Beste lezer,
Bijgaand een essay dat begint bij een simpele constatering, dat mannen en vrouwen niet uitsluitend anatomisch verschillen, en van daaruit doorloopt naar leeftijd, ziekte, seksuele geaardheid, lichaamsbouw en uiteindelijk politieke macht. De rode draad: er bestaat geen blik van nergens. Elk oordeel komt uit een lichaam, en dat lichaam heeft een hormoonspiegel, een leeftijd, een doodsverwachting of een machtspositie die meebepaalt wat er als waar wordt ervaren.
Het stuk bouwt op, van hormonale seksedimorfie via mijn eigen constitutieverval en het lot van een terminale patiënt, naar een herziene lezing van Nietzsche (wiens reputatie meer te danken heeft aan zijn zus dan aan hemzelf), het huwelijk als functioneel systeem in plaats van gemiddelde, en tot slot een concrete casus: hoe een politicus een verkiezing wint door zelf in zijn eigen verhaal te gaan geloven. Onderbouwd met een kleine veertig bronnen, van Hyde en Cordelia Fine tot Trivers, Damasio en Weber, allemaal terug te vinden in de bijgevoegde literatuurlijst.
Het is geschreven zonder ontzien, met opzet. Geen morele franje, geen slotalinea die alsnog alles gladstrijkt. Ik hoor graag of het iets is.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
Niemand kijkt van nergens (long read)
- De twee lichamen in één hoofd
Het begint met een simpele, bijna te simpele constatering: mannen en vrouwen verschillen niet uitsluitend anatomisch. Er zit een hormonale en functionele laag onder die anatomie die mede bepaalt hoe iemand de wereld binnenkrijgt, categoriseert en beoordeelt. Dat klinkt als een open deur totdat je merkt hoeveel moeite het kost om die deur hardop open te trappen zonder dat er meteen een hele kamer vol ideologische meubels omvalt. De data zijn er, ze zijn alleen minder eenduidig dan de twee kampen willen die zich erover verdringen.
Wat vaststaat: prenatale blootstelling aan testosteron heeft een organiserend effect op hersenarchitectuur, lang voor de geboorte al. Dat is decennialang uitgemeten bij meisjes met congenitale bijnierhyperplasie, prenataal blootgesteld aan verhoogde testosteronspiegels, die systematisch ander speelgedrag vertonen dan hun zussen zonder die aandoening.[1] Dat is geen opvoeding, want de aap in het laboratorium naast hen heeft dezelfde voorkeur en leest geen tijdschriften over genderneutrale opvoeding. Later, rond en na de puberteit, komt daar een activationeel effect bovenop: dezelfde hormonen die het brein ooit bekabelden, sturen het nu ook van moment tot moment aan.
Op die organiserende werking is een invloedrijke theorie gebouwd, empathizing-systemizing, met foetaal testosteron als een van de sturende variabelen achter een gemiddeld mannelijke neiging tot systematiseren en een gemiddeld vrouwelijke neiging tot mentaliseren.[2] Mooi verhaal, veel weerklank, en er is ook vakkundig blootgelegd hoe zwak de effectgroottes vaak zijn en hoe gretig kleine gemiddelde verschillen worden verkocht als bepalend voor het individu.[3] Die kritiek is terecht waar het gaat om overdrijving; ze schiet zelf door zodra bijna elk biologisch verschil wordt weggeredeneerd tot meetartefact. Twee messcherpe posities, twee tegengestelde overdrijvingen, en de waarheid wacht er ergens tussenin op iemand die haar serieus neemt.
De gender similarities hypothesis, gebaseerd op tientallen meta-analyses, laat zien dat de meeste cognitieve en persoonlijkheidsverschillen tussen de seksen een Cohen’s d hebben van ergens tussen 0,1 en 0,3.[4] Op individueel niveau voorspelt geslacht dus vrijwel niets. Maar gemiddelden sturen wel degelijk maatschappelijke patronen: beroepskeuzes, risicogedrag, zelfs politieke voorkeuren. Doen alsof die patronen puur cultureel geconstrueerd zijn, is even dwaas als doen alsof ze puur biologisch determineren wie je bent. Het is geen kwestie van natuur óf cultuur, het is een voortdurende feedbacklus waarin hormonen een drempel verlagen en cultuur precies daar een trap bouwt.
