Het gelijk als vergunning
Beste lezer,
Vandaag een essay over mensen die de democratie verdedigen door een derde van de kiezers buiten de deur te zetten, en die daar geen probleem in zien.
In het kort. Wie een ander uitsluit, beweert zonder het te zeggen dat hij zelf niet kan dwalen. Toch voelt dat van binnen niet als hoogmoed maar als waarneming: een morele overtuiging zit in het hoofd opgeslagen als feit, niet als mening. Het beginsel “iedereen mag spreken” en de uitzondering “behalve zij” liggen in aparte laden die elkaar nooit ontmoeten, en dat is geen defect maar de bouwtekening. De uitsluiter oogst er status mee bij de eigen groep en spaart zichzelf de spiegel, want van wie fout is hoef je niets te leren. Elke tolerantieleer had in de laatste alinea een lijstje van wie er niet onder viel, en de geschiedenis leert dat de zuiverheidsveiling doorgaat tot de zuiveraar zelf aan de beurt is.
De conclusie: het gevaar zit niet in de foute mening maar in de zekerheid, en wie zeker weet dat hij de democratie verdedigt, heeft haar enige correctiemiddel al weggegooid.
Welk feit zou u van gedachten doen veranderen? Schrik niet als het antwoord uitblijft.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Het gelijk als vergunning
Zondagavond 6 september, Maagdenburg. Om 23.22 uur staat de prognose op 44,4 procent voor de AfD, 39 van de 83 zetels, drie te weinig voor een meerderheid. Opkomst 76,9 procent, zestien punten hoger dan vijf jaar eerder. Een derde van alle kiesgerechtigden in Sachsen-Anhalt heeft dezelfde partij aangekruist, en dat is meer dan welke partij in deze deelstaat ooit heeft gehaald.
Maandagochtend, Hilversum. Het woord dat valt is “uitsluiten”. Het valt bij een politicus, bij een podcaster, bij een columnist die de avond ervoor nog Voltaire citeerde: ik ben het niet met u eens, maar ik zal tot de dood uw recht verdedigen om het te zeggen. Voltaire heeft dat nooit gezegd. Evelyn Beatrice Hall schreef het in 1906 in een biografie, onder een mannelijk pseudoniem, als samenvatting van wat hij volgens haar bedoeld moet hebben, en gaf later toe dat ze geen bron had. Voltaire zelf zag het volk als “la canaille” en zocht zijn heil bij Frederik de Grote en Catharina van Rusland. Een Britse dame laat een Franse aristocraat zeggen wat een Nederlandse talkshowgast graag over zichzelf gelooft. Drie lagen fictie, en iedereen citeert de zin over zijn eigen vrijheid, vrijwel nooit over die van de tegenstander.
Dit stuk gaat niet over de partij. Het gaat over het document dat de talkshowgast omhooghoudt terwijl hij het woord uitspreekt. Het is een document dat niemand ooit heeft ondertekend en dat toch overal wordt erkend: zijn gelijk, als vergunning.
Het document
John Stuart Mill zag het formulier al in 1859, in het tweede hoofdstuk van On Liberty: wie een mening het zwijgen oplegt, veronderstelt daarmee zijn eigen onfeilbaarheid. All silencing of discussion is an assumption of infallibility. Wie een ander uitsluit, beweert zonder het te zeggen dat hij zelf niet kan dwalen, en wie dat beweert is een mens die een eigenschap claimt die mensen niet hebben. Mill ging verder, en dat deel wordt nooit geciteerd. Ook een juiste mening die niet meer wordt aangevochten sterft af tot een dood dogma, gehouden zonder dat de houder nog weet waarom. Kijk naar het woord democratie in de mond van wie het meest gebruikt. Het is een sjibbolet geworden, een wachtwoord dat je uitspreekt om erbij te horen, en vraag de spreker naar de inhoud en hij begint over waarden.
De vergunning wordt niet uitgegeven door bewijs. Ze wordt uitgegeven door een gevoel, en het gevoel heeft geen loket. Linda Skitka onderzoekt al twintig jaar wat zij moral conviction noemt, en haar uitkomsten zijn opmerkelijk stabiel: een opvatting die als moreel wordt ervaren voelt voor de drager niet als mening maar als waarneming. Universeel geldig, onafhankelijk van wat autoriteiten zeggen, en vanzelfsprekend zoals de kleur van een muur. Mensen met zo’n overtuiging houden meetbaar meer fysieke afstand van andersdenkenden, willen niet naast hen zitten, en accepteren eerder een procedure die hen buiten de deur houdt. Niet uit slechtheid. Het brein registreert het verschil tussen “ik vind” en “het is” niet zolang het onderwerp moreel geladen is. De grammatica verschuift vanzelf, en de spreker merkt de verschuiving even weinig als hij zijn eigen accent hoort.
