Niemand hoeft de volgende crisis te plannen (en dat is het enge deel)
Beste lezer,
Ik begon deze week met een idee dat naar drankprietpraat rook: stel dat een religie of ideologie vooral bestaat om mensen boven de honderdvijftig te binden, en stel dat een handjevol dromers Europa als rijk voor ogen heeft, dan is een interne vijand toch een efficiënter bindmiddel dan een externe? Massa-immigratie als lont, onrust als resultaat, eenheid als bijvangst.
Ik heb het idee vervolgens zelf onderuitgehaald, met scheermes van Ockham, met Popper, met de rafelrand van waar dit soort redeneringen historisch is beland. Het complot houdt geen stand. Maar onder het complot zat iets kouders dat wel bleef staan: niemand hoeft een crisis te regisseren als woningnood, een verweesde jeugd, aandacht-economie en groepsdenken toch al hetzelfde werk doen, gratis en zonder architect. Turchin heeft er de cijfers voor. Moloch heeft er de naam voor. En de reden dat het tot nu toe geen totale oorlog werd, blijkt niet dat we wijzer zijn geworden, maar dat we bang genoeg zijn gemaakt om het anders op te lossen.
Bijgevoegd het essay waarin ik dat hele traject uitschrijf, van complot naar mechanisme, van Dunbar tot Petrov, met de literatuur erbij voor wie verder wil lezen. Geen geruststelling, wel iets om je borrelpraat een stuk beter beslagen te laten klinken.
Prettige, licht verontrustende leesochtend.
Peter Koopman
Moloch, niet Machiavelli
Waarom niemand de volgende crisis hoeft te plannen
I. Het vermeende complot
Elk gesprek dat begint met een complottheorie verdient het voordeel van de twijfel, voor de eerste zin en niet één zin meer. Dit essay begon met een vraag die op het eerste gehoor naar drankprietpraat rook: als religie en ideologie vooral dienen om mensen boven de magische grens van honderdvijftig aan elkaar te binden, en een handjevol dromers een nieuw Europees rijk voor ogen heeft, is een interne vijand dan niet een efficiënter bindmiddel dan een externe? Massale import van een expansieve religie zou de druk opvoeren, de druk zou ontsporen, en de burgers zouden zich, murw en angstig, alsnog onder één vlag scharen.
Het eerlijke antwoord op die vraag heeft twee lagen, en dit essay bestaat om ze van elkaar los te wrikken. De eerste laag, een klein comité dat dit welbewust ensceneert, stort in zodra je er gewicht op zet. Te veel coördinatie is nodig, te weinig bewijs ligt er, en de verhaalvorm heeft al een naam en een strafblad. De tweede laag houdt wel stand, en is grimmiger dan het complot dat hem verdrong. Groepen mensen binden zich sneller aan een gedeelde vijand dan aan een gedeeld ideaal, dat klopt. Spanning bouwt zich op langs precies de breuklijnen die intuïtief aangewezen worden: woningmarkt, generatiekloof, cultuurverschil. Niemand hoeft dat te plannen, het gebeurt vanzelf, aangedreven door mechanismen die al decennia beschreven staan. Die hebben geen architect nodig om te draaien. Dat is het eigenlijke onderwerp hier: niet wie het bedacht heeft, maar waarom niemand het hoefde te bedenken.
II. Een god is vooral een boekhoudtruc
Begin bij het deel dat overeind blijft. Onderzoek naar de hersenomvang van primaten wijst op een merkbare grens in het aantal stabiele sociale relaties dat een mens kan onderhouden, ergens rond de honderdvijftig, bekend geworden als Dunbars grens. Onder die grens werkt persoonlijke herkenning, je weet wie eerlijk is en wie een vrijbuiter, want je hebt hem gisteren nog gesproken. Boven die grens werkt dat niet meer, en toch moeten steden, legers en handelsnetwerken van tienduizenden vreemden functioneren alsof ze elkaar wel kennen. Daarvoor is een gedeelde fictie nodig, iets dat iedereen gelooft zonder het ooit persoonlijk geverifieerd te hebben.