De evolutionair-psychologische onderbouwing redeneert vanuit een simpel gegeven: verschillende reproductieve kosten leveren verschillende selectiedruk op risico, competitie, partnerkeuze en zorggedrag.[5] Het zwakke punt zit in de klassieke aanname dat mannelijke reproductieve variantie altijd groter is dan vrouwelijke, teruggaand op een fruitvliegenexperiment uit 1948.[6] Dat experiment is later methodologisch fijngemalen.[7] De grote lijn overleeft de kritiek, de details niet allemaal, en dat onderscheid tussen grote lijn en detail is precies waar dit hele essay om draait.
Het is de moeite waard hier al te noteren wat later terugkomt: de kritiek bestrijdt vooral de bewéring dat kleine gemiddelde verschillen individueel voorspellend zijn, niet het bestaan van de verschillen zelf. Dat onderscheid gaat in het publieke debat vrijwel altijd verloren, omdat een gemiddeld verschil van d=0,2 zich moeilijk laat samenvatten in een tweet, en een stellige uitspraak over “hoe mannen zijn” of “hoe vrouwen zijn” zich juist uitstekend leent voor precies dat medium. De wetenschap levert een verdeling met overlap, het publieke debat vraagt om een uitspraak zonder overlap, en in die vertaalslag gaat de nuance verloren die het verschil tussen een goed en een slecht argument uitmaakt.
- Het lichaam dat ouder wordt
Hier wordt het persoonlijk, en dat is geen zwakte van het argument, dat is de test ervan. Wie vandaag dertig is en over dertig jaar vijfenzestig, is niet dezelfde man gebleven die toevallig ouder is geworden. Testosteron daalt bij mannen gemiddeld een tot twee procent per jaar vanaf hun dertigste, vastgesteld in de langlopende Massachusetts Male Aging Study.[8] Dat klinkt onschuldig totdat je het optelt over drie decennia. De term andropauze is omstreden, endocrinologen spreken liever van late-onset hypogonadisme, maar het gedragsmatige gevolg staat niet ter discussie: minder libido, vaak minder risicobereidheid, een verschuiving van statuscompetitie naar iets wat op onderhoud en overdracht lijkt.
De life history theory beschrijft dat als een verschuiving van mating effort naar somatic en parenting effort.[9] Een studie bij vaders op de Filipijnen liet zien dat testosteron sterker daalde bij mannen die intensief voor hun kind zorgden dan bij mannen die dat niet deden.[10] Niet het vaderschap volgt de testosteronspiegel, de testosteronspiegel volgt het vaderschap. Dat is een omkering van de gangbare volgorde: we denken graag dat hormonen gedrag sturen, maar gedrag en omstandigheden sturen minstens even hard terug.
Bij vrouwen verloopt diezelfde herijking anders van vorm, niet van aard. De grote Amerikaanse SWAN-cohortstudie documenteert hoe de overgang rond de menopauze zich binnen enkele jaren voltrekt in plaats van decennia uitgesmeerd, met meetbare gevolgen voor stemming, slaap en cognitie.[11] De grootmoederhypothese stelt dat die abrupte afsluiting zelf functioneel is, geen defect: een vrouw die stopt met eigen voortplanting en overschakelt op investering in kleinkinderen, vergroot de overlevingskans van haar reeds bestaande nageslacht meer dan een extra zwangerschap ooit zou opleveren.[12] Mannelijke aftakeling is traag en lineair, vrouwelijke aftakeling is abrupt en functioneel gericht, en beide zijn evengoed een verschuiving in constitutie die het wereldbeeld herijkt, alleen met een andere tijdshorizon.
