Schrikken heeft geen bestuurder (3) – Drie manieren om te schrikken, en waarom geen van drie hetzelfde is

Schrikken heeft geen bestuurder (3) - Drie manieren om te schrikken, en waarom geen van drie hetzelfde is

Beste lezer,

Een dichtslaande deur, een klap tegen je hoofd waar je niet op rekende, een emmer ijswater in je nek. Drie schrikreacties, drie totaal verschillende circuits in het lichaam, en toch dezelfde architectuur eronder: een reflex die niets weet, een herstel dat afhangt van context en voorgeschiedenis, en een verhaal dat er achteraf overheen wordt gelegd.

Deze langere versie volgt die drie gevallen uitgebreid, van hersenstam naar amygdala naar huidreceptor, met de foetus die al schrikt van geluid en de soldaat die pas na de veldslag pijn voelt als tussenstations. Daarna gaat het drie lagen dieper: naar een oud vergelijkingsmechanisme dat blijft functioneren onder elk verhaal, naar een gok die stelselmatig scheef is opgezet, en naar Plessner’s idee dat de mens zich voortdurend moet heroriënteren omdat hij nooit samenvalt met zijn eigen plek in de wereld.

De adder onder het gras zit verspreid door het hele stuk. Niet elke laag is even hard bewezen, de narratieve-zelf-these ligt onder vuur van mensen die hun leven helemaal niet als verhaal ervaren, en wie te makkelijk van hersenstamreflex naar filosofische conclusie springt, verkoopt gemak voor inzicht.

Lees door, neem er de tijd voor, en reken niet op een geruststellende afsluiter.

Veel leesplezier,

Peter Koopman

 

Schrikken heeft geen bestuurder (3)

Een deur slaat dicht, iemand springt overeind, adem stokt, en pas een halve seconde later volgt de zin “ik schrok me kapot”. Die zin is gelogen, niet uit oneerlijkheid maar uit onvermogen. Het orgaan dat de zin uitspreekt was er nog niet bij toen het gebeurde. Dat op zichzelf is al genoeg voor een kort essay. Zet er twee andere scenario’s naast, een tegenstander die je onverwacht op het hoofd raakt en een emmer ijswater die van achteren over je nek wordt gegoten, en het wordt duidelijk dat schrikken geen enkelvoud is. Het is een familie van noodprocedures, elk met een eigen circuit, een eigen tijdslijn en een eigen rekening die later betaald moet worden.

Wat een reflex eigenlijk is

Charles Sherrington beschreef aan het begin van de twintigste eeuw het zenuwstelsel niet als een verzameling losse schakelingen maar als een geïntegreerd systeem waarin reflexen de bouwstenen zijn: vaste, stereotiepe verbindingen tussen prikkel en reactie die geen overleg met hogere hersengebieden nodig hebben (Sherrington, 1906). Dat is precies wat een reflex onderscheidt van een keuze. Een keuze weegt opties, een reflex weegt niets. De schrikreflex is daarvan een extreem voorbeeld, omdat hij bovendien razendsnel moet zijn: alles wat langzamer reageert dan de dreiging zelf, is evolutionair nutteloos. Die snelheid heeft een prijs. Een systeem dat geen tijd heeft om na te denken, kan ook geen onderscheid maken tussen een vallend boek en een aanstormende hond, en moet daarom bij voorbaat een strategie kiezen voor hoe het omgaat met die onzekerheid. Hoe dat precies gebeurt, verschilt per zintuig en per type dreiging, en dat is waar de drie scenario’s uit elkaar gaan lopen.

Schrik is geen verrassing

Voor de drie casussen aan bod komen, verdient één onderscheid aandacht, want het woord “schrikken” gooit in het dagelijks taalgebruik twee verschillende dingen op één hoop. Schrikken in strikte zin is een reflex, kaal en zonder enige beoordeling. Verrassing is iets anders: een onverwachte gebeurtenis triggert een kort, meetbaar cognitief moment waarin lopende verwachtingen worden onderbroken en de relevantie van wat er net gebeurde wordt gecheckt, een proces dat aantoonbaar tijd kost en daarom niet samenvalt met de reflex zelf (Meyer, Reisenzein & Schützwohl, 1997). Een deur die dichtslaat levert een reflex op binnen milliseconden, en soms, iets later, ook nog verrassing, namelijk wanneer blijkt dat er niemand thuis had moeten zijn. Een deur die dichtslaat terwijl je een huisgenoot verwachtte, levert dezelfde reflex op zonder een spoortje verrassing. De twee processen lopen dus uiteen, en wie ze door elkaar haalt, verwart een ruggenmergreactie met een gedachte.

