DE ACTEUR GELOOFT ZIJN EIGEN ROL – Zelfbedrog, hormonen en de jacht die de vangst verving

DE ACTEUR GELOOFT ZIJN EIGEN ROL - Zelfbedrog, hormonen en de jacht die de vangst verving

Trouwe lezer,

Je hebt vannacht tegen iemand gezegd dat het geweldig was. De kans dat je loog is groot. De kans dat je het zelf niet eens doorhad, is groter.

Dit essay gaat over wat er gebeurt tussen twee mensen zodra aandacht wordt omgezet in aanraking. Het loopt langs een socioloog die je zelfbeeld al honderd jaar geleden ontmaskerde als een spiegeltruc, langs een evolutiebioloog die zelfbedrog uitlegde als de beste manier om een ander te bedriegen, en langs twee hersensystemen die niet weten van elkaars bestaan terwijl ze allebei denken de baas te zijn.

De adder: dit is geen pleidooi tegen verlangen, en geen preek over eerlijkheid in de slaapkamer. Het is een ontmaskering van iets veel onschuldigers klinkend: dat jagen zelf een beloning is geworden, los van wat er ooit gevangen moest worden.

Lees door als je durft te weten waarom je gisteravond deed alsof, en waarom dat “alsof” de enige manier was waarop het kon werken.

Veel leesplezier,

Peter Koopman

 

DE ACTEUR GELOOFT ZIJN EIGEN ROL

Zelfbedrog, hormonen en de jacht die de vangst verving

Je weet niet wie je bent. Je raadt het, op basis van hoe je denkt dat anderen naar je kijken. Dat is geen filosofische stelling, het is een simpele beschrijving van hoe het zelfbeeld tot stand komt: niet door introspectie, maar door een aanname over andermans blik op jou, die je vervolgens voor waarheid aanziet. Cooley noemde dit ruim een eeuw geleden al de spiegel-zelf, en Mead werkte het uit tot een compleet mechanisme waarin je jezelf pas leert kennen door de rol van de ander in je hoofd te spelen. Je reageert dus niet op wat je bent. Je reageert op je model van wat een ander van je vindt. Dat is precies de voorspellingswet: de mens handelt naar zijn interpretatie van de werkelijkheid, niet naar de werkelijkheid zelf.

Aandacht is daarmee geen leuk extraatje. Het is de grondstof waarmee dat zelfbeeld overeind blijft. Wie aandacht krijgt, bestaat een beetje harder. Wie genegeerd wordt, verdampt een beetje. Dat is de aandachtswet in zijn meest kale vorm: wat aandacht krijgt groeit, en het zelf is geen uitzondering op die regel. De mens is dan ook geen sociaal dier omdat dat gezellig uitkomt. Hij is het omdat zijn nageslacht jarenlang hulpeloos blijft en dus jarenlang twee volwassenen nodig heeft die aan elkaar vastplakken. De behoefte aan aandacht is geen randverschijnsel van de voortplanting. Ze is er een directe afgeleide van.

En dan komt het punt waarop dit stuk zich onderscheidt van de gebruikelijke verhalen over sublimatie. Aandacht wordt niet zomaar omgezet in seks als een soort nette ruilhandel. De omzetting zelf wordt vervalst. Wat er lichamelijk gebeurt, wordt gebruikt als bewijsstuk voor een verbondenheid die er soms wel is en soms alleen wordt opgevoerd, en het perverse is dat de opvoerder daar zelf nauwelijks besef van heeft.

Waarom zou een organisme zichzelf voor de gek houden in plaats van gewoon eerlijk te bedriegen? Trivers gaf het antwoord dat nog altijd het scherpste is: de beste leugenaar is degene die zijn eigen leugen gelooft. Een bewuste leugenaar verraadt zich, via een blik, een aarzeling, een verkeerde intonatie. Wie zichzelf eerst overtuigt, hoeft niets te verbergen, want er is niets te verbergen. Zelfbedrog is dan geen fout in het systeem. Het is de meest efficiënte vorm van bedrog die de evolutie kon uitvinden, en de foutwet krijgt hier een wrange draai: wat een gebrek lijkt, een mens die zichzelf voorliegt, is in werkelijkheid het ontwerp dat het beste werkt.

Het lichaam levert het materiaal voor die zelfmisleiding gratis mee. Vasopressine en oxytocine, vrijkomend bij fysiek contact, zorgen bij prairiewoelmuizen voor de vorming van een levenslange band met precies één partner terwijl een verwante, bijna identieke soort woelmuis zonder diezelfde receptorverdeling niets van dat soort trouw vertoont. Young en Wang hebben dat verschil decennialang in kaart gebracht. Bij de mens werkt het rommeliger, maar het patroon is hetzelfde: een chemische golf wordt door het brein geïnterpreteerd als “dit is bijzonder, dit is verbondenheid”, terwijl die golf op zichzelf niets zegt over de kwaliteit van de partner, alleen over wat er net met je lijf gebeurd is. Het verhaal dat je erover vertelt, komt achteraf. Eerst het hormoon, dan de betekenis, dan de overtuiging dat die betekenis er altijd al was. De narratiefwet in actie: het verhaal verklaart het gedrag pas nadat het gedrag al heeft plaatsgevonden, en stabiliseert het vervolgens alsof het van tevoren zo bedoeld was.

