Nee, maar we hebben toch een tuin

Nee, maar we hebben toch een tuin

Volgzame lezer,

Vandaag een essay over een zin van negen woorden die meer wereldbeeld bevat dan de meeste mensen in een heel interview kwijtraken. Mag jouw vrouw naar buiten? Nee, maar we hebben toch een tuin. Wittgenstein deed er langer over om minder te zeggen.

Het spoor loopt van de sportschool naar de savanne en weer terug: van evolutionaire psychologie over mannelijk bezitsdenken, via de godsdienstsociologie van de bekeerling die zijn nieuwe geloof feller belijdt dan wie er geboren in zit, naar de vraag waarom dezelfde zin met een andere achtergrond een heel ander soort verontwaardiging oproept.

Maar wie hoopt op een verhaal waarin één religie de schuldige is en de rest vrijuit gaat, leest het verkeerde essay. Bezitsdenken is ouder dan elk geloof en zit dieper dan cultuur, de vraag is niet wie het uitvond maar wie het straffeloos mag herhalen.

Zet je schrap. Het wordt onderbouwd, het wordt hier en daar bikkelhard, en voor wie graag gemakkelijk verontwaardigd is over de één en stilzwijgend over de ander wordt het ongemakkelijk lezen.

Veel leesplezier,

Peter Koopman

 

“Nee, maar we hebben toch een tuin”

Eerst de feiten, want die zijn grappiger dan de verontwaardiging erover. Donny Roelvink, zoon van Dries, twee jaar geleden bekeerd tot de islam, vertelde in de podcast Grensloos Gebabbel dat een man die goedvindt dat zijn vrouw een mannelijke personal trainer heeft “niet echt een man” is. Zelf zou hij het verbieden, zei hij, al klinkt “verbieden” hem zelf ook niet lekker in de oren, dus herformuleerde hij het snel tot een kwestie van de juiste vrouw uitkiezen, een vrouw die het zelf ook niet zou willen. Op de vraag of zijn vrouw naar buiten mag, kwam de tuinzin. Negen woorden, een compleet huishoudreglement.

Het bleef niet helemaal stil, dat verdient een correctie. Catherine Keyl noemde het bagger, Noa Vahle vond het zorgwekkend, zelfs vader Dries distantieerde zich in de pers, zijn eigen vrouwen trainen gewoon met mannen, zei hij, hijzelf ook. Er was rumoer. Alleen speelde dat zich af in het schemergebied tussen roddelblad en RTL Boulevard, als amusant incident van een BN’er, niet als het maatschappelijke debat dat je zou verwachten wanneer een willekeurige huisvader in het nieuws zegt dat zijn vrouw de tuin niet uit mag. Dat contrast is interessanter dan de uitspraak zelf. Vermeldenswaard ook: NPO Radio 1 gaf hem eerder een warm, kritiekloos bankstel om zijn bekeringsverhaal te vertellen. Publiek gefinancierd platform, geen scherpe vraag te bekennen.

Bezit is geen geloofsartikel, het is een reflex

Wat Donny beschrijft heeft in de gedragswetenschap een naam die minder folkloristisch klinkt dan achterlijkheid: male proprietariness, mannelijk bezitsdenken over de partner. Margo Wilson en Martin Daly brachten het decennia geleden al in kaart. Hun onderzoek naar mate guarding, het bewaken en beperken van een partners bewegingsvrijheid, laat een onaangenaam verband zien: hoe sterker die proprietary houding, hoe hoger het risico op partnergeweld. Geen correlatie om luchtig overheen te lezen.

David Buss beschrijft in The Dangerous Passion hetzelfde mechanisme vanuit een andere hoek. Mannen kunnen, anders dan vrouwen, nooit voor honderd procent zeker zijn dat een kind het hunne is. Jaloezie en controlezucht zijn daar het evolutionaire noodverband op, oud gereedschap voor een oeroud probleem. Bezitsdenken is dus niet iets wat een religie heeft uitgevonden. Het zit diep in het mannenbrein, van de prehistorische savanne tot de sportschool van vandaag. Wat religie eraan toevoegt is geen oorzaak maar een vergunning: een kader waarbinnen jaloezie promotie maakt tot deugd, en waarbinnen een man die zijn vrouw beperkt zich geen tiran hoeft te voelen maar een goede gelovige.