Een onzichtbare, alwetende toezichthouder blijkt in dat licht geen theologische toevalstreffer maar een coördinatietechnologie. Wie gelooft dat er wordt meegekeken, gedraagt zich eerlijker tegenover vreemden, en samenlevingen met zo’n toezichthouder konden daardoor groeien voorbij de grens waarop wederkerig wantrouwen alles normaal gesproken kapotmaakt. Grote instituties draaien op hetzelfde principe: geld, grenzen, een Europese identiteit, ze bestaan uitsluitend omdat genoeg mensen collectief doen alsof, en houden op te bestaan zodra niemand er meer in gelooft. Religie is dus geen waarheidsclaim, het is administratie voor onbekenden. Brussel en Mekka draaien op hetzelfde soort brandstof, alleen de rituelen verschillen.
III. De vijand als lijm
Een gedeelde god bindt mensen, maar een gedeelde vijand bindt sneller, en dat is geen cynische bijgedachte, dat is een van de best gerepliceerde bevindingen in de sociale psychologie. Het beroemde Robbers Cave experiment liet dat al in de jaren vijftig zien: twee groepen jongens, verdeeld in een zomerkamp, ontwikkelden binnen dagen stevige onderlinge vijandschap, die volledig oploste zodra ze een gezamenlijke tegenstander of een gezamenlijke taak kregen. Een invloedrijke staatstheorie uit het interbellum ging nog verder: het politieke ontstaat op het moment dat een vriend-vijand onderscheid gemaakt wordt, en zonder dat onderscheid is er geen politiek, alleen bestuur.
Het herstelmechanisme dat daarna volgt heet in de antropologie het zondebokmechanisme: een gemeenschap die van binnenuit dreigt te scheuren, herstelt haar samenhang door collectief geweld te richten op één aangewezen slachtoffer of groep, ongeacht of die groep de werkelijke oorzaak van de spanning is. Onderzoek naar totalitaire regimes bevestigt dat dit stelselmatig wordt ingezet: een geconstrueerde binnenlandse vijand werkt sneller en betrouwbaarder dan een externe om een bevolking te mobiliseren. Intern werkt dus inderdaad sneller dan extern. Dat is geen complottheorie, dat is gewoon goed gedocumenteerde sociale machinerie, met of zonder monteur.
IV. Waar het complot zelf instort
Hier wringt het. Zodra je van “mensen binden zich aan een vijand” naar “een select clubje regisseert dit doelbewust” springt, verlaat je aangetoond mechanisme en betreed je bewijslast die er niet is. Wetenschapsfilosofen noemen die denkfout de conspiracy theory of society: de neiging om elke maatschappelijke uitkomst toe te schrijven aan iemand die het zo bedoeld heeft, terwijl de meeste grote patronen emergent zijn, niemand stuurt ze, iedereen reageert alleen op de vorige zet van een ander. Scheermes van Ockham snijdt hier genadeloos. De Duitse gastarbeidersverdragen van de jaren zestig kwamen uit acute arbeidstekorten, niet uit een rijksplan. Franse en Britse migratiestromen kwamen uit koloniale verplichtingen en burgerschapsrecht. Het Vluchtelingenverdrag van 1951 dwingt asielprocedures af, geen ideologie. Vergrijzing en pensioenwiskunde deden de rest. Voor die feiten heb je geen samenzwering nodig, structurele traagheid en kortetermijnpolitiek verklaren evenveel, met minder aannames.
Er is bovendien een reden om extra achterdochtig te zijn juist tegenover deze specifieke verhaalvorm. De gedachte dat een elite bewust een religieuze of etnische groep binnenhaalt om spanning te zaaien ten dienste van een groter project, heeft al een naam en een geschiedenis: het Grand Remplacement, en de oudere, grondig weerlegde Kalergi-mythe, die al decennia hetzelfde suggereren zonder ooit bronnen te leveren die de toets doorstaan. Die verhaalstructuur is niet onschuldig gebleven. De dader van de aanslag in Christchurch in 2019 noemde zijn manifest letterlijk naar precies dat idee. Wie hetzelfde denkpatroon opnieuw optuigt, zij het met andere woorden, doet er goed aan te weten in welk gezelschap hij terechtkomt voor hij de eerste zin publiceert.
Interessant genoeg bestaat er wel een geldige, niet-samenzweerderige versie van “crisis wordt gebruikt om een groter project te dienen”. De architect van de Europese eenwording formuleerde het ooit met zoveel woorden: Europa wordt gesmeed in crises en is de som van de oplossingen die voor die crises worden aangenomen. Dat is geen geheim plan maar een uitgesproken doctrine binnen de Europese studies, met haar eigen term voor het mechanisme: elke crisis wordt gebruikt om de volgende integratiestap te forceren. Daarvoor is geen geïmporteerde vijand nodig. De eurocrisis en de coronapandemie werkten uitstekend als hefboom zonder dat iemand ze bedacht had om te dienen.
