Morele taal als geëvolueerd zelfbedrog
Rechtvaardigheid is geen deugd. Het is een techniek.
Beste lezer,
Dit is geen moreel essay.
Wie hier bevestiging zoekt, kan beter stoppen.
Het hoofdstuk dat volgt behandelt rechtvaardigheid niet als ideaal, maar als wat zij functioneel is: een geëvolueerd stammechanisme dat uitstekend werkt in kleine groepen en structureel ontspoort zodra het universeel wordt verklaard.
Jonathan Haidt komt voorbij, maar niet als gids. Eerder als symptoom: representatief voor een hedendaagse poging om moraal te naturaliseren zonder haar consequenties te aanvaarden. Wie hoopt op verzoening, balans of morele harmonie zal teleurgesteld raken. Dat is geen tekortkoming van de tekst, maar van de verwachting.
Dit stuk ontneemt rechtvaardigheid haar vanzelfsprekendheid.
Niet om haar af te schaffen, maar om haar eindelijk serieus te nemen.
Wie dit leest als aanval, heeft al partij gekozen.
Wie dit leest als analyse, verliest iets waardevollers dan gelijk: morele naïviteit.
Met onverholen genoegen,
Peter Koopman
De mythe van universele rechtvaardigheid
Morele taal als geëvolueerd zelfbedrog
Rechtvaardigheid zonder god — en zonder illusie
Het idee dat rechtvaardigheid universeel is — ouder dan cultuur, onafhankelijk van belangen en geldig los van context — is geen ontdekking maar een overlevering. In zijn vroegste vorm was rechtvaardigheid geen menselijke afspraak, maar een kosmisch gegeven. Zij kwam van God, van de orde der dingen, van een hogere werkelijkheid die boven het individu uitstak en diens handelen legitimeerde. Rechtvaardig handelen betekende: in overeenstemming zijn met de structuur van het bestaan. Onrecht was geen fout, maar een afwijking van de werkelijkheid zelf.
Die structuur is niet verdwenen. Zij is geseculariseerd.
Waar ooit goddelijke geboden stonden, verschijnen nu mensenrechten. Waar zonde en verlossing functioneerden als moreel raamwerk, spreken we nu over onrecht, herstel en erkenning. De theologie is vervangen, de architectuur intact gebleven. Rechtvaardigheid wordt nog steeds gepresenteerd als iets wat geldt, niet als iets wat ontstaat. Als iets dat boven mens en context staat, niet als iets wat door mensen wordt voortgebracht, toegepast en afgedwongen.
Dat is geen semantische verschuiving. Dat is de kern van het probleem.
Universele rechtvaardigheid functioneert als axioma. Zij wordt niet onderzocht, maar verondersteld. Niet beschreven, maar afgekondigd. Wie haar ter discussie stelt, wordt zelden inhoudelijk weerlegd; hij wordt moreel verdacht gemaakt. Want als rechtvaardigheid universeel is, dan is twijfel eraan per definitie onrechtvaardig. Zo onttrekt het begrip zich aan kritiek door zichzelf tot maatstaf van kritiek te maken.
Dit mechanisme is opmerkelijk stabiel. Religies, staten, rechtssystemen en ideologische bewegingen verschillen van inhoud, maar niet van structuur. Steeds opnieuw wordt een moreel principe verheven boven menselijk handelen, waarna menselijk handelen eraan wordt getoetst. Dat rechtvaardigheid altijd door mensen wordt gedefinieerd, door groepen wordt toegepast en door macht wordt afgedwongen, verdwijnt achter de claim van universaliteit.
Wie proclameert universele rechtvaardigheid? Het ongemakkelijke antwoord is: iedereen die haar nodig heeft. Priesters, juristen, politici, activisten, academici. Niet omdat zij samenzweren, maar omdat rechtvaardigheid een uitzonderlijk efficiënt instrument is. Zij legitimeert, sanctioneert, verenigt en sluit uit — zonder zichzelf ooit te hoeven verantwoorden. Zij hoeft niet waar te zijn om te werken. Zij hoeft alleen maar geloofd te worden.
Moraal als geëvolueerd mechanisme
De mens beschikt over morele intuïties die zijn geëvolueerd in kleine groepen: met directe wederkerigheid, zichtbare reputaties en onmiddellijke consequenties. Dat is geen ideologie, maar biologie. Die intuïties werken uitstekend binnen de stam. Ze falen zodra ze worden losgezongen van hun context en toegepast op anonieme massa’s, abstracte instituties en mondiale schaal.
Toch gebeurt precies dat — en met grote stelligheid.
Morele verontwaardiging voelt onmiddellijk, vanzelfsprekend en dwingend. Dat is geen defect van het brein, maar een functie ervan. Intuïties zijn snel omdat ze moeten zijn. Ze zijn niet ontworpen voor waarheid, maar voor cohesie. Niet voor universele geldigheid, maar voor lokale stabiliteit. Dat maakt ze evolutionair succesvol en politiek gevaarlijk.
Deze spanning — tussen lokale moraal en universele claim — vormt de rode draad van dit essay. Niet als moreel bezwaar, maar als functionele analyse.
Haidt als symptoom, niet als fundament
Binnen dit kader verschijnt Jonathan Haidt. Niet als ontdekker van morele relativiteit, en zeker niet als ontmaskeraar van rechtvaardigheid, maar als representatieve figuur van een bredere hedendaagse beweging: de poging om moraal te naturaliseren zonder haar consequenties volledig te accepteren.