De deur

Iemand slaat een deur dicht. Het oog knijpt binnen dertig tot veertig milliseconden dicht, de romp buigt kort daarna. Het signaal loopt van het binnenoor via cochleaire kernneuronen naar een klein hersenstamgebiedje, de nucleus reticularis pontis caudalis, en van daar rechtstreeks naar de motorneuronen, ruim voordat de cortex iets heeft geregistreerd (Davis, 1992). Angstconditionering, waarbij een aanvankelijk onschuldige prikkel een bedreigende betekenis krijgt, loopt via een vergelijkbaar snelle route die rechtstreeks van de thalamus naar de amygdala gaat, naast en niet via de langzamere, preciezere route langs de cortex (LeDoux, 1996). Dit is geen aangeleerd gedrag. Fetussen vanaf ongeveer de negentiende week van de zwangerschap reageren al met een reflexmatige beweging op een geluidsprikkel, en die gevoeligheid breidt zich in de weken daarna uit naar een steeds breder frequentiebereik (Hepper & Shahidullah, 1994). De schrikreflex is met andere woorden een van de eerste dingen die een mens leert, in de zin dat hij er al is voordat er iets te leren valt.

Interessanter dan de reflex zelf is wat eraan voorafgaat. Als een zwak geluidje vlak voor de harde knal komt, wordt de reflex meetbaar kleiner, een fenomeen dat prepulse inhibition heet. Dat is geen bewuste verwachting, het is een vorm van filtering die al op hersenstamniveau plaatsvindt: het systeem “wist” kennelijk al iets voordat er een knal was. Bij schizofrenie werkt dit filter slechter, patiënten laten minder demping zien bij een voorafgaand zwak signaal, wat past bij het bredere beeld van een sensorisch systeem dat niet goed onderscheid kan maken tussen relevante en irrelevante prikkels (Braff & Geyer, 1990). Dat detail is om twee redenen belangrijk. Het laat zien dat er al een primitieve vorm van verwachting bestaat op een niveau ruim onder bewustzijn, en het laat zien dat deze verwachting een aparte, breekbare component is, die onafhankelijk van de rest van de cognitie kan haperen.

Herstel van de schrikreflex verloopt via het oudste bekende leermechanisme dat er is. Bij herhaalde blootstelling aan dezelfde prikkel wordt de reactie kleiner, habituatie, tenzij het organisme al in een verhoogde staat van paraatheid verkeert, in welk geval dezelfde prikkel een grotere reactie oplevert in plaats van een kleinere, sensitisatie. Dit dubbele-procesmodel is voor het eerst systematisch onderbouwd in onderzoek naar het ruggenmerg van katten, en bleek daarna op vrijwel elk niveau van het zenuwstelsel terug te komen (Thompson & Spencer, 1966). De tiende dichtslaande deur van de dag negeer je zonder erbij na te denken. Diezelfde deur, tijdens een onweersbui of na een nacht met te weinig slaap, kan een grotere schrik opleveren dan de eerste deur van de ochtend. Het verschil zit niet in de deur.

De klap

Een tegenstander raakt je onverwacht op het hoofd, midden in een wedstrijd. Hier ligt een ander circuit aan het stuur, en de logica is bijna tegengesteld aan die van de deur. Pijn en dreiging schakelen normaal gesproken verschillende, deels concurrerende systemen in: dreiging onderdrukt pijn om verdediging of aanval mogelijk te maken, en pas wanneer de dreiging voorbij is, neemt een herstelsysteem het over dat likken en rusten aanmoedigt in plaats van vechten (Bolles & Fanselow, 1980). Welke concrete respons volgt bij een naderende dreiging, voorzichtigheid, vluchten, bevriezen, of aanvallen, hangt af van hoe dichtbij het gevaar al is op het moment zelf, een continuüm dat theoretisch loopt van afstandelijke waakzaamheid tot paniek naarmate fysiek contact onvermijdelijker wordt (Fanselow, 1994). Midden in een wedstrijd bevindt het lichaam zich al in de laatste fase van dat continuüm. Er is geen tijd of voordeel te behalen met terugtrekken, dus kiest het systeem voor doorvechten, niet voor pijn voelen. Dat wordt mede mogelijk gemaakt door een poortmechanisme in het ruggenmerg dat nociceptieve signalen kan tegenhouden voordat ze de hersenen bereiken, afhankelijk van welke andere signalen op datzelfde moment binnenkomen en van neerdalende invloeden vanuit de hersenen zelf (Melzack & Wall, 1965).