V. Geen plan, wel een geloof met een eigen belang
Trek het clubje samenzweerders weg en er blijft iets over dat lastiger te weerleggen is: een geloofssysteem, of het nu een religie of een politiek ideaal is, hoeft geen bewuste dragers te hebben om zich te reproduceren. Ideeën gedragen zich als virussen, ze planten zich voort via gastheren die zelf niet doorhebben waarvoor ze werken, en ideeën die hun gastheer aanzetten tot evangeliseren verspreiden zich sneller dan stillere ideeën, ongeacht of ze waar of nuttig zijn. Een bekend model uit de sociologie laat zien hoe je, zonder enige coördinator, toch hard gesegregeerde buurten krijgt uit een reeks kleine, individueel onschuldige voorkeuren. Sociologen noemen dat verschil manifeste en latente functie: gedrag kan een systeemeffect dienen zonder dat de actor dat effect ooit beoogde. Ambtenaren, activisten, politici en media kunnen dus ieder hun eigen straatje vegen en gezamenlijk toch een steeds grotere botsing bouwen, zonder dat iemand daarvoor getekend heeft.
Toch schuilt hier een oude denkfout op de loer. Functionalistische verklaring zonder aangewezen mechanisme is cirkelredenering. Dat een patroon toevallig uitkomt op verhoogde spanning bewijst niet dat er een selectiemechanisme is dat naar die spanning toe werkt. Wie zegt dat een geloofssysteem “wil” overleven en daarom wrijving organiseert, vertelt eigenlijk een verhaal achteraf en noemt het ontdekking. Je moet aanwijzen wat de druk daadwerkelijk beloont, anders is het gewoon nieuwe wijn in oude, complottheoretische zakken.
VI. Het echte mechanisme: aandacht beloont wrijving
Dat mechanisme bestaat, en het is een stuk banaler dan een sluimerend continentaal rijksideaal. Aandacht en stemmen belonen wrijving, niet eenheid, en dat is meetbaar. Onderzoek naar sociale media laat zien dat platforms extreme stemmen structureel versterken omdat die meer betrokkenheid genereren, ongeacht wie er politiek garen bij spint. Populistische partijen, links en rechts, groeien electoraal op precies dat ongemak, niet omdat ze het veroorzaakt hebben maar omdat ze het het best exploiteren. Dat verklaart hoe duizenden ongecoördineerde actoren, elk uit eigen kortetermijnbelang, toch één grote lijn van oplopende spanning kunnen produceren. Er is geen Europees eindstation voor nodig, alleen een simpel beloningscircuit dat iedereen voedt die op wrijving inzet. Het scheermes van Ockham wint hier voor de tweede keer.
VII. De formele theorie, en de sloop ervan
Wie het idee van een religieus-culturele botsing serieus wil onderbouwen, hoeft niet zelf een theorie te verzinnen, die staat er al, met eigen literatuur en eigen kritiek. Een invloedrijke theorie uit de jaren negentig beschreef religieus-culturele blokken als de nieuwe breuklijnen van conflict na de Koude Oorlog, met de islam expliciet genoemd als blok met wat de auteur “bloedige grenzen” noemde. Dat is de formele, academisch verdedigbare versie van de intuïtie waarmee dit essay begon, zonder de intentionele component.
Het probleem is dat die theorie stevig is afgeschoten, en met reden. Latere critici noemden het een karikatuur die complexiteit wegmoffelt om een verhaal simpel te houden. Ander onderzoek ging fundamenteler te werk: mensen hebben geen enkele overkoepelende identiteit maar tientallen overlappende identiteiten, nationaliteit, klasse, beroep, geslacht, muzieksmaak, en pas als je die allemaal reduceert tot één religieuze noemer ontstaat het beeld van monolithische blokken die met elkaar moeten botsen. Veldonderzoek onder Europese jihadisten leverde de doorslaggevende empirische steek: het patroon is meestal niet radicalisering van de islam maar islamisering van radicalisme, ontwortelde jongeren die een globale ideologische taal aannemen die toevallig islamitisch is, geen voetsoldaten van een eeuwenoud beschavingsproject. “De islam” als coherente actor met een agenda bestaat in die lezing niet. Wat wel bestaat is een verzameling van duizend lokale, elkaar vaak tegensprekende varianten, soennitisch tegen sjiitisch, salafistisch tegen soefi, seculier tegen alles.