Wie dus stelt dat zijn wereldbeeld opportuun is, afhankelijk van zijn constitutie, zegt niets naïefs. Hij benoemt een mechanisme dat de vakliteratuur al langer kent maar dat mensen zelden hardop op zichzelf durven toepassen. De meeste mensen praten over hun veranderende opvattingen op oudere leeftijd in termen van wijsheid en levenservaring, een verworvenheid van het verstand. Van buitenaf bekeken is een flink deel daarvan een dalende hormoonspiegel die toevallig ook nog minder impulsief en minder statusgedreven aanvoelt. De socioemotional selectivity theory noemt dat de positivity effect: een korter wordende tijdshorizon leidt tot selectievere aandacht voor emotioneel betekenisvolle, positieve informatie.[13] Een grote meta-analyse van persoonlijkheidsontwikkeling bevestigt dat mensen ouder wordend gemiddeld consciëntieuzer en verdraagzamer worden, het zogenaamde maturity principle.[14] Dat voelt van binnenuit als groei. Het is minstens zo goed te lezen als een organisme dat zijn resterende tijd anders gaat beheren.
III. Het lichaam dat voelt wat het gelooft
Als hormonale staat het wereldbeeld op de lange termijn bijstelt, doet de lichamelijke toestand van moment tot moment hetzelfde op de korte termijn. De somatic marker hypothesis stelt dat lichamelijke signalen voortdurend meewegen in elk oordeel dat je denkt rationeel te vellen.[15] Een verwante theorie van geconstrueerde emotie bouwt daarop voort: het brein raadt continu naar de betekenis van interne lichaamssignalen via interoceptie, en die gok kleurt letterlijk hoe je een situatie, een gesprek, een politiek standpunt beoordeelt.[16] Honger, pijn, vermoeidheid, ontsteking, dat zijn geen bijzaken naast het wereldbeeld. Dat is het substraat waarop het wereldbeeld draait.
Hier moet een kritische kanttekening bij, want dit vakgebied heeft een lelijk litteken. De ego-depletion-literatuur, het idee dat wilskracht een uitputbare bron is die met glucose bijgevuld kan worden, is in de grote Many Labs-replicaties grotendeels ingestort.[17] Mensen zijn dol op verhalen waarin een biologische variabele hun gedrag verklaart, en onderzoekers leveren die verhalen maar al te graag, met als resultaat aantrekkelijke bevindingen die bij nadere inspectie op zand gebouwd bleken. De precieze causale pijl verdient dus voorzichtigheid, ook al is de grote lijn, dat lichamelijke staat meeweegt in oordeel, stevig onderbouwd via andere, wel-replicerende routes. Onderzoek naar het behavioral immune system laat zien dat mensen die zich ziek voelen of net een griepprik hebben gehad, tijdelijk conservatiever en xenofober scoren op vragenlijsten.[18] Het immuunsysteem heeft dus een mening over migratiebeleid, en die mening verandert als je verkouden bent.
De eerlijkste samenvatting van dit deel van het betoog: een wereldbeeld is nooit een vaste overtuiging die ooit is vastgesteld en sindsdien logisch wordt uitgebreid, het is een voortdurend heronderhandeld compromis tussen wat het lichaam meldt en wat het verstand daarvan een verhaal probeert te maken. Een klassieke studie liet al zien dat mensen structureel slecht zijn in het benoemen van de werkelijke oorzaak van hun eigen oordelen.[19] Ze verzinnen een plausibele reden achteraf, en geloven die reden zelf het hardst.
De polyvagal theory legt daar nog een laag onder: de nervus vagus verbindt hart, longen en ingewanden rechtstreeks met de hersenstam, en de toestand van dat systeem, vagaal getint of juist niet, bepaalt in hoeverre iemand een onbekende situatie als veilig genoeg beoordeelt om open tegemoet te treden, of als bedreigend genoeg om te verstarren of aan te vallen.[20] Dat is geen metafoor, het is meetbaar via hartslagvariabiliteit, en het verklaart voor een deel waarom hetzelfde argument op maandagochtend, uitgeput en onderuitgezakt op kantoor, anders landt dan op zondagmiddag na een goede nachtrust. De inhoud van het argument verandert niet. De vagus wel.