De binnenkant
Wat er dan in dat hoofd gebeurt, is de afgelopen dertig jaar redelijk goed in kaart gebracht, en het is niet flatteus. Jonathan Haidt zette het als kernstelling in The Righteous Mind: de intuïtie komt eerst, de redenering holt erachteraan als een persvoorlichter die de uitspraak van zijn minister moet uitleggen. Hume had het twee eeuwen eerder al gezegd, de rede is en behoort de slaaf van de passies te zijn, maar Haidt had proefpersonen. Mercier en Sperber legden in The Enigma of Reason uit waarom het apparaat zo gebouwd is: ons redeneervermogen is niet geëvolueerd om de waarheid te vinden maar om anderen te overtuigen en de eigen positie te verdedigen. Een orgaan dat argumenten produceert zoals de lever gal produceert, en met ongeveer evenveel belangstelling voor de vraag of ze kloppen.
Robert Trivers maakte het rond. Wie zijn eigen onzin oprecht gelooft, liegt overtuigender dan wie weet dat hij liegt, dus selecteerde de evolutie op oprechte zekerheid. Zelfbedrog is geen bijproduct, het is gereedschap. En Robert Kurzban gaf de dubbele moraal haar biologische vorm in een titel die het hele stuk samenvat: Why Everyone (Else) Is a Hypocrite. Het brein is modulair. Het beginsel “iedereen mag spreken” zit in de ene la, de uitzondering “behalve zij” in een andere, en de laden ontmoeten elkaar nooit, tenzij iemand van buiten ze allebei opentrekt en naast elkaar op tafel legt. De hypocrisie die de buitenstaander ziet, voelt van binnen als consistentie. Dat is geen defect van het systeem; dat is het systeem.
Er zit een tweede motor onder, en die is sociaal. Molly Crockett liet in 2017 zien dat morele verontwaardiging in het digitale tijdperk vrijwel niets kost en vrijwel altijd wordt beloond. Jillian Jordan en David Rand toonden dat verontwaardiging werkt als signaal van betrouwbaarheid richting de eigen groep: wie luid veroordeelt, laat zien dat hij te vertrouwen is. Wie uitsluit, verdient status, en status is het enige dat een talkshow werkelijk produceert. Voeg daar Arie Kruglanski’s need for closure aan toe en Else Frenkel-Brunswiks bevinding uit 1949 dat intolerantie voor ambiguïteit een persoonlijkheidstrek is, en de vergunning heeft haar drukkerij. Zekerheid is een kalmeringsmiddel. Twijfel doet pijn, en de meeste organismen betalen liever met andermans vrijheid dan met hun eigen nachtrust.
De laatste alinea
De vergunning is ouder dan elke ideologie die er ooit doorheen is gegoten. Torquemada verdedigde de waarheid, Robespierre de deugd, Lenin de wetenschap, McCarthy de vrijheid, en de talkshowgast van vandaag de democratie. De inhoud wisselt om de eeuw, de vorm blijft staan; de vorm blijft staan omdat ze niet uit de inhoud komt. Ze komt uit de kop van de drager.
Het pijnlijke is dat de tolerantieleer zelf de vergunning heeft uitgevonden. Locke’s Letter Concerning Toleration uit 1689, het stichtingsdocument van de gedachte dat de staat zich niet met geweten bemoeit, sluit in de laatste bladzijden katholieken en atheïsten uit: de eersten omdat ze een buitenlandse vorst dienen, de tweeden omdat hun eed niets waard is. Rousseau schrijft in het Contrat social dat wie de burgerlijke religie niet onderschrijft, verbannen moet worden, en dat men de burger zo nodig “zal dwingen vrij te zijn”. Voltaire duldde alles behalve het gepeupel. Popper, de man van de tolerantieparadox, zette die paradox in een voetnoot en schreef er nadrukkelijk bij dat je de intoleranten alleen mag onderdrukken wanneer ze weigeren op rationeel niveau te discussiëren en met de vuist antwoorden. De voetnoot werd een dogma, en het dogma wordt nu gebruikt op precies de manier waar zijn hele boek tegen gericht was. Elke tolerantieleer die ooit is opgeschreven had in de laatste alinea een lijstje van wie er niet onder viel, en dat lijstje bevatte steeds, toevallig, de tegenstander van de schrijver.
Carl Schmitt was de enige die er eerlijk over was. Politiek is het onderscheid tussen vriend en vijand, schreef hij in 1932, en het liberalisme is de leugen die doet alsof dat niet zo is. Men hoeft Schmitt niet aardig te vinden om te zien dat hij de laden opentrok. De liberaal die een muur bouwt en die muur “verdediging van de open samenleving” noemt, is een schmittiaan die zichzelf voor een milliaan houdt. Dat is de dubbele moraal in één zin, en ze is niet Duits, niet Nederlands, en niet van deze week.