VIII. Onvermijdelijkheid is een verhaal, geen feit
Elke voorspelde onvermijdelijke botsing die achteraf wél kwam, kreeg die stempel altijd pas na de feiten. Er bestaat een treffende naam voor die denkfout, de narrative fallacy: we plakken lijn en logica op een proces dat achteraf toevallig zo liep, en vergeten alle vertakkingen van de beslisboom die net zo goed hadden kunnen uitgroeien. Wie nu “onafwendbaar” zegt over een toekomstig conflict, verkoopt geen analyse maar een toekomstig alibi.
Tegelijk is het te makkelijk om daarbij te blijven staan, want het scherpste tegenargument reikt verder dan “voorzichtig zijn met voorspellingen”. Bij ruïnerisico’s, gebeurtenissen zonder herstel, tellen historische gemiddelden domweg niet. Zeventig jaar zonder wereldoorlog is geen bewijs van veiligheid, het is een steekproef van één traject uit een ruimte van mogelijke trajecten, en de andere negenennegentig hebben we nooit gezien. Wiskundig gezien is bij onomkeerbare risico’s het gemiddelde over vele parallelle werelden een ander getal dan het gemiddelde over de tijd in de ene wereld waarin je toevallig leeft, en alleen dat laatste getal telt als je er middenin zit. Dat “het nog nooit gebeurd is” dus geen garantie is dat het niet kan gebeuren, klopt onverkort, en die waarschuwing komt terecht van dezelfde denker die eerder de narrative fallacy benoemde. Het is alleen geen argument voor onvermijdelijkheid, het is een argument voor waakzaamheid, en dat is een ander dier.
IX. De reële druk: huisvesting, leeftijd, groep en eenzaamheid
Trek de speculatie weg en er blijft een lijst van drukfactoren over die zonder enige overdrijving in de statistieken staat. Woningnood voor jongeren is een van de best gedocumenteerde voorspellers van politieke instabiliteit die er bestaat. Demografen noemen dit de youth bulge: een generatie jonge mensen zonder land, huis, status of huwelijksperspectief levert historisch de brandstof voor oorlog, emigratie of onrust, vrijwel ongeacht welke ideologie toevallig voorhanden is om die frustratie een naam te geven. Kwantitatief onderzoek naar bevolking en politieke instabiliteit bevestigt dat patroon keer op keer. De ideologie is dus zelden de oorzaak, ze is de verpakking om een veel ouder probleem, gebrek aan een plek in de wereld, een gezicht te geven.
Een klassiek experiment uit de sociale psychologie liet al zien hoe weinig een mens nodig heeft om groepen te vormen en te bevoordelen: een muntopgooi volstaat al om voorkeur voor “de eigen groep” op te wekken. Dat is een basisinstelling van het brein, geen ideologische besmetting die verdwijnt bij voldoende opleiding. Aan het eind van de negentiende eeuw werd daar het begrip anomie aan toegevoegd: waar sociale bindingen loskomen, stijgt sociale pathologie meetbaar, destijds gemeten aan zelfmoordcijfers, maar het onderliggende mechanisme werkt breder. Een eeuw later klonk dezelfde waarschuwing voor de moderne westerse variant: minder verenigingsleven, minder kerk, minder buurt, meer eenzaamheid, en dus meer lege ruimte voor wat er ook langskomt om die leegte te vullen. Sociale vrijheid zonder gemeenschap eromheen is geen bevrijding zonder prijs, ze heeft alleen een prijs die pas later op de rekening verschijnt.
X. De klok die eronder tikt
Er bestaat inmiddels een cyclusmodel uit de historische sociologie dat deze losse factoren strak bij elkaar brengt, en het verdient een plek in elke boekenkast die zich met dit onderwerp bezighoudt. Het model zet precies de vergelijking op die intuïtief al aanwezig was. Bevolkingsgroei die de elitecapaciteit overschrijdt levert elite-overproductie op: te veel afgestudeerden en aspirant-bestuurders voor te weinig posities. Gecombineerd met verarming van de brede bevolking en een staat die financieel klem komt te zitten, voorspelt dat model golven van instabiliteit met een periode van pakweg vijftig jaar.