- Het lichaam dat zich afsluit
Aan de uiterste rand van dit mechanisme ligt iets dat zelden in beleefd gezelschap wordt besproken: het organisme dat zich, geconfronteerd met totale uitzichtloosheid, letterlijk afsluit. Er bestaat een aangrijpend verslag van een medegevangene in een concentratiekamp die droomde dat de bevrijding op 30 maart zou komen.[21] Toen die datum voorbijging zonder verlossing, ging zijn conditie in twee dagen zienderogen achteruit, en hij stierf kort daarna zonder duidelijke nieuwe medische oorzaak. Daarbij wordt, in een aardige historische lus, een zin van Nietzsche geciteerd: wie een waarom heeft om te leven, verdraagt bijna elk hoe.
Dat patroon is klinisch niet uniek. Het is al in 1968 beschreven als het “giving-up-given-up complex”, een herkenbaar patroon van opgeven dat aan overlijden voorafgaat.[22] Het mechanisme werd al eerder, in 1942, benoemd als voodoo death, de fysiologische ineenstorting die volgt op de overtuiging dat er geen uitweg meer is.[23] Learned helplessness en allostatic load leveren samen het onderliggende mechanisme: een organisme dat voortdurend stress ervaart zonder waargenomen controle, schakelt op een gegeven moment over naar afsluiten, letterlijk op celniveau.[24, 25] Het gaat hier niet om hoop als vaag gevoel, het gaat om een ingecalculeerde kans op een uitkomst, en zodra die kans op nul staat, stopt de motivatie om nog te investeren in overleven. Geen romantische doodswens, een kosten-batenberekening die het lichaam zelf uitvoert, buiten het bewustzijn om.
- De filosoof met migraine
Het is geen toeval dat juist Nietzsche in dit betoog telkens terugkeert, en het verdient een rechtzetting, want de gangbare associatie met het nationaalsocialisme berust op een van de mooiere staaltjes historische lastercampagne die de filosofie kent. Nietzsche zelf verafschuwde het Duitse nationalisme en het antisemitisme van zijn tijd met een felheid die hem ruzie opleverde met Wagner en met zijn zwager Bernhard Förster, die een Arische kolonie in Paraguay stichtte. Na zijn geestelijke instorting in 1889 nam zijn zus Elisabeth Förster-Nietzsche de regie over zijn nalatenschap over en knipte en plakte fragmenten uit zijn Nachlass tot het postume boek Der Wille zur Macht, een compilatie die hijzelf nooit zo heeft samengesteld of goedgekeurd.[26] Decennia later serveerde zij die op een presenteerblaadje aan Alfred Baeumler en de nazi-ideologen die op zoek waren naar een filosofisch aureool. Het meeste eergevoel is na de oorlog teruggegeven met een grote naoorlogse rehabilitatie van zijn werk.[27] Niet Nietzsche werd fout, zijn nalatenschap werd gekaapt door iemand die toevallig zijn achternaam droeg.
En hier wordt het pas echt interessant voor dit betoog: Nietzsche schreef zijn hele oeuvre onder een chronische, waarschijnlijk neurologische aandoening, migraine, gedeeltelijke blindheid, mogelijk een langzaam groeiende hersentumor volgens recentere retrospectieve diagnoses. Meerdere biografen hebben gesuggereerd dat zijn eigen Umwertung, zijn drang om alle vaste waarden ter discussie te stellen, minstens deels voortkwam uit een lichaam dat hem voortdurend het gevoel gaf dat niets vaststond. Zijn constitutie schreef mee aan zijn filosofie, wat des te opmerkelijker is omdat die filosofie zelf uiteindelijk uitkomt op precies dat inzicht.
