Beste Lezer,
Van Meegeren schilderde in de jaren veertig een Vermeer die musea, experts en zelfs Göring voor echt aanzagen, tot bleek dat een tijdgenoot zonder naam hem had gemaakt. Het doek veranderde niet. De waarde verdampte.
Van dat schilderij loopt een lijn naar Gibson en Heidegger, naar Zahavi en Trivers, naar wat een rivier, een collega en een aantrekkelijk gezicht op tv met elkaar gemeen hebben: waarneming die geen object registreert, maar nut. Wat we zien is nooit de wereld. Het is wat de wereld op dit moment voor onszelf kan doen.
Dat mechanisme wordt hier niet alleen op een schilderij en een BN’er losgelaten, maar ook op femicide, en dat gaat niet zonder kleerscheuren. Een veelgehoord cijfer sneuvelt, en de schuldvraag verschuift van haar keuzes naar zijn bezitsdrang. Zelfs de auteur ontkomt niet aan zijn eigen mechanisme: op een punt betrapt het stuk zichzelf op precies de geruststelling die het bij anderen ontmaskert.
Wie op zoek is naar een vrijblijvende observatie over menselijk gedrag, kan dit stuk beter overslaan.
Veel leesplezier,
Peter Koopman
Nut vraagt geen aanleiding
We waarnemen de wereld niet. We waarnemen wat de wereld voor ons kan doen, en dat gebeurt voordat er iets te kiezen valt. Geen overweging, geen aanloop, een reactie die al klaarstaat op het moment dat het oog iets registreert. Het gevoel dat je bewust kijkt komt later binnen, als gast, en doet net of hij de gastheer is.
Gibson beschreef dat in 1979 als affordance: je ziet geen objecten, je ziet mogelijkheden tot handelen, opdoemend naar wat jij ermee kunt. Moet er een spijker de muur in, dan meldt zich iets hamerachtigs voordat het brein er een naam aan geeft. Heidegger zag decennia eerder hetzelfde vanuit een andere hoek: het gereedschap is Zuhandenheit, het verdwijnt in zijn gebruik, wordt onzichtbaar als ding zolang het werkt, en wordt pas weer een object op het moment dat het breekt.
Diezelfde Heidegger trok de lijn later door naar de techniek zelf, in Die Frage nach der Technik uit 1954, en het werd grimmiger. Een rivier is, voordat hij iets anders is, een hoeveelheid kilowattuur die nog opgehaald moet worden. Een bos is kubieke meters plank in wachtstand. Hij noemde dat Ge-stell, het gestel: de wereld die zichzelf alleen nog aanbiedt als Bestand, bruikbare voorraad. De mens ontsnapt aan die blik niet. Marcuse noemde in 1964 de mens die zich in die blik thuis is gaan voelen eendimensionaal: hij ervaart zijn instrumentele blik niet meer als een keuze onder andere, maar als het enige soort denken dat nog bestaat. Personeelszaken heet niet toevallig zo. Een collega is, voordat hij iets anders is, output per uur. Een potentiële partner op een datingapp is, voordat hij of zij iets anders is, een set filters: lengte, opleiding, foto’s die swipe-waarde genereren. Fiske noemde deze cognitieve modus in 1992 market pricing, waardering naar ruilwaarde, en de app heeft die modus alleen maar geformaliseerd tot interface.
Er zit wel een breuklijn in dit verhaal, en die moet blijven staan. Bij de hamer is het nut situationeel, het verschijnt met de taak en verdwijnt als de klus klaar is. Bij een aantrekkelijk gezicht, bij een collega, bij een vreemde die iets voor je zou kunnen betekenen, is er vaak geen taak, geen spijker, geen enkele directe aanleiding, en toch springt het nut naar voren alsof die er wel is. Gibson lost dat verschil niet op, zijn affordances komen en gaan met de behoefte. Wat hier draait is iets anders, een taxatie die nooit uitstaat, geërfd in plaats van opgeroepen. Daarvoor is de evolutionaire laag nodig: Zahavi, Trivers, Miller, de reden dat sommige beoordelingen, over voortplantingswaarde, over coalitiewaarde, permanent lopen, terwijl een hamer alleen bestaat zolang er iets kapot moet.