Saturnus
Wat er gebeurt als de vergunning eenmaal in omloop is, weten we, want het is vaak genoeg gebeurd. Ook die kennis komt met een verkeerde bron. “De revolutie verslindt haar kinderen” is niet van Danton en niet van Vergniaud, maar van Jacques Mallet du Pan, een Zwitserse royalist die in 1793 van buiten toekeek en opschreef dat de revolutie “naar het voorbeeld van Saturnus” haar eigen kroost opat. Büchner stopte de zin in Dantons Tod, en sindsdien wordt de waarnemer vergeten en de gegetene geciteerd.
Het mechanisme is een veiling. Zodra uitsluiting de munt is, wordt zuiverheid het bod, en een bod kan altijd overboden worden. Girondijnen, dan Jacobijnen, dan Hébertisten, dan Danton, dan Robespierre zelf op 10 thermidor. Elke ronde was de vorige ronde niet zuiver genoeg. Stalin deed het met de oude bolsjewieken, die de revolutie hadden gemaakt; Mao met de Rode Garde, die in 1968 als beloning naar het platteland werd gestuurd. Timur Kuran beschreef in Private Truths, Public Lies waarom niemand de veiling stopt: iedereen ziet de waanzin, iedereen zwijgt uit angst voor de volgende ronde, en juist dat zwijgen houdt het bieden gaande. Christopher Boehm zou zeggen dat de coalitie van gelijken, zodra de dominant is verjaagd, zich keert tegen haar eigen minst enthousiaste lid. Het zwaard dat je smeedt tegen de vijand past altijd in de hand van de vriend die na jou komt.
In januari 2025 stemde de CDU in de Bondsdag één keer met de AfD mee over een migratiemotie, en het koor riep dat de muur gevallen was. Niet tegen de AfD; tegen Merz. Dat was Saturnus in miniatuur. De muurbouwers begonnen elkaar in te metselen voordat de muur af was, en wie gisteren de deugd bewaakte, was vandaag verdacht. De vergunning wordt ingetrokken door de volgende houder, en de volgende houder heeft altijd een strengere handtekening.
De spiegel
Bertrand Russell had een test, en hij is de enige die deugt. In Philosophy and Politics, 1947, legde hij de grens van de democratie niet bij de inhoud van een opvatting maar bij de manier waarop ze wordt vastgehouden: het wezen van de liberale houding zit niet in welke meningen men heeft, maar in hoe men ze heeft. Niet dogmatisch, maar voorlopig. De vijand is niet de foute mening, wel de zekerheid. Fanatisme herkent Russell aan één symptoom, de bereidheid om af te dwingen wat men niet kan bewijzen. Hij was in 1936 nog pacifist, ook tegenover Hitler, en herzag dat in 1940 omdat de feiten hem dwongen. Die herziening is zijn hele positie. Niet de conclusie telt, wel de bereidheid haar op te geven.
Pas die test toe en hij snijdt aan twee kanten, wat de reden is dat niemand hem toepast. Wie zonder feitenonderzoek een derde van een deelstaat tot fascisten verklaart, houdt zijn mening even dogmatisch vast als de tegenstander de zijne. Of een beweging de democratie wil opheffen is een empirische vraag, met een antwoord dat per land, per vleugel en per jaar verschilt, en beide kampen weigeren haar zo te behandelen. Demoniseren is goedkoper dan analyseren. De rekening wordt pas bij de volgende verkiezing gepresenteerd.
En de rekening heeft een functie, want demonisering is geen vergissing van wie de macht heeft, het is zijn verzekeringspolis. Michael Sandel beschreef in The Tyranny of Merit de meritocratische hoogmoed: wie gelooft dat zijn positie verdiend is, moet geloven dat die van de ander ook verdiend is, dus dat wie verliest zijn eigen schuld draagt. Het etiket “extremist” is daarvan de politieke versie. Zodra 44 procent fout is, hoef je niets meer te leren van 44 procent. Steffen Mau en Dirk Oschmann hebben de rekening voor het oosten sinds 1990 opgemaakt, Treuhand, leeggelopen dorpen, lonen die nog altijd achterlopen, en drie decennia uitleg vanuit Keulen en Hamburg dat men daar iets mankeert. Arlie Hochschild noemt het in Stolen Pride bij zijn naam: het is geen economie meer, het is eer, en gestolen eer stemt niet op wie haar stal. Weimar ging niet ten onder omdat de gevestigde partijen de NSDAP te weinig demoniseerden; de SPD noemde Hitler vanaf 1930 dagelijks wat hij was. Weimar ging ten onder aan Brünings deflatie, zes miljoen werklozen en een elite die dacht hem te kunnen inkapselen. De les die eruit werd getrokken was: nooit meer toelaten. De les die erin zat was: nooit meer zo regeren dat een derde van het volk niets meer te verliezen heeft. Zeventig jaar lang werd de verkeerde les uit het hoofd geleerd.