De meest dramatische documentatie van dit mechanisme komt niet uit een laboratorium maar uit de Tweede Wereldoorlog. De anesthesioloog Henry Beecher behandelde meer dan tweehonderd zwaargewonde soldaten aan het front en ontdekte dat driekwart van hen zo weinig pijn aangaf dat ze morfine weigerden, ondanks verwondingen die bij burgerpatiënten met vergelijkbare schade vrijwel altijd om zware pijnstilling vroegen (Beecher, 1946). Het verschil zat niet in de wond. Het zat in de betekenis van de wond: voor de soldaat betekende de verwonding dat het gevecht voorbij was en overleving waarschijnlijk, voor de burger betekende een vergelijkbare verwonding vooral verlies. Dezelfde nociceptieve input, twee volstrekt verschillende uitkomsten, afhankelijk van een beoordeling die met de wond zelf niets te maken had.

Dit is precies het patroon dat je bij de klap tijdens de wedstrijd ziet, alleen dan op een tijdschaal van seconden in plaats van uren. De pijn wordt niet weggegooid, hij wordt geparkeerd, een gok dat overleven of doorzetten nu belangrijker is dan boekhouden nu. Sporters die “niets voelden” op het moment van de klap, voelen vaak alles zodra het fluitsignaal klinkt en het lichaam terugschakelt naar de recuperatieve modus. Wie hier de conclusie aan verbindt dat pijn een keuze is, mist het punt. Pijn wordt uitgesteld door een systeem dat allang een beslissing had genomen voordat er iets te kiezen viel.

Het water

Iemand giet van achteren een emmer ijskoud water over je heen. Huidreceptoren registreren de temperatuurval en sturen een sympathische stormvloed op gang. Binnen de eerste minuut na onderdompeling in koud water schiet de hartslag van rond de negentig naar boven de honderdvijftig slagen per minuut, en de ademhaling versnelt van ongeveer twaalf naar bijna zeventig ademhalingen per minuut, allemaal buiten je wil om (Tipton, 1989). Dat laatste is precies waarom dit de gevaarlijkste van de drie scenario’s is. Onwillekeurige hyperventilatie tijdens onverwachte onderdompeling is een van de belangrijkste doodsoorzaken bij verdrinking in koud open water, ruim voordat onderkoeling in de verste verte een rol gaat spelen. Mensen die uitstekend kunnen zwemmen, verdrinken binnen de eerste paar minuten simpelweg omdat ze geen adem kunnen inhouden op het moment dat ze die het hardst nodig hebben.

Er speelt hier nog iets ingewikkelders, iets dat de zaak minder overzichtelijk maakt dan een simpel sympathisch alarm. Wanneer specifiek het gezicht in koud water wordt ondergedompeld, in plaats van de romp, activeert een ander en veel ouder reflexcomplex: de zoogdieren-duikrespons, met bradycardie, vertraging van de hartslag, en vernauwing van bloedvaten in de ledematen om zuurstof te sparen voor hart en hersenen (Panneton, 2013). Dat is functioneel het tegenovergestelde van de cold shock respons: de ene reactie jaagt het hart op, de andere remt het af, en beide kunnen tegelijk actief zijn wanneer iemand onverwacht kopje-onder gaat in koud water, met een resulterende hartslag die het resultaat is van twee systemen die letterlijk om voorrang strijden op hetzelfde orgaan. Er is dus niet één schrikreactie op koud water, er zijn er twee, aangestuurd door verschillende receptoren op verschillende delen van de huid, en welke wint hangt af van precies waar het water het eerst raakt.

Ook hier geldt habituatie, meetbaar en aantoonbaar blijvend bij mensen die zich herhaaldelijk aan koud water blootstellen, zoals koudwaterzwemmers. Dezelfde algemene wetmatigheid die bij de deur via oor en hersenstam liep, loopt hier via huid en sympathisch zenuwstelsel. Drie totaal verschillende hardware-ingangen, en toch precies hetzelfde softwareprincipe: herhaling zonder averechtse gevolgen doet de reactie slinken.

Drie circuits, één architectuur

Zet de drie naast elkaar en het eerste dat opvalt is hoe weinig ze op elkaar lijken op het niveau van hardware. De deur loopt via het oor en de hersenstam. De klap loopt via nociceptoren, amygdala en een beslissing over nabijheid van dreiging. Het water loopt via de huid en het autonome zenuwstelsel, met een tweede, concurrerend circuit zodra het gezicht erbij betrokken raakt. Geen van drie vraagt om toestemming, en geen van drie wacht op een verhaal.