Aharon en collega’s zagen in 2001 op de scanner hoe dat werkt: het nucleus accumbens vuurt op een aantrekkelijk gezicht ongeacht of de proefpersoon dat gezicht eigenlijk wil blijven zien. Wat wordt waargenomen is geen persoon. Het is een verzameling signalen die iets zeggen over fitness, symmetrie, huid, de verhouding tussen heup en taille, precies de variabelen die Thornhill en Gangestad decennialang hebben gemeten als indicatoren van ontwikkelingsstabiliteit. Darwin noemde het in 1871 al seksuele selectie naast natuurlijke selectie, een aparte motor. Zahavi zette er in 1975 het handicapprincipe onder: een signaal is pas geloofwaardig als het duur is om te faken. Symmetrie is duur. Het lichaam liegt niet makkelijk, en daarom vertrouwen we het meer dan het woord.
Buss testte dit in 1989 over zevenendertig culturen, van Zoeloe-nederzettingen tot Amerikaanse voorsteden, en vond overal ongeveer dezelfde verdeling terug: mannen wegen jeugd en vruchtbaarheidskenmerken zwaarder, vrouwen wegen middelen en de bereidheid ze te delen zwaarder. De variatie tussen culturen is klein vergeleken met de variatie die je zou verwachten als voorkeur alleen door opvoeding en reclame werd bepaald. Dat maakt het geen wet zonder uitzondering. Het maakt wel duidelijk dat de taxatie dieper zit dan de laatste modetrend in schoonheidsidealen.
Verwar dat niet met stamgeborgenheid, groepsherkenning, het gevoel dat iemand bij je hoort. Dat is een ander mechanisme, met een andere klok en andere bedrading, oxytocine en vasopressine in plaats van de dopamine die aandrijft richting een aantrekkelijk gezicht. Twee systemen, twee tijdlijnen, en het is verleidelijk om ze in één zin te persen omdat ze allebei oud aanvoelen. Oud zijn ze. Hetzelfde zijn ze niet.
Dezelfde continue taxatie zit achter de dienstbare moeder in de kinderlijke waarneming, functioneel object, inzetbaar, aanwezig zolang de behoefte er is. Bowlby zou hier tegenin gaan, hechting is wederkerig, co-geëvolueerd, geen eenrichtingsverkeer, en voor het volwassen perspectief heeft hij gelijk. Maar Trivers liet in 1974 zien dat ouder en kind wel degelijk tegengestelde belangen hebben, precies omdat investering asymmetrisch verdeeld is. De verzorgende ouder wordt niet gereduceerd tot object omdat er geen liefde is. Ze wordt zo waargenomen omdat waarneming altijd eerst vraagt wat dit voor mij kan doen, en pas daarna wie dit is.
Hier zit de wrijving, en hij zit niet bij Kant. Hij zit in de kijker zelf, die liegt tegen zichzelf over wat er net gebeurde. Ergens weet hij dat de eerste taxatie plat was: lichaam, huid, een genot dat zich moeiteloos laat benoemen. En toch gelooft hij vervolgens, oprecht, een tweede verhaal, dat het haar humor was, haar blik, wie ze is. Trivers legde in 2011 de logica bloot: je liegt het overtuigendst tegen een ander wanneer je jezelf eerst gelooft, geen zweet, geen aarzeling, geen lek in de microexpressie. Nisbett en Wilson toonden in 1977 dat dit geen uitzondering is maar de gewone gang van zaken. Mensen verzinnen redenen voor hun eigen oordelen die niets te maken hebben met het proces dat het oordeel echt produceerde, en geloven de verzinsels volledig. De gast die zich eerder voordeed als gastheer doet hier nog een dunnetje over: hij verzint niet alleen dat hij keek, hij verzint ook waarom.
Kant en Buber zijn in die lezing geen tegenbewijs. Ze zijn het materiaal waarmee gelogen wordt. De tweede formulering, de mens nooit slechts als middel, is precies de geruststelling die de kijker zichzelf aanreikt: ik zie haar niet als lichaam, ik zie haar als mens, wat dat ook moge betekenen. Ich-Du is het etiket dat hij op zijn eigen Ich-Es plakt. Festinger beschreef in 1957 waarom die vervanging nodig is. Twee overtuigingen tegelijk vasthouden, ik heb haar net gereduceerd tot lichaam, en ik ben iemand die dat niet doet, is oncomfortabel, en het ongemak verdwijnt zodra de tweede overtuiging de eerste overschrijft. Nussbaums asymmetrie wordt daarmee scherper in plaats van botter. Niet alleen wordt de kijker niet teruggereduceerd, hij hoeft van zichzelf niet eens te weten dat hij reduceert. Er is geen bestuurder in dit proces, ook de leugen niet. Er is alleen gedrag, en het tweede verhaal is even goed gedrag als de eerste taxatie.
