De leunstoelfilosoof

De leunstoelfilosoof

Beste lezer,

Een vijftienjarige bruid getraind om zo min mogelijk te zien, horen en vragen. Xenophon vindt dat vermeldenswaard, niet schokkend. Wij vinden het strafbaar. Dat verschil zit niet in de mens, het zit in wat we inmiddels weten over wat zoiets met een lichaam doet.

Dit essay trekt de grens tussen begrip voor het verleden en excuus voor het verleden. Skinner en Thompson krijgen gelijk waar ze gelijk hebben. Feinberg en Felitti laten zien waar dat gelijk ophoudt.

Peter Koopman

 

De leunstoelfilosoof

Xenophon beschrijft in de Oeconomicus hoe Ischomachus zijn bruid opvoedt. Ze is nog geen vijftien, ze is getraind om zo weinig mogelijk te zien, zo weinig mogelijk te horen, zo min mogelijk vragen te stellen. Niemand in dat Athene fronste de wenkbrauwen. Het paste in het kader. Vandaag levert diezelfde constellatie, huwelijksleeftijd, machtsverschil, opvoeding tot onwetendheid, in de meeste rechtsstelsels celstraf op. Tussen die twee feiten zit geen ontwikkeling van de mens, er zit een verschuiving van het narratief dat over hem heen ligt.

E.P. Thompson noemde het oordelen over het verleden vanuit het heden the enormous condescension of posterity, en hij had daar een punt mee dat verder reikt dan zijn eigen onderwerp, de Engelse arbeidersklasse. Quentin Skinner bouwde er in de Cambridge School een methode op. Een handeling of tekst uit het verleden begrijp je alleen binnen het conceptuele vocabulaire dat de actoren zelf ter beschikking hadden. De vader in 1650 had geen ontwikkelingspsychologie, geen Bowlby, geen hechtingstheorie. Hij handelde met de informatie die zijn tijd hem gaf, en die informatie was mager.

Hier gaat het meestal mis, en niet bij de mensen die je zou verwachten. Wie epistemisch begrip verwart met morele vrijspraak, maakt een fout die klinkt als nuance en functioneert als alibi. Je kunt volledig begrijpen waarom een zeventiende eeuwse arts aderlating toepaste, zijn kader liet hem niets anders zien, en toch vaststellen dat de patiënt er slechter van werd. Begrijpen waarom iemand iets deed is geen argument voor de onschadelijkheid van wat hij deed. Dat onderscheid is oud, het heet in de ethiek intentie versus uitkomst, en het wordt zelden zo selectief toegepast als in dit dossier.

Joel Feinberg leverde in Harms to Others het instrument om dat verschil scherp te krijgen. Zijn voorbeeld is een man wiens bedrijf failliet gaat terwijl hij slaapt. Hij weet van niets, voelt niets, zijn bewustzijn registreert geen enkele verandering, en toch zijn zijn belangen aantoonbaar geschaad. Feinberg noemt dat harm to interests, schade aan de belangenstructuur van het organisme, los van de vraag of dat organisme er iets van doorkrijgt of er een woord voor heeft. Vertaal dat naar een kind zonder concept van wat hem overkomt en de conclusie verandert niet. Afwezigheid van een klacht is geen bewijs van afwezigheid van schade, het is vaak precies het domein waar schade het onopgemerktst woedt.

Vincent Felitti’s ACE onderzoek bij Kaiser Permanente, tienduizenden patiënten, laat een dosis respons relatie zien tussen vroegkinderlijk misbruik en hart en vaatziekte, verslaving, suïciderisico, decennia later. Die curve loopt volledig langs de hoofden van mensen heen die op het moment zelf geen woord hadden voor wat hen overkwam. Het lichaam hield de rekening bij terwijl het narratief nog sliep. Bessel van der Kolk vat dat samen met The Body Keeps the Score, geen metafoor maar een claim over hoe preverbaal geheugen zich vastzet in het autonome zenuwstelsel, ruim voor er taal is om het te benoemen.

