zij de drager te vormen in plaats van andersom. Het instrument wordt organisme. De constructie wordt kooi. En de mens die de kooi heeft gebouwd, leeft er sindsdien in — terwijl hij zijn nakomelingen vertelt dat het de werkelijkheid zelf is.

Dit is het patroon. Het is niet pessimistisch bedoeld. Het is een beschrijving van hoe de beschaving werkt, en hoe de mens werkt die haar heeft gebouwd en in stand houdt. De vraag is niet of dit patroon kan worden doorbroken — dat kan het, partieel en tijdelijk, onder specifieke condities. De vraag is of men het wil begrijpen voordat men probeert het te veranderen.

10. Kritische Reflectie: De Grenzen van de These

10.1 Het gevaar van totalisering

Een synthese die alles verklaart, verklaart niets. De these dat alle instituties dezelfde zelfreproducerende dynamiek vertonen, riskeert de specifieke historische, culturele en materiële verschillen tussen instituties te nivelleren. Een middeleeuwse kerk, een moderne belastingdienst en een Silicon Valley-techbedrijf zijn alle drie institutionele systemen — maar hun onderlinge verschillen zijn minstens zo interessant als hun overeenkomsten. Een synthesekader dat die verschillen wegabstraheert, verliest verklarende kracht.

10.2 Agency en weerstand

De nadruk op institutionele logica en structurele determinanten riskeert de menselijke agency te onderschatten. Mensen zijn niet louter producten van de systemen die hen vormen — zij handelen ook, verzetten zich, creëren alternatieven en stichten nieuwe instituties. De geschiedenis is vol van individuen en bewegingen die de kooi herdefinieerden of ontmantelden. Een volledig verklaringskader dient ook die momenten van doorbreking te kunnen beschrijven.

10.3 Normatieve implicaties

De these is descriptief geformuleerd maar heeft impliciete normatieve implicaties. Wie betoogt dat instituties systematisch hun oorspronkelijke functies verdringen door zelfreproductie, impliceert dat er een maatstaf bestaat aan de hand waarvan men ‘oorspronkelijke functie’ en ‘verdringing’ van elkaar onderscheidt. Die maatstaf is echter zelf een constructie — en het aanwijzen ervan vereist de reflexiviteit die de these beveelt maar niet garandeert.

11. Conclusie: De Onveranderbare Mens als Realistisch Vertrekpunt

De onveranderbare mens is geen fatalistische figuur. Hij is een realistisch startpunt voor wie de wereld wil begrijpen zoals zij is, in plaats van zoals hij wenst dat zij was.

De mens is een organisme dat systemen bouwt om zijn biologische beperkingen te compenseren. Die systemen worden geïnternaliseerd als werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt verdedigd tegen de inzichten die haar als constructie zouden onthullen. En dit mechanisme is structureel: het volgt uit de cognitieve architectuur van de soort, uit de sociale dynamieken van groepsvorming en vijandproductie, en uit de existentiële psychologie van een wezen dat weet dat het zal sterven en dat vermogen niet verdraagt.

Maar de reeks heeft ook laten zien dat dit mechanisme herkenbaar is. En wat herkenbaar is, is in principe begrijpelijk. En wat begrijpelijk is, biedt — niet de zekerheid, maar de mogelijkheid — van bewust handelen in plaats van geconditioneerde reproductie.

Of die mogelijkheid wordt benut, is een vraag die buiten het bestek van de wetenschap valt. Zij is een vraag voor het individu dat de essays leest, en beslist wat het ermee doet.

Darwin zou het mechanisme herkennen. Berger zou de reïficatie identificeren. Friston zou het brein beschrijven dat het model bewaart. Girard zou de vijand aanwijzen die het systeem nodig heeft. En Kafka — die het al in 1925 beschreef zonder ook maar één theoretisch concept nodig te hebben — zou slechts knikken.

De kooi bestaat. Zij is van ons eigen maaksel. En dat is precies het meest menselijke eraan.

Voetnoten

Berger en Luckmann onderscheiden twee typen institutionele kennis: routinematige kennis die praktisch en onbewust wordt gehanteerd, en legitimerende kennis die institutionele praktijken rechtvaardigt en verklaart. Naarmate instituties ouder worden, verschuift de verhouding: legitimerende kennis wordt minder nodig omdat de institutie zelf als vanzelfsprekend wordt aanvaard.