Batson hield decennialang vol dat er een uitzondering bestaat op deze machine, empathisch meeleven dat niet terugvalt op eigenbelang. Zijn bewijs kwam uit een simpele opzet: een proefpersoon kijkt naar iemand die schokken krijgt, en kan de kamer verlaten of blijven kijken. Wie makkelijk kan ontsnappen en toch blijft, vertoont volgens Batson iets dat zich niet laat verklaren als opluchting van zichzelf. Maar zijn eigen model reserveert een tweede, egoïstische route voor precies dezelfde waarneming, personal distress, de onaangename opwinding die andermans leed oproept, gericht op het wegnemen van het eigen ongemak, niet op het lot van de ander. Wat in dit stuk telkens terugkeert is die tweede route, en de term die er beter bij past dan het jargon is niet van mij: spiegelreflexie. De gebeurtenis wordt pas een gebeurtenis op het moment dat ze wordt betrokken op het zelf. Geen zelf, geen gebeurtenis.
Dat is geen losse metafoor. Rizzolatti’s groep ontdekte in 1996 bij makaken neuronen die vuren zowel wanneer het dier zelf een handeling uitvoert als wanneer het een ander die handeling ziet uitvoeren, spiegelneuronen, en latere beeldvormende studies vonden bij mensen hetzelfde patroon voor pijn. Singer en collega’s zagen in 2004 op de scanner dat wie andermans pijn waarneemt zijn eigen pijnnetwerk activeert, dezelfde insula, dezelfde cingulate cortex, geen apart empathiekanaal ernaast. Spiegelreflexie is dus niet de dichterlijke omschrijving van het verschijnsel. Het is de precieze naam ervoor. Rogers, Kuiper en Kirker vonden in 1977 op een heel ander terrein iets verwants: informatie die aan het zelf wordt gekoppeld blijft beter hangen dan informatie die dat niet is. Zelfrelevantie is geen bijwerking van aandacht. Zelfrelevantie is de aandacht.
Nepal levert het beeld waarop dit zich laat aflezen. Een modderstroom veegt dorpen weg, het beeld verschijnt op het nieuws onder het etiket informatie, en wat er in de kijker opstaat is geen verbondenheid met de slachtoffers. Het is nieuwsgierigheid, gevoed door een permanente honger naar nieuwe prikkels, met daaronder de stille dreigingscheck die de spiegelreflexie hierboven al beschrijft: kan mij dit ook overkomen. Er is geen belang bij Nepal. Er is vermaak, plus angst, plus een woord dat beide dekt.
Tversky en Kahneman noemden dit in 1973 de beschikbaarheidsheuristiek: een levendig beeld weegt zwaarder in het oordeel dan een dodental, ongeacht de daadwerkelijke schaal van de ramp. Slovic liet in 2007 zien waarom de keuze voor het ene verwoeste dorp boven duizend statistieken geen journalistiek toeval is: hoe groter een ramp in aantallen wordt, hoe kleiner het gevoel dat hij oproept, wat hij psychic numbing noemde. Small, Loewenstein en Slovic noemden het datzelfde jaar het identificeerbare-slachtoffereffect. Eén gezicht, één naam, genereert meer betrokkenheid dan duizend gezichten, precies omgekeerd aan wat informatieve waarde zou voorschrijven. De redactie die dat weet, en er toch voor kiest, doet wat de kijker bij de vrouw op tv doet: instrumentaliseren, en het een naam geven die netjes staat op de presentielijst van beschaafde motieven. Alleen instrumentaliseert de redactie twee keer, de kijker voor de kijkcijfers, en de slachtoffers voor de kijker.