Want wat in dit essay tot nu toe telkens terugkeert, is minder zijn Wille zur Macht dan zijn perspectivisme: “es gibt nur ein perspektivisches Sehen, nur ein perspektivisches Erkennen.”[28] Er bestaat geen blik van nergens, alleen een blik vanuit een lichaam. Elk weten is gebonden aan een positie, en die positie is bij Nietzsche letterlijk lichamelijk, niet metaforisch. Testosteron, leeftijd, doodsverwachting, migraine, elk levert een andere positie op, en dus een ander, evenzeer legitiem perspectief. Niet omdat waarheid relatief is in de goedkope, alles-mag-zin van het woord, maar omdat toegang tot waarheid altijd via een specifiek lichaam loopt dat op dat moment iets specifieks doormaakt.
- Het span als systeem
Als individuele constitutie het oordeel kleurt, ligt de vraag voor de hand of twee mensen samen die kleuring kunnen compenseren. Er zit iets aantrekkelijks in het beeld van een man-vrouwverbintenis als een soort homeostase, een systeem dat de extremen van beide partners wegfiltert tot een evenwichtiger gezamenlijk oordeel. Die metafoor werkt beter als beeld dan als letterlijk mechanisme, want homeostase veronderstelt een regelkring met een vast setpoint en negatieve terugkoppeling, en een relatie heeft geen thermostaat, ze heeft twee zenuwstelsels die af en toe ruzie hebben over de temperatuur.
Toch is de kern empirisch beter onderbouwd dan hij op het eerste gezicht lijkt, alleen niet precies zoals de metafoor suggereert. Een bekend experiment naar wat “two heads better than one” werd genoemd, liet zien dat twee mensen die samen een oordeel vellen en daarbij hun vertrouwen eerlijk met elkaar delen, gemiddeld beter presteren dan de beste van de twee alleen.[29] Dat effect verdwijnt echter zodra de twee sterk in bekwaamheid verschillen of hun onzekerheid niet eerlijk communiceren; dan trekt de zwakkere partij het gezamenlijke oordeel omlaag. Middelen werkt dus niet automatisch beter, het werkt alleen onder specifieke voorwaarden van eerlijke, gelijkwaardige inbreng.
Er is ook een tegenargument dat precies zo zwaar weegt: soms is juist het extreme te verkiezen boven het gemiddelde. Dat is in de kern een bet-hedging-vraagstuk uit de evolutiebiologie.[30] Een span kan kiezen tussen een lage-variantiestrategie die gemiddeld solide maar zelden uitzonderlijk presteert, en een hoge-variantiestrategie die soms faalt en soms een uitschieter oplevert die de moeite waard is. Oorlog, jacht, acute crisis, dat zijn precies de omstandigheden waarin extreme, testosterongedreven risicobereidheid het verschil maakt tussen overleven en niet overleven, en een uitgemiddelde reactie is dan ronduit gevaarlijk. Zuigelingenzorg en langdurige sociale binding zijn precies de omstandigheden waarin extreme, oxytocine- en oestrogeengedreven aandacht voor kwetsbaarheid het verschil maakt, en een berekenende, geoptimaliseerde reactie schiet daar tekort.
Sterker dan de homeostase-metafoor is daarom het beeld van het span als team met gespecialiseerde rollen die van klus wisselen, niet als thermostaat die naar het midden trekt. Dat heet bij koppels transactive memory, een gedistribueerd cognitief systeem waarin het geheel intelligenter functioneert dan beide individuen afzonderlijk, niet door te middelen maar door te verdelen.[31] En er is een fraaie fysiologische aanwijzing dat spannen zich wel degelijk als gekoppeld systeem gedragen: getrouwde en samenwonende mannen hebben structureel lager testosteron dan vrijgezelle leeftijdsgenoten, een neerwaartse herijking richting bindingsgedrag in plaats van statuscompetitie.[32]
Eén kanttekening voorkomt dat het beeld te lief wordt. De sexual conflict theory laat zien dat de reproductieve belangen van man en vrouw regelmatig uit elkaar lopen, niet uit kwade wil, maar omdat evolutie geen belang heeft bij harmonie op zich, alleen bij overdracht van genen.[33] Een span is dus niet standaard een coöperatieve homeostase die netjes naar een gedeeld optimum toewerkt. Het is minstens zo vaak een onderhandeling tussen twee partijen met deels overlappende en deels tegengestelde belangen, waarbij wie de doorslag geeft afhangt van machtsverhouding, niet van wie het beste argument heeft.