Het tweede dat opvalt is dat geen van drie een simpele aan-uitknop is. Bij de deur bepaalt een voorafgaand signaal, zelfs een dat te zwak is om zelf op te merken, hoe hard de reactie uitvalt. Bij de klap bepaalt de fase van het gevecht welk van meerdere beschikbare programma’s wordt geactiveerd, en wordt de rekening van pijn actief uitgesteld in plaats van genegeerd. Bij het water bepaalt de exacte locatie van het contact welk van twee tegengestelde reflexen de overhand krijgt. Er is in alle drie de gevallen dus al, ver onder elk bewustzijn, een vorm van gewogen beslissen aanwezig, alleen niet de vorm die met taal of overweging te maken heeft.

Het derde en meest confronterende punt is de spreiding in herstel. Bij normale herhaling zakt de reactie terug naar baseline, of het nu om een deur, een klap of koud water gaat. Bij chronische paraatheid, zoals bij angststoornissen, blijft de reactie versterkt aanwezig, ook zonder directe dreiging, alsof het alarmsysteem is blijven hangen op een stand die ooit nuttig was en nu alleen nog uitput (Grillon, 2008). Bij psychopathie ontbreekt juist de normale versterking van de schrikreflex bij het zien van onaangename beelden, een patroon dat bij de meeste mensen zeer voorspelbaar optreedt (Patrick, Bradley & Lang, 1993), verklaard vanuit een falend mechanisme dat normaal gesproken agressie afremt zodra signalen van angst of pijn bij een ander verschijnen (Blair, 1995). Dezelfde architectuur, drie totaal verschillende uitkomsten van herstel: normaal, chronisch overactief, of structureel afwezig.

De vergelijker

Onder alle drie de reflexen ligt een nog ouder systeem, een die niet reageert op dreiging maar op het onderscheid tussen zelf en niet-zelf. Het zenuwstelsel stuurt bij elke motorische opdracht een kopie van die opdracht mee naar de sensorische verwerking, zodat het kan vergelijken wat het verwachtte te voelen met wat er daadwerkelijk binnenkomt. Wat overeenkomt, wordt toegeschreven aan het eigen handelen. Wat niet overeenkomt, wordt toegeschreven aan de wereld (von Holst & Mittelstaedt, 1950). Dit mechanisme is oeroud, het bestaat al bij insecten, en het is precies waarom je jezelf niet kunt kietelen: de voorspelde sensatie van je eigen vinger wordt eruit gefilterd voordat hij als verrassend geregistreerd kan worden.

Dat dit een apart, breekbaar onderdeel is en niet zomaar een bijverschijnsel van bewustzijn in het algemeen, blijkt uit de kliniek. Bij bepaalde symptomen van schizofrenie, met name wanen van controle waarbij iemand het gevoel heeft dat zijn eigen bewegingen door iets of iemand anders worden bestuurd, lijkt precies dit vergelijkingsmechanisme te falen: de voorspelde sensorische consequentie van een eigen beweging wordt niet correct herkend als eigen, waardoor de beweging als vreemd wordt ervaren (Frith, Blakemore & Wolpert, 2000). Met andere woorden, het gevoel van eigenaarschap over je eigen handelen is geen vanzelfsprekend product van een verhaal dat je jezelf vertelt. Het is een specifiek, lokaliseerbaar rekenproces, dat op zichzelf kan crashen terwijl de rest van de persoon volledig intact blijft functioneren.

Dat brengt een correctie aan op een verleidelijke maar te simpele vergelijking. Het is aantrekkelijk om deze gelaagdheid te vergelijken met het reptielenbrein-limbisch systeem-neocortex model dat Paul MacLean ooit populair maakte, oude en nieuwe hersengebieden netjes opgestapeld als geologische lagen. Dat beeld is inmiddels overtuigend ontkracht als anatomisch sprookje: er zijn geen scherp gescheiden evolutionaire lagen in het brein, wel een mozaïek van circuits die met verschillende snelheden zijn geëvolueerd en voortdurend met elkaar interacteren in plaats van elkaar te vervangen (Cesario, Johnson & Eisthen, 2020; Barton & Harvey, 2000). Wat overeind blijft, is precies het punt: de vergelijker is oud en blijft actief functioneren naast, niet onder, alles wat er later bovenop is gebouwd.

