Ik voel, dus ik besta — over de illusie van morele deelname
Beste lezer,
Een ramp, een oorlog, een kind in nood — en daar drukken we massaal op dat kleine blauwe hartje.
Een digitaal ritueel van empathie. Kort, schoon, zonder consequenties.
We voelen iets, of denken dat we iets voelen. En dat lijkt genoeg.
In mijn nieuwe essay De Illusie van Deelname – Ik voel, dus ik besta onderzoek ik hoe de moderne mens zijn geweten heeft uitbesteed aan zijn scherm. Hoe gevoel de plaats van denken heeft ingenomen, en deelname is verworden tot decor.
We beleven moraal, maar beoefenen haar niet.
Van Baudrillard tot Byung-Chul Han, van Sapolsky tot Arendt — dit is een dissectie van de dopamine-democratie: een wereld waarin empathie een merk is geworden en betrokkenheid een reflex.
Een essay over hoe de mens liever zichtbaar deugt dan daadwerkelijk handelt.
Lees het gerust.
Niet om te voelen dat je iets doet, maar om te beseffen waarom dat gevoel zo verleidelijk is.
Hartelijke groet,
Peter Koopman
Hoofdstuk II
De Illusie van Deelname: Ik voel, dus ik besta
Peter Koopman – Een evolutionair-filosofische dissectie van de moderne mens
I. Het theater van betrokkenheid
Het begon onschuldig.
Een bericht op sociale media: een natuurramp, een kind in een ziekenhuis, een oorlog ergens ver weg. En zoals iedereen drukte ik op het kleine, blauwe hartje. Een digitaal ritueel van betrokkenheid. Kort, efficiënt, bloedeloos.
Ik voelde even iets — of dacht dat ik iets voelde.
Een minuscule tinteling van morele zelfrechtvaardiging, een dopaminepuls van ik heb gereageerd, dus ik besta.
Daar, in dat korte moment van virtuele empathie, schuilt de paradox van onze tijd: we verwarren beleving met betekenis, gevoel met verantwoordelijkheid. De moderne mens deelt zijn betrokkenheid, maar handelt niet meer. Hij beleeft moraal, maar beoefent haar niet.
We zijn getuige geworden van een opmerkelijke evolutionaire mutatie: van homo sapiens, de denkende mens, naar homo participans, de deelnemende mens — die niet langer denkt om te begrijpen, maar voelt om gezien te worden.
II. De emotie als identiteit
In een tijd waarin waarheid vloeibaar is, is gevoel de laatste overgebleven autoriteit. “Ik voel dat het zo is” geldt tegenwoordig als argument, “ik voel me gekwetst” als axioma.
De Franse filosoof Jean Baudrillard schreef dat de moderne mens leeft in een wereld van simulacra: kopieën zonder origineel.1 Onze emoties functioneren op dezelfde manier. We spelen emotie, vaak naar analogie van wat we elders zagen — als een echo van andermans verdriet.
De Amerikaanse cultuurcriticus Christopher Lasch noemde dit in The Culture of Narcissism (1979) een “emotionele markteconomie”: gevoelens worden getoond, verhandeld en beloond met aandacht. De tranen zijn echt, maar het publiek is de reden dat ze vloeien.
Het “ik voel” is daarmee het nieuwe “ik denk”. Waar Descartes nog het denken als bewijs van bestaan zag, bevestigt de moderne mens zichzelf door zijn emoties publiek te etaleren. Niet de ratio, maar de expressie bewijst dat je er bent.
De mens is een toneel geworden van zijn eigen gevoelens, georkestreerd door algoritmen die precies weten welke stimuli ons kortstondig laten trillen.
III. De dopamine-democratie
De sociale infrastructuur van de 21e eeuw is gebouwd op emotionele beloning. Elk platform meet, voedt en exploiteert ons affectieve gedrag. De mens is geen burger meer, maar een zenuwcel in een wereldwijd netwerk van gevoelsuitwisseling.
Robert Sapolsky beschrijft in Behave (2017) hoe de menselijke hersenen reageren op sociale bevestiging met dezelfde neurochemische respons als bij voedsel of seks.2 De beloning voor “betrokkenheid” is dus letterlijk verslavend.