Haidts social intuitionist model laat overtuigend zien dat morele oordelen primair intuïtief zijn en dat rationele argumentatie doorgaans volgt als rechtvaardiging achteraf. De mens redeneert niet naar zijn moraal toe; hij redeneert zijn moraal goed. In dat opzicht staat Haidt dichter bij David Hume dan bij Kant. De rede fungeert niet als rechter, maar als advocaat.
Tot hier is Haidt descriptief scherp. Zijn werk sluit naadloos aan bij evolutionaire en primatologische inzichten, verwant aan het onderzoek van Frans de Waal en Michael Tomasello. Morele intuïties zijn geen fouten, maar adaptaties. Zij zijn ontstaan in contexten waarin reputatie overleven betekende en uitsluiting fataal kon zijn.
Maar precies hier wordt Haidt interessant — en beperkt.
Gaandeweg verschuift zijn analyse van beschrijving naar impliciete normativiteit. Zijn morele fundamenten worden niet alleen gepresenteerd als bestaand, maar als iets wat erkend, gerespecteerd en in balans gehouden zou moeten worden. Wat begint als “mensen verschillen moreel” eindigt in “een gezonde samenleving integreert die verschillen”.
Dat is geen empirische conclusie. Dat is een wens.
Haidt fungeert hier niet als criticus van universele rechtvaardigheid, maar als haar gematigde beheerder. Hij naturaliseert moraal, maar weigert haar te ontregelen. Zijn theorie is een scalpel — maar hij snijdt niet tot op het bot.
Medestanders: convergentie zonder consequentie
Wie Haidt serieus neemt, kan niet om zijn medestanders heen. Niet omdat zij één school vormen, maar omdat zij vanuit verschillende disciplines hetzelfde blootleggen: moraal is ouder dan rede, sneller dan reflectie en primair sociaal.
Frans de Waal toont overtuigend dat moreel gedrag bij primaten bestaat. Maar wat hij laat zien is lokale wederkerigheid, geen universeel principe.
Michael Tomasello beschrijft gedeelde intentionaliteit, maar altijd ingebed in concrete praktijken.
Joshua Greene laat zien hoe morele intuïties falen zodra schaal toeneemt, maar eindigt in een pleidooi voor rationele correctie.
Joseph Henrich toont dat zogenaamd universele moraal grotendeels het product is van uitzonderlijke, historisch specifieke culturen.
Gezamenlijk leveren zij een robuust beeld op: moraal is geëvolueerd, functioneel en contextgebonden. Wat zij niet aantonen — en vaak impliciet ontkennen — is dat deze moraal geschikt is voor universele toepassing. Integendeel: hoe beter het mechanisme wordt begrepen, hoe duidelijker zijn beperkingen worden.
Het patroon is steeds hetzelfde: scherpe diagnose, terughoudende conclusie. Begrip moet verzoenen. Inzicht moet temperen. Alsof kennis het mechanisme buiten werking stelt.
Dat is hoopmanagement.
De opponenten: rechtvaardigheid als machtstechniek
Waar Haidt en zijn medestanders aarzelen, beginnen de opponenten pas echt serieus te worden. Niet omdat zij moraal afschaffen, maar omdat zij haar behandelen als wat zij functioneel is: een instrument.
Friedrich Nietzsche ontmantelt rechtvaardigheid via genealogie. Moraal ontstaat niet omdat zij waar is, maar omdat zij werkt. Zij legitimeert machtsverhoudingen door ze te presenteren als noodzakelijk.
Robert Trivers laat zien waarom moreel zelfbedrog adaptief is: wie zichzelf gelooft, overtuigt anderen effectiever.
Ernest Becker toont moraal als existentieel pantser tegen doodsangst.
David Graeber analyseert rechtvaardigheid als boekhoudsysteem van schuld en macht.
Hun conclusie convergeert: rechtvaardigheid corrigeert macht niet — zij organiseert haar. Zij vervangt dwang door norm, geweld door principe, uitsluiting door morele noodzaak.
Universele rechtvaardigheid blijkt geen morele horizon, maar een opschalingsstrategie.
Eindconclusie
Rechtvaardigheid ontmythologiseerd
Wat overblijft is geen moreel vacuüm, maar een helderder zicht. Rechtvaardigheid is geen universeel kompas, maar een geëvolueerd stammechanisme dat in moderne samenlevingen structureel wordt overschat en instrumenteel ingezet.
De moderne mens is niet moreel universeler geworden, maar retorisch handiger. Hij gebruikt abstracte rechtvaardigheid om oude tribale dynamieken te verhullen in nieuwe taal. Wat veranderd is, is niet het brein, maar het decor.
Wie dit erkent, verliest geen moraal. Hij verliest illusies.
En dat is precies wat nodig is om menselijk gedrag te begrijpen zonder het te verfraaien.
Literatuur
· Jonathan Haidt — The Righteous Mind
· Friedrich Nietzsche — Zur Genealogie der Moral
· Robert Trivers — The Folly of Fools
· Ernest Becker — The Denial of Death
· Frans de Waal — Good Natured
· Michael Tomasello — A Natural History of Human Morality
· Joshua Greene — Moral Tribes
· Joseph Henrich — The WEIRDest People in the World
· David Graeber — Debt: The First 5000 Years
· David Hume — A Treatise of Human Nature