De scheve gok

Boven de vergelijker zit geen neutrale weegschaal, en dat is misschien wel het onprettigste onderdeel van dit hele verhaal. Waarneming is voor een groot deel gissen op basis van onvolledige informatie, een idee dat Hermann von Helmholtz in de negentiende eeuw al onbewuste gevolgtrekking noemde. De moderne, geformaliseerde versie van dat idee stelt dat het brein voortdurend voorspellingen genereert en zijn eigen model bijstelt op basis van de afwijking tussen voorspelling en binnenkomende prikkel, in plaats van passief te registreren wat er gebeurt (Friston, 2010). Organismen wegen daarbij expliciet twee soorten waarde tegen elkaar af: doorgaan op de huidige inschatting, of eerst iets doen om onzekerheid te verminderen voordat er verder gehandeld wordt (Friston et al., 2015). Dat is, in de kern, een weddenschap.

Die weddenschap is niet eerlijk verdeeld, en dat is evolutionair geen ongeluk maar een ontwerpkeuze. Een gemiste dreiging kan dodelijk zijn, een overbodige sprong achteruit kost hooguit wat energie en gêne. Bij die kostenverhouding loont het voor natuurlijke selectie om verdedigingsreacties stelselmatig te vaak te laten afgaan in plaats van te weinig, precies de logica van een rookmelder die liever tien keer onterecht afgaat dan één keer een echte brand mist (Nesse, 2005). De wiskunde daarachter is klassieke signaaldetectietheorie: een criterium instellen onder onzekerheid, met een asymmetrische kostenstructuur die het criterium naar de kant van voorzichtigheid duwt (Green & Swets, 1966). Diezelfde asymmetrische logica duikt overigens ook op een heel ander niveau van de psychologie weer op, in de vorm van verliesaversie: mensen wegen een verlies zwaarder dan een even grote winst, een patroon dat zich op de schaal van economische beslissingen net zo systematisch scheef gedragen laat zien als de schrikreflex dat op de schaal van milliseconden doet (Kahneman & Tversky, 1979). Of dit twee losse verschijnselen zijn die toevallig dezelfde wiskundige vorm hebben, of één en dezelfde evolutionaire logica die zich op verschillende tijdschalen manifesteert, is een vraag die het onderzoek nog niet heeft afgerond, maar de gelijkenis is op zijn minst te opvallend om te negeren.

Het gokken dat aan elke heroriëntering voorafgaat, is dus geen willekeurige worp. Het zijn dobbelstenen die door honderdduizenden generaties selectie al richting voorzichtigheid zijn verzwaard, ruim voordat er ook maar iets bewust wordt overwogen. De klap tijdens de wedstrijd laat zien hoe letterlijk dat uitstel werkt in de tijd: het systeem giet de rekening niet weg, het parkeert hem, wetend, in de zin dat evolutie het zo heeft ingesteld, dat overleven nu zwaarder weegt dan boekhouden nu.

Het label

Er zit nog een tussenstap tussen de scheve gok en het volledige levensverhaal, en die tussenstap gaat over iets kleiners dan identiteit: het label dat op een enkel moment van opwinding wordt geplakt. Het lichaam levert bij elk van de drie scenario’s dezelfde grondstof, een golf van fysiologische activatie, hartslag, zweet, adrenaline, en niets daarvan vertelt uit zichzelf of die activatie angst, opwinding, woede of iets anders betekent. Een groot deel van wat mensen emotie noemen bestaat uit het label dat op die opwinding wordt geplakt, niet uit de opwinding zelf (Schachter & Singer, 1962). Dat label kan volledig mis zijn. In een beroemd geworden experiment liepen mannen over een wiebelige hangbrug op grote hoogte en schreven hun verhoogde hartslag toe aan aantrekkingskracht tot een vrouwelijke onderzoeksassistente die hen daarna interviewde, in plaats van aan angst voor de val (Dutton & Aron, 1974). Het lichaam wist niet beter. Het brein wel, en het brein had het mis.

Dit label is sneller en losser dan het autobiografische verhaal dat er later nog overheen komt, maar het is al net zo weinig gebonden aan wat er werkelijk gebeurde. Het verklaart een klein raadsel uit de eerdere casussen: waarom de beginner een emmer ijswater in de nek meteen “verschrikkelijk” noemt, terwijl de gewende koudwaterzwemmer exact dezelfde fysiologische stormvloed “verkwikkend” noemt. Beiden voelen dezelfde sympathische activatie op hetzelfde moment. Alleen het label verschilt, en dat label wordt al geplakt voordat er ook maar iets van een samenhangend verhaal is opgebouwd.