De vergunning beschermt de houder tegen de spiegel. Dat is haar eigenlijke functie, en daarom wordt ze nooit ingeleverd. Wie zeker weet dat hij de democratie verdedigt, heeft het enige instrument weggegooid waarmee de democratie zichzelf ooit heeft gecorrigeerd: de mogelijkheid dat hij ongelijk had.
Elf uur
De zuiveraars lezen de laatste bladzijde nooit, omdat ze denken dat die over anderen gaat. De Index eindigde als grap, de Terreur at haar kinderen, McCarthy werd door zijn eigen senaat afgeserveerd. Elke zuivering eindigt met de zuiveraar, altijd met de zuiveraar, en de laatste die het merkt is hijzelf.
Maandagavond gaat de talkshowgast naar huis. Hij heeft goed gesproken, dat zeggen de reacties, en hij slaapt zonder moeite. In Bitterfeld zit een man van zestig aan een keukentafel die hij in 1994 uit een failliet bedrijf heeft meegenomen, en hij heeft de uitzending niet gezien. In Maagdenburg wachten 39 zetels tot iemand ophoudt met doen alsof ze leeg zijn. En ergens ligt de vergunning op tafel, met de naam van de talkshowgast erop, ondertekend door niemand. Onder zijn naam staat al een volgende, in een handschrift dat strenger is dan het zijne. Robespierre had ook nooit iemand veroordeeld die het niet verdiende. Dat vond hij tot ongeveer elf uur ’s avonds, op 27 juli 1794.
Literatuur
Boehm, C. (1999). Hierarchy in the Forest: The Evolution of Egalitarian Behavior. Harvard University Press.
Büchner, G. (1835). Dantons Tod.
Crockett, M. J. (2017). Moral outrage in the digital age. Nature Human Behaviour, 1, 769-771.
Frenkel-Brunswik, E. (1949). Intolerance of ambiguity as an emotional and perceptual personality variable. Journal of Personality, 18, 108-143.
Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. Pantheon.
Hall, E. B. [S. G. Tallentyre] (1906). The Friends of Voltaire. Smith, Elder & Co.
Hochschild, A. R. (2024). Stolen Pride: Loss, Shame, and the Rise of the Right. The New Press.
Jordan, J. J. & Rand, D. G. (2020). Signaling when no one is watching: A reputation heuristics account of outrage and punishment in one-shot anonymous interactions. Journal of Personality and Social Psychology, 118(1), 57-88.
Kruglanski, A. W. (2004). The Psychology of Closed Mindedness. Psychology Press.
Kuran, T. (1995). Private Truths, Public Lies: The Social Consequences of Preference Falsification. Harvard University Press.
Kurzban, R. (2010). Why Everyone (Else) Is a Hypocrite: Evolution and the Modular Mind. Princeton University Press.
Locke, J. (1689). A Letter Concerning Toleration.
Mallet du Pan, J. (1793). Considérations sur la nature de la Révolution de France.
Mau, S. (2024). Ungleich vereint: Warum der Osten anders bleibt. Suhrkamp.
Mercier, H. & Sperber, D. (2017). The Enigma of Reason. Harvard University Press.
Mill, J. S. (1859). On Liberty.
Oschmann, D. (2023). Der Osten: eine westdeutsche Erfindung. Ullstein.
Popper, K. R. (1945). The Open Society and Its Enemies, deel I, hoofdstuk 7, noot 4. Routledge.
Rousseau, J.-J. (1762). Du contrat social, boek IV, hoofdstuk 8.
Russell, B. (1950). Philosophy and Politics. In: Unpopular Essays. George Allen & Unwin.
Russell, B. (1938). Power: A New Social Analysis. George Allen & Unwin.
Sandel, M. J. (2020). The Tyranny of Merit: What’s Become of the Common Good? Farrar, Straus and Giroux.
Schmitt, C. (1932). Der Begriff des Politischen. Duncker & Humblot.
Skitka, L. J., Bauman, C. W. & Sargis, E. G. (2005). Moral conviction: Another contributor to attitude strength or something more? Journal of Personality and Social Psychology, 88(6), 895-917.
Skitka, L. J., Hanson, B. E., Morgan, G. S. & Wisneski, D. C. (2021). The psychology of moral conviction. Annual Review of Psychology, 72, 347-366.
Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