Nu het weerwoord dat vaak wordt ingezet tegen dit soort claims, en terecht. Thomas Nagel muntte in zijn essay Moral Luck uit 1976 het verschijnsel dat twee actoren met identieke intentie en identiek gedrag radicaal verschillend beoordeeld worden puur op basis van een uitkomst die buiten hun controle ligt. Bernard Williams werkte hetzelfde jaar een verwante versie uit. Twee chauffeurs rijden even roekeloos, een raakt een voetganger, de ander niet. De blaam op hun karakter zou identiek moeten zijn, en voelt dat nooit. Pas die logica toe op twee soldaten die identiek handelen onder vuur, de een sneuvelt, de ander wordt gedecoreerd, en je ziet hetzelfde mechanisme in optima forma. Baron en Hershey noemden dit in 1988 outcome bias, het systematisch beoordelen van een beslissing op basis van de afloop in plaats van op basis van de informatie die er op het moment van beslissen was.

Dat mechanisme is echt, gerepliceerd, en het ondermijnt precies niets van wat Feinberg en Felitti vaststellen. Moral luck gaat over het oordeel over de actor. Het gaat niet over het feit van de schade bij het slachtoffer. De soldaat die sneuvelt is dood, ongeacht of de geschiedschrijving hem later held of statistiek noemt. Wie die twee vragen laat samenvallen, gebruikt een geldig filosofisch instrument voor een taak waar het niet voor gebouwd is.

Miranda Fricker voegt in Epistemic Injustice een laag toe die dichter bij de kern zit. Haar begrip hermeneutical injustice beschrijft vrouwen in de jaren zeventig die intimidatie op de werkvloer voelden zonder er een woord voor te hebben, niet omdat de ervaring er niet was, maar omdat het collectieve begrippenkader het nog niet bevatte. Fricker trekt daar de conclusie uit die dit hele dossier tegenspreekt, namelijk dat de afwezigheid van het concept zelf een vorm van onrecht was, niet een vrijbrief voor wie het veroorzaakte.

Steven Pinker geeft in The Better Angels of Our Nature het tegenwicht tegen totaal relativisme. Geweld tegen kinderen, huiselijk geweld, dierenmishandeling zijn over eeuwen meetbaar afgenomen, niet omdat het heden toevallig een superieur gevoel heeft ontwikkeld, maar omdat de cirkel van empathie zich uitbreidde naarmate informatie en onderlinge afhankelijkheid toenamen. Zeventiende eeuwse ouders hadden slechtere voorspellingsmodellen over ontwikkelingsschade, niet omdat ze minder mens waren, maar omdat hun informatieomgeving armer was. Dat is geen morele superioriteit, dat is een betere sensor.

Wat overblijft na alle correcties op elkaar is een precieze splitsing in plaats van een vrijbrief. Over de intentie en het karakter van de individuele vader, arts, of soldaat uit het verleden kun je niet oordelen zonder in condescension te vervallen, Skinner en Thompson hebben daar gelijk in en dat gelijk verdwijnt niet. Over wat er met het lichaam van het andere organisme gebeurde kun je wel degelijk iets vaststellen, want dat lichaam had geen concept nodig om te reageren zoals het reageerde. De leunstoelfilosoof die de zeventiende eeuwse vader een monster noemt, heeft ongelijk. De patholoog die vaststelt wat er met het kind gebeurde, heeft dat niet. Het zijn geen synoniemen, ook al passen ze toevallig in dezelfde zin.

Literatuurlijst, De leunstoelfilosoof

Feinberg, Joel. Harms to Others. Oxford University Press, 1984.
Felitti, Vincent J. e.a. “Relationship of Childhood Abuse and Household Dysfunction to Many of the Leading Causes of Death in Adults.” American Journal of Preventive Medicine, 1998.
Fricker, Miranda. Epistemic Injustice. Oxford University Press, 2007.
Nagel, Thomas. “Moral Luck.” Mortal Questions, Cambridge University Press, 1979.
Pinker, Steven. The Better Angels of Our Nature. Viking, 2011.
Skinner, Quentin. Visions of Politics. Cambridge University Press, 2002.
Thompson, E.P. The Making of the English Working Class. Victor Gollancz, 1963.
Van der Kolk, Bessel. The Body Keeps the Score. Viking, 2014.
Williams, Bernard. Moral Luck. Cambridge University Press, 1981.
Xenophon. Oeconomicus.

Ook interessant voor jou!