Boltanski beschreef dit al in 1993 als het lot van de toeschouwer op afstand: iemand die getuige wordt van andermans leed zonder ooit deel te worden van een relatie ermee, gerustgesteld door precies genoeg beeld om iets te voelen en precies genoeg afstand om niets te hoeven doen. Sontag deed in 2003 hetzelfde vanuit de fotografie: kijken naar andermans pijn is nooit het onschuldige venster dat het beweert te zijn. Het is altijd ook een venster op de kijker.
Wat vroeger de redactie deed, doet inmiddels ook de tijdlijn zelf. Een algoritme dat leert van kliks selecteert niet op wat relevant is voor Nepal, het selecteert op wat het langst vasthoudt wat toch al naar zichzelf keek. Dat is geen samenzwering van ingenieurs. Het is dezelfde beschikbaarheidsheuristiek, nu geautomatiseerd, zonder redacteur die zich ooit nog hoeft af te vragen of hij te ver ging. Moeller doopte het bijbehorende slijtageproces twintig jaar terug al compassion fatigue: een publiek dat zoveel ellende voorgeschoteld krijgt dat het afstompt, waarna de volgende ramp nog schrijnender beelden nodig heeft om hetzelfde effect te bereiken. De prikkel devalueert zichzelf, en wie ervan leeft moet almaar harder schreeuwen om op dezelfde plek te blijven staan.
Er wordt op dit moment gedemonstreerd tegen femicide, en het cijfer waarop de demonstraties zich beroepen verdient precisie voordat het verdient te worden ingezet. Het CBS meldt dat gemiddeld de helft van de vermoorde vrouwen in Nederland wordt gedood door een partner of ex-partner, een verhouding die al vijftien jaar onveranderd blijft terwijl moorden door anderen afnemen. Andere tellingen, met een ruimere definitie, komen op zestig procent. De helft tot zestig procent is verwoestend genoeg om niet te hoeven overdrijven.
Er zit een voorvraag die coercive control niet beantwoordt, en die er niet mee in strijd is: waarom werd de relatie ooit aangegaan en in stand gehouden. Murray liet vanaf 1996 in een lange onderzoekslijn zien dat gelukkige relaties draaien op positieve illusies, een stelselmatig te rooskleurig beeld van de partner dat bestand is tegen tegenbewijs, omdat het instandhouden van het idee op dat moment meer oplevert dan het onder ogen zien van de feiten. De Rougemont beschreef in 1939 waarom dat idee er sowieso al lag voordat er een partner in beeld kwam: de westerse romantische liefde is zelf een cultureel gedeeld verhaal, gecultiveerd sinds de troubadours, geen ontdekking van een universeel gevoel maar een geïnstalleerde verwachting. Illouz werkte dat zestig jaar later verder uit: de illusie is geen privévergissing van een individu, ze wordt aangeleverd, door liedjes, films, familieverhalen, precies het soort collectief gedeeld model dat dit stuk elders al een fictie noemde.
Die fictie breekt niet vanzelf, en het moment waarop hij breekt is precies het moment waarop de prioriteit omslaat: niet langer het idee in leven houden, maar zichzelf. Het in stand houden van een gedeeld verhaal, hoe cultureel vertrouwd ook, is een andere vraag dan de vraag wie er geweld gebruikt zodra dat verhaal eindigt. Coercive control verklaart waarom vertrek gevaarlijk is. De illusie, en het doorprikken ervan, verklaart alleen waarom en wanneer iemand tot dat vertrek besluit. Beide lopen door elkaar in de tijdlijn van eenzelfde relatie, zonder dat de een de ander vervangt.
Een eerdere versie van deze alinea verzekerde hier dat dit geen verwijt was aan wie de illusie had gekoesterd, en die zin is inmiddels geschrapt. Niet omdat hij onwaar was, maar omdat hij nooit voor haar bedoeld was. Hij was voor de schrijver, en voor wie dit leest en niet betrapt wil worden op het verkeerde soort lezer zijn. Spiegelreflexie stopt niet bij het onderwerp van een stuk. Hij grijpt ook de hand die het schrijft.