Het verhaal

Pas boven de vergelijker, de scheve gok en het label komt het volledige verhaal, en dat verhaal is minder solide dan het zich voordoet. Helmuth Plessner beschreef de mens als een wezen dat, anders dan een dier, nooit volledig samenvalt met zijn eigen positie in de omgeving: de mens is zijn lichaam en heeft tegelijk een lichaam, kijkt als het ware van buitenaf naar zichzelf, en moet zich daardoor voortdurend opnieuw verhouden tot een wereld die niet vanzelf bij hem past. Arnold Gehlen noemde de mens om vergelijkbare redenen een wezen met een tekort, gedwongen om het ontbreken van kant-en-klare instincten te compenseren met cultuur, gewoonte en verhaal. Beide auteurs blijven op het niveau van de diagnose. De cognitiewetenschap voegt daar een mechanisme aan toe.

Er is een moment-tot-moment lichaamsbewaking die geen taal of geheugen nodig heeft, en daarboven een autobiografisch zelf dat pas ontstaat wanneer die losse momentopnamen worden aaneengeregen tot een geschiedenis (Damasio, 2010). Hoe letterlijk dat aaneenrijgen gaat, laat onderzoek bij patiënten met een doorgesneden hersenbalk zien: de ene hersenhelft verzint, zonder enige gêne, een plausibele verklaring voor gedrag waarvan de werkelijke oorzaak in de andere, niet-talige hersenhelft lag (Gazzaniga, 2011). Recentere modellen beschrijven dit niet als een eenmalige gebeurtenis maar als een continu bijstellingsproces, waarbij het zelf functioneert als een voortdurend herschreven model in plaats van een vaste kern (Friston, 2010; Seth, 2021). Dat verklaart moeiteloos waarom dezelfde klap door de een wordt verteld als bewijs van doorzettingsvermogen en door de ander als trauma, en waarom hetzelfde koude water door de beginner “verschrikkelijk” heet en door de gewende zwemmer “verfrissend”. Het verschil zit niet in het lichaam op het moment zelf. Het zit in de kaart die er na afloop overheen wordt getekend.

Dat mag niet uitmonden in de te gemakkelijke conclusie dat er onder die kaart helemaal niets ligt dan een stapel herinneringen. Sommige mensen ervaren hun leven wel degelijk als een doorlopend verhaal, anderen beleven het veel meer als een reeks losse, op zichzelf staande momenten, zonder dat die laatste groep daardoor minder samenhangend of minder gezond zou functioneren (Strawson, 2004). En er is, zoals de eerdere kliniek van schizofrene wanen al liet zien, een gevoel van agency en eigenaarschap over een handeling dat al aanwezig is voordat er ook maar iets van geheugen of verhaal bij komt kijken (Gallagher, 2000). De heroriëntering die dit essay volgt, is onmiskenbaar echt en voortdurend. Het idee dat daaronder niets ligt dan opgeslagen geheugen, is zelf een filosofische keuze, geen vaststaand feit, en verdient precies het wantrouwen dat elke te opgeruimde theorie van de mens verdient.

Wat dit oplevert

Deze drieslag, een oude vergelijker, een structureel scheve gok, en een narratieve laag die achteraf schrijft wat er zogenaamd gebeurd is, is meer dan een aardig schema. Hij verklaart waarom bepaalde therapieën werken zoals ze werken, en waarom ze zo vaak terugval kennen. Exposuretherapie voor angststoornissen berust op het idee dat herhaalde, veilige blootstelling aan een gevreesde prikkel de emotionele informatie in het geheugen aanpast (Foa & Kozak, 1986). Wat daar precies gebeurt, is echter geen wissen. Extinctie van een aangeleerde angstreactie vernietigt de oorspronkelijke associatie niet, het bouwt een nieuwe, sterk contextgebonden remmende associatie ernaast, die de oude onderdrukt zonder hem te overschrijven. Verander de context, en de oude reactie kan terugkeren, een verschijnsel dat renewal heet en een van de hardnekkigste problemen is in de behandeling van angst en verslaving (Bouton, 2004). Dat is precies de architectuur die dit essay van begin af aan volgt: niets wordt vervangen, alles wordt overheen gelegd, en de oudere laag blijft, onder de juiste omstandigheden, volledig inzetbaar.