Harari’s concept van intersubjective reality is theoretisch verwant aan Searle’s sociale ontologie (The Construction of Social Reality, 1995) en Durkheim’s sociale feiten. Het onderscheid met subjectieve werkelijkheid (die slechts voor één individu bestaat) en objectieve werkelijkheid (die bestaat ongeacht welk individu er over denkt) is analytisch scherp, al zijn de grenzen in de praktijk vloeiend.

Festinger’s originele theorie (A Theory of Cognitive Dissonance, 1957) is door latere onderzoekers aanzienlijk verfijnd en gedeeltelijk herzien. De meest robuuste bevinding — dat mensen informatie filteren om bestaande overtuigingen te beschermen — is echter goed gerepliceerd. Zie: Harmon-Jones, E., & Harmon-Jones, C. (2007). Cognitive dissonance theory after 50 years. Zeitschrift für Sozialpsychologie, 38(1), 7–16.

Girards zondebokmechanisme heeft religieuze wortels in zijn interpretatie van het christelijk offer als de onthulling en beëindiging van het zondebokmechanisme. Zijn anthropologische en literaire analyses zijn echter wetenschappelijk los van deze theologische interpretatie te gebruiken, en zijn invloed in de sociale wetenschappen en de literatuurwetenschap is aanzienlijk.

De contemplatie van de eigen institutionele conditionering heeft een lange traditie buiten de westerse academische filosofie: Boeddhistische meditatiepraktijk, stoïcijnse oefening (askèsis), en bepaalde psychoanalytische tradities hebben onafhankelijk van elkaar methoden ontwikkeld voor wat wij hier partiële verschuiving noemen. De effectiviteit van deze methoden is een empirische vraag die hier open blijft.

Literatuurlijst

Sociale constructie en institutionele theorie

Berger, P.L., & Luckmann, T. (1966). The Social Construction of Reality: A Treatise in the Sociology of Knowledge. Doubleday.

Harari, Y.N. (2011). Sapiens: A Brief History of Humankind. Harper Collins.

Luhmann, N. (1984/1995). Social Systems. Stanford University Press.

Searle, J.R. (1995). The Construction of Social Reality. Free Press.

Weber, M. (1922/1978). Economy and Society. University of California Press.

Cognitie, perceptie en predictive processing

Clark, A. (2016). Surfing Uncertainty: Prediction, Action, and the Embodied Mind. Oxford University Press.

Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford University Press.

Festinger, L., Riecken, H.W., & Schachter, S. (1956). When Prophecy Fails. University of Minnesota Press.

Friston, K. (2010). The free-energy principle: A unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11(2), 127–138.

Harmon-Jones, E., & Harmon-Jones, C. (2007). Cognitive dissonance theory after 50 years. Zeitschrift für Sozialpsychologie, 38(1), 7–16.

Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. Farrar, Straus and Giroux.

Metzinger, T. (2009). The Ego Tunnel. Basic Books.

Filosofie: vervreemding, macht en constructie

Foucault, M. (1977). Discipline and Punish: The Birth of the Prison. Vintage Books.

Hegel, G.W.F. (1807/1977). Phenomenology of Spirit. Oxford University Press.

Marx, K. (1844/1964). Economic and Philosophic Manuscripts of 1844. International Publishers.

Nietzsche, F. (1887/1996). On the Genealogy of Morality. Oxford University Press.

Wittgenstein, L. (1921/1961). Tractatus Logico-Philosophicus. Routledge.

Mimetische theorie en geweld

Girard, R. (1972/1977). Violence and the Sacred. Johns Hopkins University Press.

Girard, R. (1978/1987). Things Hidden Since the Foundation of the World. Stanford University Press.

Existentiële psychologie

Becker, E. (1973). The Denial of Death. Free Press.

Camus, A. (1955). The Myth of Sisyphus. Vintage Books.

Schopenhauer, A. (1819/1969). The World as Will and Representation. Dover.

Evolutionaire en gedragsbiologie

Darwin, C. (1871). The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex. John Murray.

Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene. Oxford University Press.

Sapolsky, R.M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin Press.

Instituties, bureaucratie en institutionele kritiek

Arendt, H. (1958). The Human Condition. University of Chicago Press.

Dennett, D. (2006). Breaking the Spell: Religion as a Natural Phenomenon. Viking.

Graeber, D. (2018). Bullshit Jobs: A Theory. Simon & Schuster.

Illich, I. (1971). Deschooling Society. Harper & Row.

Merton, R.K. (1940). Bureaucratic structure and personality. Social Forces, 18(4), 560–568.

Parkinson, C.N. (1957). Parkinson’s Law and Other Studies in Administration. Houghton Mifflin.

Ook interessant voor jou!