Byung-Chul Han noemt dit de aandachts-economie van de ziel — een systeem dat niet onderdrukt, maar verleidt. We klikken vrijwillig, maar dat ‘vrijwillig’ is misleidend: het is de vrijwilligheid van een verslaafde die zegt dat hij “toch kan stoppen”.
Onze digitale omgeving is evolutionair ontworpen om onze sociale reflexen te exploiteren. Elk bericht is een miniatuurversie van Pavlov’s bel.
Het resultaat: een mens die emotioneel hyperactief maar moreel verlamd is.
We reageren op alles, maar handelen op niets.
IV. Het verlies van context
Een beeld van een huilend kind in Gaza, een kat in een boom in Haarlem, een smeltende gletsjer — allemaal in één scrollende seconde. Het brein kan de morele hiërarchie niet meer onderscheiden.
Psychologen noemen dit empathische inflatie: wanneer alles urgent lijkt, verliest urgentie betekenis. De constante stimulatie dooft het vermogen tot onderscheiden.
Susan Sontag schreef al in Regarding the Pain of Others (2003) dat we door de herhaling van beelden ongevoelig worden voor echt lijden. De foto van het gewonde kind wekt medelijden op — maar slechts zolang de duim nog niet verder is geswipet.
De aandachtseconomie heeft empathie omgezet in consumptiegedrag: hoe meer we zien, hoe minder we voelen.
V. Virtuele solidariteit – de paradox van gemak
Er is iets komisch aan hoe gemakzuchtig onze solidariteit is geworden. We zijn moreel actief vanuit de luie stoel.
Een profielkader om de foto, een vlaggetje, een handjevol hashtags — het ritueel is compleet.
Het is morele outsourcing: we besteden ons geweten uit aan symbolen.
Hannah Arendt waarschuwde al voor de “banaliteit van het kwaad”: niet dat de mens kwaadaardig is, maar dat hij gedachteloos handelt.3 De hedendaagse banaliteit is niet het kwaad zelf, maar de zelfgenoegzame illusie dat we goed doen door zichtbaar te lijken deugen.
De illusie van deelname is evolutionair geniaal: ze laat ons moreel voldaan voelen zonder kosten. Geen risico, geen inspanning, geen contradictie. Alleen symboliek.
En precies daarom werkt het. De beloning is kort, maar krachtig.
We voelen ons goed – en de wereld blijft zoals hij was.
VI. De commodificatie van betrokkenheid
In het tijdperk van het ik voel is elk gevoel verhandelbaar.
Bedrijven, politici en influencers exploiteren emoties als grondstof.
Empathie is een marketingstrategie geworden. De merkwaarde van een organisatie hangt af van haar vermogen “betrokkenheid” te simuleren. Zelfs goede doelen verkopen hun ethiek in de taal van de lifestyle.
Guy Debord had dit al scherp gezien in La Société du spectacle (1967): alles wat direct geleefd werd, is vervangen door representatie.
Betrokkenheid is niet langer een daad, maar een schouwspel van betrokkenheid.
De moraal is gecommercialiseerd. De mens participeert niet meer in de samenleving — hij abonneert zich erop.
VII. De publieke biecht
Er is een nieuw ritueel ontstaan: de publieke biecht.
De mens die zijn fouten online bekent, niet uit berouw, maar om zijn imago te herstellen.
Foucault beschreef in Discipline and Punish (1975) hoe macht verschuift van fysieke dwang naar interne disciplinering. De moderne biecht is geen dwang, maar zelfcensuur in ruil voor vergeving en zichtbaarheid.4
We zijn niet vrij van oordeel, we hebben het geïnternaliseerd.
We fluisteren onze excuses in de algoritmische ruimte en wachten op digitale absolutie.
De illusie van deelname is daarmee ook een illusie van verlossing: we geloven dat de wereld beter wordt omdat we publiek onze spijt betuigen. Maar in werkelijkheid verandert alleen ons profiel.