Dat bleef geen theorie achteraf. Op basis van precies deze drie variabelen werd al in 2010 in een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift toenemende onrust rond 2020 voorspeld voor de Verenigde Staten, jaren voordat de gebeurtenissen kwamen die aanhangers als bevestiging lezen. Terechte kritiek wijst erop dat cyclische geschiedenismodellen bijna altijd achteraf op een willekeurig decennium met problemen te plakken zijn, en dat is een reëel gevaar bij elk model dat met de voordeur van de verklaring binnenkomt en met de achterdeur van de voorspelling weer weggaat. Toch is dit de meest serieuze, meetbare versie van het scenario waar dit essay om draait: geen samenzwering, wel een klok die eronder tikt, opgebouwd uit demografie, economie en bestuurlijke overbelasting.
XI. De lange vrede tegenover de dikke staart
Hier moet de tegenstem klinken, want de cijfers over de lange termijn wijzen een andere kant op dan het onderbuikgevoel. Een uitgebreide analyse van geweldscijfers over eeuwen laat zien dat het percentage geweldsdoden per hoofd van de bevolking dramatisch is gedaald, van naar schatting vijftien procent gewelddadige sterfte in premoderne stamverbanden naar ruim onder de één procent in de moderne staat. De verklaring is niet dat mensen aardiger geworden zijn, maar dat staten met geweldsmonopolie, handel en onderlinge afhankelijkheid geweld structureel minder lonend maken.
Taleb bracht daar samen met een collega een terecht bezwaar tegen in: oorlogsdoden volgen een dikstaartverdeling, en zeventig jaar zonder wereldoorlog bewijst statistisch weinig als de volgende gebeurtenis in de staart van die verdeling ligt en niet in het gemiddelde. Beide punten zijn waar, en ze spreken elkaar niet echt tegen. De neerwaartse trend is reëel, gemeten, herhaald bevestigd. De trend garandeert alleen niets over morgen, en wie daarmee gerustgesteld wil worden, heeft de verkeerde grafiek opengeslagen.
XII. Schaarste is geen natuurwet
Onder het hele scenario ligt vaak een impliciete aanname die zelden hardop uitgesproken wordt: een groeiende bevolking botst vanzelf op haar grenzen, en die botsing ontlaadt zich vanzelf in geweld, Darwin alom. Dat is de vereenvoudigde achttiende-eeuwse lezing dat bevolking meetkundig groeit en voedsel rekenkundig, zodat oorlog en hongersnood als correctiemechanisme fungeren. Voor de twintigste eeuw is die voorspelling grotendeels stukgelopen op landbouwkundige doorbraken, die de rekensom eenvoudigweg herschreven.
Belangrijker nog is het weerwoord op het idee dat schaarste automatisch tot conflict leidt. Een beroemde economische stelling uit 1968 hield vol dat individuen die een gedeelde hulpbron delen, die onvermijdelijk uitputten, omdat ieders individuele rationaliteit het collectief ondermijnt, de tragedie van de meent. Een latere Nobelprijs voor de economie ging precies naar het empirisch weerleggen van die stelling: gemeenschappen die een schaarse gedeelde hulpbron delen, ontwikkelen in de meeste onderzochte gevallen zelf werkbare, coöperatieve regels in plaats van elkaar de strot af te snijden, mits de groep klein genoeg is, de grenzen duidelijk zijn en overtreders gecontroleerd en gestraft kunnen worden. Schaarste is dus geen vast recept voor geweld, het is een test voor de kwaliteit van de instituties eromheen, en die uitkomst ligt niet vast. Precies daar wringt de huidige schaal van het probleem: kleine groep, heldere grenzen, directe controle, dat zijn nu net de voorwaarden die het lastigst te organiseren zijn op mondiaal niveau, bij klimaat, migratie of wapentechnologie.
XIII. Waarom het geen knal wordt, maar slijtage
Einstein zei in een interview uit 1949 dat hij niet wist met welke wapens de Derde Wereldoorlog gevochten zou worden, maar dat de Vierde met stokken en stenen gevochten zou worden. Het scherpe punt van die uitspraak zit niet in de stokken, het zit in het feit dat hij hem gebruikte om af te schrikken van de Derde, niet om hem te voorspellen. Dat is precies waarom de uitspraak zichzelf deels ontkracht.
Wederzijds gegarandeerde vernietiging dwingt grote mogendheden om totale oorlog te vermijden en het geweld te verplaatsen naar proxyoorlogen, interne fragmentatie en cultuuroorlog. Historici noemen het resultaat daarvan de lange vrede. Dat verklaart, denk ik, wat er om ons heen te zien is: geen enkele knal, wel een aanhoudende, kruimelende druk. De cyclus van het vorige hoofdstuk loopt door, alleen de ontlading is chronisch en verspreid in plaats van een enkele beslissende klap. Minder Armageddon, meer een systeem dat kraakt zonder in te storten. Dat is minder dramatisch dan het oorspronkelijke idee van dit essay, maar het is wel het scenario waar de cijfers op wijzen.