De verleiding is om hier dezelfde machine op te richten die bij de kijker op de bank werkt: zij bleef geloven in een romantische fantasie en loog tegen zichzelf. Die lezing gaat kapot aan het eigen bewijsmateriaal. Campbell en collega’s toonden in 2003 in een grootschalig onderzoek naar moord binnen gewelddadige relaties aan wat elke hulpverlener al wist: het gevaarlijkste moment is niet wanneer een vrouw blijft geloven. Het is wanneer ze vertrekt. Het risico op moord piekt rond de scheiding en verdwijnt niet erna, wat betekent dat de fantasie op dat moment allang was doorzien en de actie erop al was ondernomen. Stark beschreef in 2007 het mechanisme dat vertrek zo gevaarlijk maakt: coercive control, een systeem van isolatie, financiële afhankelijkheid en oplopende dreiging, opgebouwd lang voordat het zich als geweld toont, ontworpen om vertrek onmogelijk te maken, niet om het voor haarzelf te verhullen.
De taxatie zit hier niet bij haar. Ze zit bij hem. Wilson en Daly beschreven in 1996 wat ze mannelijke seksuele proprietariteit noemden: het gedrag van een man die een partner behandelt als bezit, met precies de reproductieve waarde die dat woord elders in dit stuk al heeft gekregen, en die het bezit met geweld verdedigt zodra het dreigt te vertrekken naar een rivaal of naar niemand. Hun onderzoek uit 1993 naar gedode echtgenotes vond het patroon terug waar het hoort: het risico stijgt niet bij ontrouw, het stijgt bij vertrek. Wat vertrok was in die rekening nooit een persoon. Het was voorraad die zich onttrok.
En ook hier is een tweede verhaal nodig om de eerste taxatie draaglijk te maken, alleen wordt het nu niet door de kijker verteld maar door de dader, en na hem overgenomen door rechtbank en redactie. Crime passionnel heet het dan, hij hield te veel van haar, het ging mis omdat de liefde te groot was. Dat verhaal doet voor de moordenaar wat Kant en Buber deden voor de kijker: het herbenoemt bezitsdrang tot liefde. Het werkt zo overtuigend omdat het decennialang is overgenomen door precies de instanties die geacht werden het te doorzien.
Walker introduceerde in 1979 een ander verhaal, de cyclus van geweld: spanningsopbouw, uitbarsting, verzoening, herhaling, met aangeleerde hulpeloosheid als verklaring waarom vrouwen bleven. Het model hielp een generatie hulpverleners iets zien wat daarvoor onzichtbaar was, en het draagt tegelijk een verwant risico als de romantische-fantasielezing: het legt de verklaring toch weer overwegend bij haar psychologie, haar aangeleerde passiviteit, in plaats van bij zijn aanhoudende, doelgerichte controle. Stark schreef zijn boek uit 2007 voor een groot deel om dat recht te zetten. Het Franse wetboek van strafrecht kende crime passionnel tot ver in de twintigste eeuw als verzachtende omstandigheid, niet als eufemisme van een verslaggever maar als geschreven recht: een moord uit jaloezie kreeg een lichtere straf dan een moord uit berekening, alsof bezitsdrang een nobelere aandrift was dan hebzucht. Nederland kende die clausule niet zo expliciet, maar een rechtszaal die mildheid toont bij ontoerekeningsvatbaarheid door hartstocht hanteert de facto dezelfde rekensom.
Loop een willekeurig museum binnen en hetzelfde mechanisme hangt aan de muur, alleen is het onderwerp dood en het object een doek. We noemen een schilderij mooi omdat iemand iets deed wat wij onszelf niet toevertrouwen, een hand die een gezicht raakt in verf, een beitel die een plooi in marmer vindt. De bewondering geldt zelden de poging om het leven te vangen, de eigenlijke inzet van de schilder. Ze geldt de vaardigheid. Dat wordt vaak simulacrum genoemd, maar dat is het verkeerde woord. Baudrillards simulacrum uit 1981 is een kopie die de werkelijkheid vervangt totdat er geen referent meer over is, hyperrealiteit. Hier is niets vervangen. Er is nut toegevoegd, los van waar de vaardigheid over ging.
Van Meegeren bewees dat onbedoeld in de jaren veertig. Zijn vervalste Vermeers golden als meesterwerken zolang men geloofde dat een zeventiende-eeuwse hand ze had geschilderd, en werden vrijwel waardeloos op het moment dat bleek dat een tijdgenoot zonder faam ze had gemaakt. Het doek zelf veranderde niet. De taxatie van wie het gemaakt had veranderde, en daarmee het nut volledig.