Niet de islam maakte deze jongen bezitterig; zijn bezitterigheid zocht zich een islam. Bekeerlingen zijn, dat is breed gedocumenteerd in de godsdienstsociologie, vaak strenger dan wie er geboren en getogen in geloofde. Convert zeal heet dat verschijnsel: de behoefte om een nieuwe identiteit te bewijzen door haar radicaler te belijden dan de buren die er hun hele leven al in zitten. Donny is geen representant van de islam. Hij is een schoolvoorbeeld van een net bekeerde twintiger aan wie een simpel verlangen naar controle plotseling een heilige rechtvaardiging wordt aangereikt, en die hij met beide handen grijpt.

De verontwaardigingsthermostaat staat scheef

De interessantere vraag is niet wat Donny zei. Het is waarom dit wegglijdt in de categorie tja, gekke jongen, in plaats van in de categorie waarin een Kamerlid ernaar gevraagd wordt. Susan Moller Okin stelde die vraag eind jaren negentig al scherper dan wie dan ook, in haar veelbesproken essay Is Multiculturalism Bad for Women? Haar these: progressieve verdedigers van groepsrechten en religieuze tolerantie zijn bereid vrouwenrechten in te leveren zodra die botsen met de cultuur van een minderheid, uit angst voor het verwijt van racisme.

Zeg exact hetzelfde als orthodox-gereformeerde vader in Nederland en je krijgt Kamervragen, verwijzingen naar het VN-Vrouwenverdrag en uiteindelijk de Hoge Raad, zoals bij de SGP gebeurde. Zeg het als bekeerde moslim in een BN’er-podcast en je krijgt een lifestyle-artikel met een boze quote van je vader. Zelfde bezitsdenken, andere jas, radicaal ander effect op de thermostaat van de verontwaardiging.

Maajid Nawaz muntte daar de term regressive left voor, Sam Harris nam hem over in hun gezamenlijke boek Islam and the Future of Tolerance: tolerantie die zo ver doorschiet dat ze intolerantie beschermt, zolang die intolerantie maar uit de juiste hoek komt. Christopher Hitchens had voor dat soort gemakzucht sowieso geen goed woord over. In God Is Not Great trekt hij consequent dezelfde lijn door alle religies heen, precies om te voorkomen dat de ene achterlijkheid wordt weggezet als folklore en de andere als schandaal. Ayaan Hirsi Ali schreef er in Infidel een heel leven over, van binnenuit. Douglas Murray beschrijft in The Strange Death of Europe hetzelfde patroon op continentale schaal: niet de conservatieve opvatting zelf is het probleem, het zwijgen erover uit angst voor het verkeerde etiket is het probleem.

Mijn conclusie, zonder omwegen

Donny Roelvink is geen gevaar voor de rechtsstaat en ook geen filosoof. Hij is een jongen die zijn onzekerheid een handleiding heeft gegeven en die handleiding nu gebruikt voor aandacht, wat overduidelijk werkt, want hier zitten we erover te praten en te schrijven. Zijn tuinretoriek is niet het probleem. Het probleem is dat een samenleving die zich graag op de borst klopt over gelijkheid, exact dezelfde zin met andere schouders ophaalt afhankelijk van wie hem uitspreekt. Dat is geen tolerantie. Dat is gemakzucht met een fraai label erop.

Wie hier eerlijk in wil staan, moet met twee maten tegelijk durven meten en ze allebei even hard laten neerkomen: de man die zijn vrouw in de tuin houdt uit religieuze overtuiging verdient dezelfde kritiek als de man die het doet uit gereformeerde overtuiging. Geen strenger, geen milder. Precies gelijk.

 

Verder lezen

Naast Okin, Wilson en Daly, en Hirsi Ali is Phyllis Chesler de moeite waard, die al decennia schrijft over de blinde vlek van westers feminisme voor eergerelateerd geweld en religieus patriarchaat buiten de eigen cultuur. Christina Hoff Sommers is scherp over de asymmetrie in wélke patriarchale praktijken feministen wel en niet durven aanpakken. En voor wie liever bij de biologie blijft: Sarah Blaffer Hrdy’s Mother Nature laat zien dat de vrouwelijke kant van dit verhaal nooit zo passief is geweest als bezitsdenken veronderstelt, en dat het verzet ertegen ongeveer even oud is als het bezitsdenken zelf.

 

Ook interessant voor jou!