XIV. Moloch: hoe rationele mensen samen een ramp bouwen
Er is een laatste stap in dit essay die het bijna weer bij het begin brengt, maar dan zonder complot en zonder dat iemand dom hoeft te zijn. Een klassieke analyse uit de speltheorie liet al in 1965 zien dat een groot aantal volledig rationele, volledig zelfbewuste individuen alsnog een collectief slechte uitkomst kan produceren, simpelweg omdat ieders individueel rationele zet, meeliften, niet meedoen, kortetermijnwinst pakken, optelt tot een groepsuitkomst die niemand gewild had. Niemand hoeft zijn eigen belang verkeerd te begrijpen. Iedereen kan het feilloos begrijpen op zijn eigen niveau, en de optelsom is toch een ravage.
Een invloedrijk essay uit de onlinefilosofie vatte dat later samen onder de naam Moloch: een systeem waarin concurrentiedruk iedereen dwingt tot een zet die niemand zou kiezen als hij alleen stond, en niemand hoeft er kwaadaardig of dom voor te zijn, het spel zelf dwingt de zet af. Dat is grimmiger dan een complot, niet vrolijker. Domheid is met onderwijs te repareren. Een verkeerd uitgelijnde prikkelstructuur is dat niet, die repareer je alleen door de spelregels zelf te veranderen, en daarvoor zijn weer instituties nodig, precies het middel waarvan het vorige hoofdstuk liet zien wanneer het werkt en wanneer het faalt.
XV. De grenzen van het brein
Moloch werkt zo goed omdat het menselijk brein hem weinig tegenstand biedt. Gedragswetenschappers noemen dit al sinds de jaren vijftig bounded rationality: mensen optimaliseren niet, ze satisficen, ze nemen de eerste bevredigende oplossing, omdat volledige informatie en volledige rekencapaciteit simpelweg niet bestaan. Daar kwam vanaf de jaren zeventig een heel programma van systematische denkfouten bij, tegenwoordig gemeengoed in de gedragseconomie.
Het patroon dat hier het meest bijt heet present bias: mensen wegen een kleine winst nu zwaarder dan een grote schade later, zelfs wanneer ze die schade rationeel kunnen becijferen. Dat is geen gebrek aan intelligentie. Klimaatwetenschappers zijn niet dom, en politici die niets doen meestal ook niet. Het is een tijdshorizonprobleem, ingebakken in de architectuur van het brein zelf, en het is precies het probleem dat Moloch nodig heeft om te blijven draaien: iedereen ziet de afgrond, niemand remt eerder dan de ander, omdat vroeger remmen individueel duurder is dan later crashen.
XVI. Eén mens aan de knop
Het is bovendien niet “de mens” die uiteindelijk een fatale beslissing neemt, het is doorgaans een mens, meestal een politicus, en niet altijd de verstandigste. Die verschuiving verzwakt het verhaal niet, ze verscherpt het. Een klassieke studie in de geschiedschrijving beschreef dit patroon als woodenheadedness: bestuurders die beleid voortzetten dat aantoonbaar tegen hun eigen belang indruist, terwijl er haalbare alternatieven op tafel lagen, van de val van Troje tot de Amerikaanse verliezen in Vietnam. De these was niet dat deze mensen dom waren, ze hadden vaak toegang tot precies de informatie die hen had kunnen redden en negeerden hem, omdat toegeven aan die informatie prestige zou kosten.
Er is bovendien een reden waarom de politicus die de beslissing neemt niet toevallig de meest verstandige is. Onderzoek naar overmoed en oorlog laat zien dat overmoed, een vertekening die de kans op catastrofale misrekening vergroot, tegelijk het kenmerk is dat mensen helpt om aan de macht te komen. Kiezers en achterbannen belonen zelfverzekerdheid, niet accuratesse, en het selectiemechanisme dat bepaalt wie mag beslissen is dus stelselmatig scheefgetrokken richting precies het temperament dat het onvoorzichtigst beslist. Dat is geen pech, dat is een fout in de rekrutering zelf. En zet je zo iemand in een kring van adviseurs, dan wordt het zelden beter: het mechanisme waarmee een hechte, loyale groep afwijkende informatie onderdrukt precies op het moment dat ze het hardst nodig heeft, staat al vijftig jaar beschreven als groupthink, omdat tegenspraak de groepscohesie bedreigt.