Dan het deel dat het meest ongemakkelijk aanvoelt zodra je het scherp stelt. Jagen en genieten zijn geen momenten uit dezelfde ervaring. Het zijn twee gescheiden hersensystemen die zelden synchroon lopen. Berridge en Robinson toonden aan dat het dopaminerge systeem verantwoordelijk is voor willen, het opioïde systeem voor het daadwerkelijke genot, en dat die twee systemen elkaar makkelijk kwijtraken. Het willen kan blijven groeien terwijl het genieten gelijk blijft of zelfs afneemt. Dat verklaart waarom scoren op zichzelf al bevrediging geeft, los van wat er daarna gebeurt, en waarom die bevrediging elke keer een beetje meer nodig heeft om hetzelfde effect te geven. De efficiëntiewet zegt het droog: wat herhaald wordt, wordt goedkoop, en wat goedkoop wordt, verliest intensiteit. Dus moet de jacht zelf escaleren, niet omdat het genot tekortschiet, maar omdat het wanting-systeem zijn eigen dosis nodig heeft, los van de rest.

Dit is het model in actie. Loop een willekeurige sportschool binnen op een drukke avond en je ziet de symbolische wet in levenden lijve: spiegels, herhalingen tot falen, een setje voor een setje, allemaal signalen die niets met kracht op zichzelf te maken hebben en alles met wie er kijkt. De gespierde arm is geen doel, het is een advertentie, en Zahavi liet zien waarom dat soort dure, schijnbaar nutteloze signalen juist eerlijker overkomen naarmate ze meer kosten. Vervang de sportschool door een datingapp en het beeld verandert nauwelijks. De swipe, de match, de eerste berichten: allemaal wanting-systeem, aangevuurd en beloond nog voordat er ooit lichamelijk contact is geweest. Tegen de tijd dat twee mensen daadwerkelijk in bed liggen, heeft het brein van beiden al een hele voorstelling gedraaid over wat dit moment zou moeten betekenen, en wordt de rest van de avond besteed aan het naspelen van die voorstelling, niet aan het beleven van wat er werkelijk gebeurt.

Het gevolg is een soort tweesporigheid die zelden hardop wordt uitgesproken: de een is diep onder de indruk van het eigen gevoel, gevoed door hormonen die niets afweten van de ander in het bed, terwijl de ander precies hetzelfde privétheater opvoert, met zijn eigen soundtrack en zijn eigen publiek. Twee acteurs, geen van beiden op de hoogte dat de ander ook speelt, allebei ervan overtuigd dat het geen rol is. Geen complot, geen opzettelijke misleiding. Gewoon twee zenuwstelsels die doen waar ze goed in zijn: een verhaal verzinnen dat net op tijd klaar is om als waarheid te worden ervaren.

Er zit geen advies aan het eind. Wie hoopt op een tip om het “echter” te maken, heeft niet goed gelezen: het systeem werkt namelijk uitstekend zoals het is, in evolutionaire zin. De vervalsing is geen storing die opgelost moet worden, ze is het smeermiddel waarmee twee onzekere zelfbeelden elkaar voor lang genoeg kunnen verdragen om een volgende generatie op de been te helpen. Sed intelligere. Niet lachen om de acteurs, niet huilen om het bedrog, gewoon zien dat het decor allang bekend voorkwam voordat het doek voor de zoveelste keer opging.

 

Verwijzingen

  • Charles Horton Cooley, Human Nature and the Social Order (1902) — het spiegel-zelf.
  • George Herbert Mead, Mind, Self, and Society (1934) — de gegeneraliseerde ander.
  • Robert Trivers, Deceit and Self-Deception: Fooling Yourself the Better to Fool Others (2011); zie ook zijn voorwoord bij Dawkins’ The Selfish Gene (1976) over de evolutie van zelfbedrog.
  • Larry J. Young en Zuoxin Wang, onderzoek naar vasopressine- en oxytocinereceptoren bij prairiewoelmuizen versus bergwoelmuizen (samengevat in Nature Neuroscience, 2004, en eerder werk vanaf de jaren negentig).
  • Thomas Insel en Larry Young, “The neurobiology of attachment”, Nature Reviews Neuroscience (2001).
  • Kent Berridge en Terry Robinson, incentive-sensitization-theorie (“wanting” versus “liking”), o.a. Brain Research Reviews (1998) en samengevat in American Psychologist (2016).
  • Amotz Zahavi, het handicapprincipe / costly signaling (1975), later uitgewerkt met Avishag Zahavi in The Handicap Principle (1997).

 

Ook interessant voor jou!