Diezelfde logica werpt licht op iets dat verder gaat dan individuele psychologie. Een systeem dat is afgesteld op een omgeving vol acute, fysieke dreigingen, wordt losgelaten op een moderne omgeving waarin dat soort dreigingen zeldzaam is geworden, maar waarin de scheve gok niet is bijgewerkt. Het alarmsysteem gaat niet minder vaak af omdat de wereld veiliger is geworden, het gaat af op andere, vaak sociale of symbolische prikkels, met dezelfde fysiologische heftigheid als bij een dichtslaande deur. Dat is geen bewijs dat de moderne mens overgevoelig is geworden, het is eerder bewijs dat een systeem dat gebouwd is om structureel te veel vals alarm te slaan, dat gewoon blijft doen, ook wanneer de oorspronkelijke reden voor die instelling grotendeels is weggevallen.

Moed is het verkeerde woord

Er is een sociale gewoonte die dit hele verhaal ongemakkelijk maakt: mensen krijgen lof of blaam voor wat hun vergelijker, hun scheve gok en hun label deden voordat er iets van een bewuste beslissing aan te pas kwam. De soldaat die doorvecht na de klap wordt moedig genoemd, de burger die bevriest bij een overval laf, de zwemmer die in koud water in paniek raakt onhandig, en de duiker die kalm blijft stoer. Geen van die etiketten beschrijft een keuze op het moment zelf. Ze beschrijven het resultaat van eerdere blootstelling, eerdere conditionering, en een startwaarde van de scheve gok die allang vaststond voordat de situatie zich voordeed. Fanselow’s continuüm voorspelt welk gedrag optreedt op basis van de nabijheid van de dreiging, niet op basis van karakter, en onderzoek naar chronisch verhoogde schrikreflexen bij angstpatiënten laat zien dat een uitzonderlijk grote reactie meestal een uitzonderlijk zware voorgeschiedenis vertegenwoordigt, niet een tekort aan wilskracht (Grillon, 2008).

Dat betekent niet dat inspanning, training of blootstelling er niet toe doen. De koudwaterzwemmer die na tientallen sessies kalm blijft, heeft dat kalm blijven wel degelijk verdiend, in de zin dat herhaalde blootstelling zijn systeem daadwerkelijk heeft omgeschoold via habituatie, en niet via een innerlijke krachtsinspanning op het moment zelf. Het onderscheid tussen verdienste en toeval verschuift daarmee naar een heel ander moment dan waarop lof en blaam meestal worden uitgedeeld. Niemand verdient bewondering voor de reactie in de eerste seconde. Hooguit verdient iemand bewondering voor de jaren blootstelling die daaraan voorafgingen, en dat is een saaiere, minder heroïsche vorm van verdienste dan de mythe van de koelbloedige held suggereert.

Slot

Drie deuren, drie klappen, drie emmers water, en in geen van de gevallen was er iemand aan het stuur op het moment zelf. Wat er wel was, is een vergelijker die al honderden miljoenen jaren meegaat, een gok die door selectie is verzwaard richting voorzichtigheid, een label dat in een oogwenk en vaak verkeerd op de opwinding wordt geplakt, en een verteller die pas na afloop arriveert en, zonder enige gêne, claimt de hele tijd al aanwezig te zijn geweest. Geen van deze vier systemen wordt door de andere drie vervangen. Ze liggen over elkaar heen, spreken elkaar soms tegen, zoals bij het gezicht dat tegelijk wil versnellen en vertragen in koud water, en laten precies genoeg ruimte voor een mens om zich achteraf een eenheid te wanen. De volgende vraag is dan ook niet meer wat schrikken is. Het is waarom sommige van deze lagen, bij sommige mensen, nooit meer teruggaan naar hun oude instelling, en wat dat zegt over hoeveel van de rest van de persoonlijkheid op dezelfde manier in elkaar zit.

 

Literatuur

Barton, R. A., & Harvey, P. H. (2000). Mosaic evolution of brain structure in mammals. Nature, 405, 1055-1058.

Beecher, H. K. (1946). Pain in men wounded in battle. Annals of Surgery, 123(1), 96-105.

Blair, R. J. R. (1995). A cognitive developmental approach to morality: investigating the psychopath. Cognition, 57(1), 1-29.

Bolles, R. C., & Fanselow, M. S. (1980). A perceptual-defensive-recuperative model of fear and pain. Behavioral and Brain Sciences, 3(2), 291-301.

Bouton, M. E. (2004). Context and behavioral processes in extinction. Learning & Memory, 11(5), 485-494.