XVII. De avond dat het niet fout ging
Toch is er een tegenvoorbeeld dat dit essay niet mag overslaan, want het weerlegt de karikatuur dat individuele mensen alleen maar de lont zijn. Stanislav Petrov kreeg in 1983 een Sovjet-waarschuwingssysteem te zien dat vijf binnenkomende Amerikaanse raketten meldde, en besloot op eigen gezag dat het een vals alarm was, tegen protocol in. Hij had het net zo makkelijk kunnen doorgeven, en de wereld had er vermoedelijk anders uitgezien. Eén mens, op één avond, met onvolledige informatie, deed het goed.
Latere reconstructies van de nucleaire commandostructuur documenteerden hoeveel van dit soort momenten er zijn geweest, bijna allemaal onbekend gebleven bij het grote publiek. Het single point of failure dat dit essay tot nu toe beschreven heeft, is dus ook, af en toe, het single point of redding geweest. Dat is geen troost, het is een correctie: geen garantie voor rampspoed, maar pure willekeur wie er die avond dienst had.
XVIII. De enige oplossing die ooit gewerkt heeft
En dat is precies waarom de mensheid, na 1945, niet gegokt heeft op wijzere politici maar op minder concentratie van beslismacht. Permissive action links, het two-man rule bij nucleaire lanceringen, constitutionele vetospelers, dat hele bouwwerk is een stilzwijgende erkenning van het probleem uit het vorige hoofdstuk: niemand vertrouwde erop dat de persoon met de vinger aan de knop de verstandigste zou zijn, dus werd het systeem zo gebouwd dat één verstandsverbijstering nooit genoeg is.
Een oude filosofische stelling zei het al aan het eind van de achttiende eeuw: staten waarin de macht gedeeld wordt, voeren minder makkelijk oorlog, omdat de beslisser zelf de rekening moet betalen. Modern onderzoek bevestigde dat empirisch decennia later: democratieën vechten zelden tegen elkaar, niet omdat hun leiders wijzer zijn, maar omdat checks en balances ervoor zorgen dat individuele overmoed nooit de enige stem in de kamer is. De oplossing die de geschiedenis uiteindelijk gekozen heeft, was dus nooit hopen op een betere mens aan de knop. Het was zorgen dat er nooit één knop is.
XIX. Wat overblijft
Wat overblijft van het oorspronkelijke, sinistere idee, na deze hele exercitie? Niet het complot. Geen enkel bewijs draagt de gedachte dat een select gezelschap bewust een religie importeert om spanning te fabriceren ten dienste van een Europees rijk, en de verhaalvorm zelf heeft, los van het bewijsgebrek, al een besmette geschiedenis die iedere serieuze schrijver op afstand moet houden.
Wel overeind blijft een kouder, minder narratief bevredigend beeld. Groepen mensen zoeken hun samenhang inderdaad sneller via een gedeelde vijand dan via een gedeeld ideaal. Woningnood, generatiekloof, verlies van sociale binding en de economie van online aandacht bouwen inderdaad, ongecoördineerd maar systematisch, spanning op langs precies de breuklijnen die intuïtie als eerste aanwijst. De cijfers over elite-overproductie en publieke verarming voorspellen daadwerkelijk golven van onrust, met of zonder architect. En de reden dat dit tot nu toe niet ontplofte in een totale oorlog, is niet dat mensen wijzer geworden zijn, het is dat de angst voor totale vernietiging het geweld verplaatst heeft naar iets chronisch, versnipperd en aanhoudend in plaats van beslissend.
De vraag waarmee dit essay begon was of het ver gezocht is te denken dat een interne vijand doelbewust wordt binnengehaald om een continent samen te smeden. Het antwoord is ja, dat is ver gezocht, als opzet. Het is bijna geruststellend dat het ver gezocht is, want de mens die zoiets zou moeten plannen, blijkt keer op keer niet slim genoeg voor het project dat hem wordt toegedicht. Het antwoord is nee, het is niet ver gezocht als beschrijving van wat er sowieso gebeurt zodra genoeg druk, genoeg schaarste en genoeg onbeheerde aandacht samenkomen, met exact nul mensen die het geregisseerd hebben. Niemand hoeft de volgende crisis te plannen. Dat is precies waarom hij komt.
Literatuur
Alexander, S. (2014). Meditations on Moloch. Slate Star Codex.