VIII. De fysiologie van de menigte
De sociale zwerm heeft een biologie. Neurowetenschappers als Daniel Goleman en Matthew Lieberman tonen aan dat empathie en groepsgedrag via spiegelneuronen worden aangestuurd: we voelen wat anderen voelen, letterlijk in de hersenen.5
In de oertijd was dat een evolutionair voordeel: het versterkte samenwerking en altruïsme binnen kleine groepen. Maar in een wereld van miljarden signalen leidt dat mechanisme tot emotionele overbelasting.
We zijn neurologisch niet uitgerust voor wereldwijde medeleven-on-demand.
Tomasello noemt dit in A Natural History of Human Morality (2016) “misplaatste tribaliteit”: het morele kompas dat ooit werkte in kleine stammen, raakt ontregeld in anonieme massa’s.
De moderne empathie is een systeemfout in een evolutionair verouderd brein.
IX. De narcistische reflex
Ik merk het bij mezelf: als ik iets zie wat me ontroert, denk ik niet “hoe kan ik helpen?”, maar “hoe voelt dit voor mij?”.
De emotie draait zich naar binnen.
Fromm beschreef dit als het marketingkarakter van de moderne mens: een identiteit die zichzelf voortdurend verkoopt aan de omgeving.6
We leven niet meer in een samenleving van daden, maar van expressies. Moraal is geen praxis, maar een performance.
De digitale cultuur heeft de empathie versmald tot een spiegelreflex. We kijken naar het leed van anderen en zien alleen onszelf.
X. De stilte als verzet
Er komt een moment waarop je het geluid niet meer verdraagt. De constante meningen, emoties, verontwaardiging, de collectieve ruis.
Ik ervaar het soms letterlijk fysiek — alsof mijn zenuwstelsel schreeuwt om rust.
Daar, in die stilte, besef ik iets eenvoudigs maar radicaals: niet alles wat ik voel, is belangrijk. Niet elk gevoel hoeft gedeeld.
Misschien is echte betrokkenheid juist het vermogen om niet te reageren. Om de prikkel te weerstaan. Om te handelen zonder getuigen.
Byung-Chul Han schrijft dat in de transparante samenleving de stilte het laatste bastion van vrijheid is.7
De mens die niet alles deelt, herwint zijn autonomie.
Echte deelname vereist afstand. Empathie zonder afstand is besmet met zelfverheerlijking.
XI. Epiloog – De terugkeer van het geweten
De illusie van deelname is verleidelijk omdat ze pijnloos is.
Maar morele groei vraagt om ongemak.
Niet de klik, maar de confrontatie maakt ons menselijk. Niet het gevoel, maar het handelen.
We moeten opnieuw leren dat deelname meer is dan aanwezigheid. Dat empathie geen publieke daad is, maar een persoonlijke keuze. Dat het ik voel slechts waarde heeft als het leidt tot ik doe.
Misschien begint echte gemeenschap niet bij het scherm, maar daarbuiten — in de aanraking, de blik, de daad.
En misschien is dat de meest radicale vorm van verzet in onze tijd:
zwijgen, voelen, en vervolgens iets dóén.
Eindnoten Hoofdstuk II
- Baudrillard, J. (1981). Simulacres et Simulation. Galilée.
- Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin.
- Arendt, H. (1958). The Human Condition. University of Chicago Press.
- Foucault, M. (1975). Discipline and Punish: The Birth of the Prison. Vintage.
- Lieberman, M. D. (2013). Social: Why Our Brains Are Wired to Connect. Crown.
- Fromm, E. (1947). Man for Himself: An Inquiry into the Psychology of Ethics. Routledge.
- Han, B.-C. (2012). Transparenzgesellschaft. Matthes & Seitz.
Footnotes
- Baudrillard, J. (1981). Simulacres et Simulation. Galilée.
- Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin.
- Arendt, H. (1958). The Human Condition. University of Chicago Press.
- Foucault, M. (1975). Discipline and Punish: The Birth of the Prison. Vintage.
- Lieberman, M. D. (2013). Social: Why Our Brains Are Wired to Connect. Crown.
- Fromm, E. (1947). Man for Himself: An Inquiry into the Psychology of Ethics. Routledge.
- Han, B.-C. (2012). Transparenzgesellschaft. Matthes & Seitz. ↩