Ramachandran noemde het achterliggende mechanisme in 1999 peak shift: een karikatuur, met de onderscheidende trekken uitvergroot, activeert het waarnemingssysteem sterker dan het origineel waarnaar hij verwijst, dezelfde reden waarom een rat een vergroot driehoekje harder aanpikt dan het echte voedsel waarop hij is afgericht. Dutton betoogde in 2009 dat kunstwaardering daarom geen laat cultureel vernisje is maar een aangeboren instinct, geselecteerd omdat het vaardigheid detecteerbaar maakt op afstand, lang voordat er een cv aan te pas komt.
Zahavi’s handicapprincipe werkt hier net zo hard als bij een gezicht op tv. Miller trok in 2000 de lijn door die de meeste kunsthistorici liever niet trekken: virtuositeit is een kostbaar signaal, moeilijk te vervalsen, bewijs van cognitieve en motorische capaciteit bij de maker. Een pauwenstaart kost energie en verraadt gezondheid aan wie hem draagt. Een perfect uitgevoerde plooi in marmer kost jaren oefening en verraadt precies hetzelfde aan wie hem beitelde. Het museum is geen tempel voor betekenis. Het is een uitstalling van nut, bewijs van wat een uitgestorven brein en een uitgestorven hand konden, getaxeerd door hetzelfde apparaat dat een gezicht op tv taxeert, alleen zit er geen lichaam meer aan vast om iets mee te doen.
Wat Kant en Buber zijn bij de kijker, wat crime passionnel is bij de rechter, wat informatie is bij de redactie: hetzelfde verschijnsel onder drie kostuums. Geen van drieën is onwaar in de zin dat niemand erin gelooft. Elk ervan coördineert gedrag: geeft de kijker toestemming te blijven kijken, de rechter toestemming milder te straffen, de redactie toestemming uit te zenden. Dat is precies de definitie die dit soort verhalen elders al kregen: een fictie is een collectief gedeeld model dat gedrag coördineert, ongeacht zijn waarheidswaarde. De ficties hier doen wat ficties altijd doen. Ze maken een taxatie draaglijk door hem een naam te geven die niemand nog aan een taxatie doet denken.
Een rivier, een collega, een swipe, een moeder, een minnaar, een dood kunstwerk, een ramp op afstand, een vrouw die vertrekt. Acht verschillende voorwerpen, één beoordelingssysteem. Fiske noemde die modus market pricing, waardering naar ruilwaarde in plaats van naar wie of wat iets is. Wat op tv verlangen heet en in het museum smaak, is in de fabriek productiviteit, op de rivier megawatt, in de journaalstudio kijkcijfers, en in de rechtszaal soms nog altijd liefde. Het apparaat erachter maakt dat onderscheid niet. Nut vraagt geen aanleiding. Het staat gewoon aan.
Literatuurlijst
- Aharon, I., Etcoff, N., Ariely, D., Chabris, C.F., O’Connor, E. & Breiter, H.C. (2001). Beautiful faces have variable reward value: fMRI and behavioral evidence. Neuron, 32(3), 537-551.
- Batson, C.D. (1991). The Altruism Question: Toward a Social-Psychological Answer. Erlbaum.
- Baudrillard, J. (1981). Simulacres et Simulation. Éditions Galilée.
- Boltanski, L. (1993). La Souffrance à distance: morale humanitaire, médias et politique. Métailié. (Engelse vertaling 1999, Distant Suffering, Cambridge University Press.)
- Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss, Vol. 1: Attachment. Hogarth Press.
- Buber, M. (1923). Ich und Du. Insel Verlag.
- Buss, D.M. (1989). Sex differences in human mate preferences: evolutionary hypotheses tested in 37 cultures. Behavioral and Brain Sciences, 12(1), 1-49.
- Campbell, J.C., Webster, D., Koziol-McLain, J. et al. (2003). Risk factors for femicide in abusive relationships: results from a multisite case control study. American Journal of Public Health, 93(7), 1089-1097.
- CBS (2025). Aantal vrouwen gedood door partner of ex in 15 jaar onveranderd. cbs.nl.
- Darwin, C. (1871). The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex. John Murray.
- Dutton, D. (2009). The Art Instinct: Beauty, Pleasure, and Human Evolution. Bloomsbury Press.
- Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford University Press.
- Fiske, A.P. (1992). The four elementary forms of sociality: framework for a unified theory of social relations. Psychological Review, 99(4), 689-723.
- Gibson, J.J. (1979). The Ecological Approach to Visual Perception. Houghton Mifflin.
- Heidegger, M. (1927). Sein und Zeit. Max Niemeyer Verlag.
- Heidegger, M. (1954). Die Frage nach der Technik. In Vorträge und Aufsätze. Neske.
- Illouz, E. (1997). Consuming the Romantic Utopia: Love and the Cultural Contradictions of Capitalism. University of California Press.
- Kant, I. (1785). Grundlegung zur Metaphysik der Sitten. Johann Friedrich Hartknoch.
- Lopez, J. (2008). The Man Who Made Vermeers: Unvarnishing the Legend of Master Forger Han van Meegeren. Houghton Mifflin Harcourt.
- Marcuse, H. (1964). One-Dimensional Man. Beacon Press.
- Miller, G. (2000). The Mating Mind: How Sexual Choice Shaped the Evolution of Human Nature. Doubleday.
- Moeller, S.D. (1999). Compassion Fatigue: How the Media Sell Disease, Famine, War and Death. Routledge.
- Murray, S.L., Holmes, J.G. & Griffin, D.W. (1996). The benefits of positive illusions: idealization and the construction of satisfaction in close relationships. Journal of Personality and Social Psychology, 70(1), 79-98.
- Nisbett, R.E. & Wilson, T.D. (1977). Telling more than we can know: verbal reports on mental processes. Psychological Review, 84(3), 231-259.
- Nussbaum, M.C. (1995). Objectification. Philosophy & Public Affairs, 24(4), 249-291.
- Ramachandran, V.S. & Hirstein, W. (1999). The science of art: a neurological theory of aesthetic experience. Journal of Consciousness Studies, 6(6-7), 15-51.
- Rizzolatti, G., Fadiga, L., Gallese, V. & Fogassi, L. (1996). Premotor cortex and the recognition of motor actions. Cognitive Brain Research, 3(2), 131-141.
- Rogers, T.B., Kuiper, N.A. & Kirker, W.S. (1977). Self-reference and the encoding of personal information. Journal of Personality and Social Psychology, 35(9), 677-688.
- Rougemont, D. de (1939). L’Amour et l’Occident. Plon.
- Singer, T., Seymour, B., O’Doherty, J., Kaube, H., Dolan, R.J. & Frith, C.D. (2004). Empathy for pain involves the affective but not sensory components of pain. Science, 303(5661), 1157-1162.
- Slovic, P. (2007). “If I look at the mass I will never act”: psychic numbing and genocide. Judgment and Decision Making, 2(2), 79-95.
- Small, D.A., Loewenstein, G. & Slovic, P. (2007). Sympathy and callousness: the impact of deliberative thought on donations to identifiable and statistical victims. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 102(2), 143-153.
- Sontag, S. (2003). Regarding the Pain of Others. Farrar, Straus and Giroux.
- Stark, E. (2007). Coercive Control: How Men Entrap Women in Personal Life. Oxford University Press.
- Thornhill, R. & Gangestad, S.W. (1994). Human fluctuating asymmetry and sexual behavior. Psychological Science, 5(5), 297-302.
- Trivers, R.L. (1972). Parental investment and sexual selection. In B. Campbell (Ed.), Sexual Selection and the Descent of Man, 1871-1971. Aldine.
- Trivers, R.L. (1974). Parent-offspring conflict. American Zoologist, 14(1), 249-264.
- Trivers, R.L. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
- Tversky, A. & Kahneman, D. (1973). Availability: a heuristic for judging frequency and probability. Cognitive Psychology, 5(2), 207-232.
- Walker, L.E. (1979). The Battered Woman. Harper & Row.
- Wilson, M. & Daly, M. (1993). Spousal homicide risk and estrangement. Violence and Victims, 8(1), 3-16.
- Wilson, M.I. & Daly, M. (1996). Male sexual proprietariness and violence against wives. Current Directions in Psychological Science, 5(1), 2-7.
- Zahavi, A. (1975). Mate selection: a selection for a handicap. Journal of Theoretical Biology, 53(1), 205-214.