Arendt, H. (1951). The Origins of Totalitarianism. Harcourt, Brace.
Bail, C. (2021). Breaking the Social Media Prism. Princeton University Press.
Camus, R. (2011). Le Grand Remplacement. David Reinharc.
Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene. Oxford University Press.
Doyle, M. (1983). Kant, Liberal Legacies, and Foreign Affairs. Philosophy & Public Affairs, 12(3-4).
Dunbar, R. (1992). Neocortex size as a constraint on group size in primates. Journal of Human Evolution, 22(6).
Durkheim, É. (1897). Le Suicide. Félix Alcan.
Gaddis, J.L. (1987). The Long Peace: Inquiries into the History of the Cold War. Oxford University Press.
Girard, R. (1972). La Violence et le Sacré. Grasset.
Goldstone, J.A. (2002). Population and Security: How Demographic Change Can Lead to Violent Conflict. Journal of International Affairs, 56(1).
Hardin, G. (1968). The Tragedy of the Commons. Science, 162(3859).
Harari, Y.N. (2011). Sapiens: A Brief History of Humankind. Harvill Secker.
Heinsohn, G. (2003). Söhne und Weltmacht: Terror im Aufstieg und Fall der Nationen. Orell Füssli.
Huntington, S.P. (1996). The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order. Simon & Schuster.
Janis, I.L. (1972). Victims of Groupthink. Houghton Mifflin.
Johnson, D.D.P. (2004). Overconfidence and War: The Havoc and Glory of Positive Illusions. Harvard University Press.
Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. Farrar, Straus and Giroux.
Kahneman, D. & Tversky, A. (1974). Judgment under Uncertainty: Heuristics and Biases. Science, 185(4157).
Kant, I. (1795). Zum ewigen Frieden. Königsberg.
Malthus, T. (1798). An Essay on the Principle of Population. J. Johnson.
Merton, R.K. (1949). Social Theory and Social Structure. Free Press.
Norenzayan, A. (2013). Big Gods: How Religion Transformed Cooperation and Conflict. Princeton University Press.
Olson, M. (1965). The Logic of Collective Action. Harvard University Press.
Ostrom, E. (1990). Governing the Commons: The Evolution of Institutions for Collective Action. Cambridge University Press.
Peters, O. (2019). The Ergodicity Problem in Economics. Nature Physics, 15.
Pinker, S. (2011). The Better Angels of Our Nature. Viking.
Popper, K. (1945). The Open Society and Its Enemies. Routledge.
Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. Simon & Schuster.
Roy, O. (2004). Globalized Islam: The Search for a New Ummah. Columbia University Press.
Russett, B. (1993). Grasping the Democratic Peace. Princeton University Press.
Said, E. (2001, 22 oktober). The Clash of Ignorance. The Nation.
Schelling, T.C. (1966). Arms and Influence. Yale University Press.
Schelling, T.C. (1978). Micromotives and Macrobehavior. Norton.
Schlosser, E. (2013). Command and Control. Penguin Press.
Schmitt, C. (1932). Der Begriff des Politischen. Duncker & Humblot.
Searle, J.R. (1995). The Construction of Social Reality. Free Press.
Sen, A. (2006). Identity and Violence: The Illusion of Destiny. Norton.
Sherif, M. e.a. (1954/1961). Intergroup Conflict and Cooperation: The Robbers Cave Experiment. University of Oklahoma.
Simon, H.A. (1957). Models of Man. Wiley.
Tajfel, H. (1970). Experiments in Intergroup Discrimination. Scientific American, 223(5).
Taleb, N.N. (2007). The Black Swan. Random House.
Taleb, N.N. (2012). Antifragile. Random House.
Taleb, N.N. (2018). Skin in the Game. Random House.
Taleb, N.N. & Cirillo, P. (2018). On the Statistical Properties and Tail Risk of Violent Conflicts. Physica A, 452.
Tuchman, B.W. (1984). The March of Folly: From Troy to Vietnam. Knopf.
Turchin, P. (2010). Political Instability May Be a Contributor in the Coming Decade. Nature, 463.
Turchin, P. (2016). Ages of Discord. Beresta Books.
Turchin, P. (2023). End Times: Elites, Counter-Elites, and the Path of Political Disintegration. Penguin Press.
Turchin, P. & Nefedov, S. (2009). Secular Cycles. Princeton University Press.
Werner, A. (1949, 16 juni). Einstein Interview. Liberal Judaism, 16.