Braff, D. L., & Geyer, M. A. (1990). Sensorimotor gating and schizophrenia: human and animal model studies. Archives of General Psychiatry, 47(2), 181-188.

Cesario, J., Johnson, D. J., & Eisthen, H. L. (2020). Your brain is not an onion with a tiny reptile inside. Current Directions in Psychological Science, 29(3), 255-260.

Damasio, A. (2010). Self Comes to Mind: Constructing the Conscious Brain. Pantheon Books.

Davis, M. (1992). The role of the amygdala in fear and anxiety. Annual Review of Neuroscience, 15, 353-375.

Dutton, D. G., & Aron, A. P. (1974). Some evidence for heightened sexual attraction under conditions of high anxiety. Journal of Personality and Social Psychology, 30(4), 510-517.

Fanselow, M. S. (1994). Neural organization of the defensive behavior system responsible for fear. Psychonomic Bulletin & Review, 1(4), 429-438.

Foa, E. B., & Kozak, M. J. (1986). Emotional processing of fear: Exposure to corrective information. Psychological Bulletin, 99(1), 20-35.

Frith, C. D., Blakemore, S. J., & Wolpert, D. M. (2000). Explaining the symptoms of schizophrenia: abnormalities in the awareness of action. Brain Research Reviews, 31(2-3), 357-363.

Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11, 127-138.

Friston, K., Rigoli, F., Ognibene, D., Mathys, C., Fitzgerald, T., & Pezzulo, G. (2015). Active inference and epistemic value. Cognitive Neuroscience, 6(4), 187-214.

Gallagher, S. (2000). Philosophical conceptions of the self: implications for cognitive science. Trends in Cognitive Sciences, 4(1), 14-21.

Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.

Gehlen, A. (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.

Green, D. M., & Swets, J. A. (1966). Signal Detection Theory and Psychophysics. Wiley.

Grillon, C. (2008). Models and mechanisms of anxiety: evidence from startle studies. Psychopharmacology, 199(3), 421-437.

Hepper, P. G., & Shahidullah, B. S. (1994). Development of fetal hearing. Archives of Disease in Childhood: Fetal and Neonatal Edition, 71(2), F81-F87.

Kahneman, D., & Tversky, A. (1979). Prospect theory: An analysis of decision under risk. Econometrica, 47(2), 263-291.

Kerr, M., Siegle, G. J., & Orsini, J. (2019). Voluntary arousing negative experiences (VANE): Why we like to be scared. Emotion, 19(4), 682-698.

LeDoux, J. (1996). The Emotional Brain: The Mysterious Underpinnings of Emotional Life. Simon & Schuster.

Melzack, R., & Wall, P. D. (1965). Pain mechanisms: a new theory. Science, 150(3699), 971-979.

Meyer, W. U., Reisenzein, R., & Schützwohl, A. (1997). Toward a process analysis of emotions: The case of surprise. Motivation and Emotion, 21(3), 251-274.

Nesse, R. M. (2005). Natural selection and the regulation of defenses: A signal detection analysis of the smoke detector problem. Evolution and Human Behavior, 26(1), 88-105.

Panneton, W. M. (2013). The mammalian diving response: an enigmatic reflex to preserve life? Physiology, 28(5), 284-297.

Patrick, C. J., Bradley, M. M., & Lang, P. J. (1993). Emotion in the criminal psychopath: Startle reflex modulation. Journal of Abnormal Psychology, 102(1), 82-92.

Plessner, H. (2019). Levels of Organic Life and the Human: An Introduction to Philosophical Anthropology (M. Hyatt, Trans.). Fordham University Press. (Oorspronkelijk gepubliceerd 1928)

Schachter, S., & Singer, J. (1962). Cognitive, social, and physiological determinants of emotional state. Psychological Review, 69(5), 379-399.

Seth, A. (2021). Being You: A New Science of Consciousness. Dutton.

Sherrington, C. S. (1906). The Integrative Action of the Nervous System. Yale University Press.

Strawson, G. (2004). Against narrativity. Ratio, 17(4), 428-452.

Thompson, R. F., & Spencer, W. A. (1966). Habituation: a model phenomenon for the study of neuronal substrates of behavior. Psychological Review, 73(1), 16-43.

Tipton, M. J. (1989). The initial responses to cold-water immersion in man. Clinical Science, 77(6), 581-588.

Von Holst, E., & Mittelstaedt, H. (1950). Das Reafferenzprinzip. Naturwissenschaften, 37, 464-476.

 

Ook interessant voor jou!