Er speelt hier nog een tweede complicatie, die de partnerkeuze zelf betreft en niet alleen wat er daarna gebeurt. Grootschalig cross-cultureel onderzoek laat zien dat mensen op de meeste eigenschappen juist assortatief paren, gelijk zoekt gelijk, in intelligentie, waarden, opleidingsniveau en zelfs politieke overtuiging.[34] Alleen op een select aantal dimensies, met name dominantie, blijkt complementariteit de betere voorspeller van relatietevredenheid, zoals het interpersonal circumplex model al beschreef: een dominante partner functioneert doorgaans prettiger naast een submissieve dan naast een even dominante.[35] Dat betekent dat het span als compenserend systeem niet overal geldt, het geldt selectief, op precies de assen waar competitie tussen gelijken destructief zou zijn en aanvulling productief. Op de meeste andere assen zoekt de mens juist een spiegel, geen tegenpool, en dat maakt het geheel minder een uitgebalanceerde weegschaal dan een lappendeken van assen die deels middelen, deels aanvullen en deels gewoon overeenkomen.
VII. Andere lichamen, andere werelden
Als constitutie het wereldbeeld kleurt bij sekse, leeftijd en fysieke staat, dan geldt dezelfde logica onvermijdelijk voor elke andere constitutionele variant, inclusief variaties die het ongemakkelijker maken om er nuchter over te spreken. Dat ongemak is geen argument tegen de logica, het is alleen een graadmeter voor hoe dicht de logica bij iemands identiteit komt.
De etiologische literatuur over homoseksualiteit is inmiddels behoorlijk uitgekristalliseerd, en minder simpel dan het populaire verhaal suggereert. Het idee van één “gay gen” is definitief begraven door een grote GWAS-studie met bijna een half miljoen deelnemers: geen enkele locus verklaart meer dan een fractie van een procent van de variantie, verspreid over vele genen met elk een klein effect.[36] Een oudere, veel geciteerde koppeling met een specifiek stuk van het X-chromosoom is nooit robuust gerepliceerd.[37] Wat wel stevig overeind blijft staan is het fraternal birth order effect: elke oudere biologische broer verhoogt de kans op homoseksualiteit bij een later geboren zoon, met een maternale immuunrespons op Y-gebonden eiwitten als meest waarschijnlijke mechanisme, herhaaldelijk gerepliceerd.[38] Een beroemde bevinding uit 1991 over een kleiner celkerngebied in de hypothalamus was methodologisch zwak, de hele steekproef bestond uit aidspatiënten, en het brein verandert onder die ziekte zelf.[39]
Interessanter dan de oorzaak is het gevolg: is er een meetbaar ander wereldbeeld? Onderzoek op grote steekproeven laat een consistente, kleine maar robuuste correlatie zien tussen non-heteroseksuele oriëntatie en de Big Five-trek openness to experience.[40] Veldwerk bij de fa’afafine op Samoa, een cultureel geïnstitutionaliseerde derde genderrol, laat zien dat zij systematisch meer investeren in avuncular behavior, zorg voor de kinderen van broers en zussen, wat wordt aangedragen als bewijs voor de kin selection hypothese: een constitutie die niet naar eigen voortplanting stuurt, stuurt blijkbaar wel naar investering in verwant nageslacht.[41] Dat is een functioneel aangepast wereldbeeld in de striktste zin, geen esthetische voorkeur maar een andere allocatie van dezelfde evolutionaire boekhouding. Dit staat los van de minority stress theory, die verklaart hoe stigma en discriminatie zelf psychologische effecten veroorzaken; dat is omgevingsinvloed, geen constitutie, en de twee lopen makkelijk door elkaar in slordige argumentatie.[42]
Dwerggroei vraagt om een andere precisie, want hier speelt geen circulerend hormoon dat het brein rechtstreeks bewerkt zoals bij testosteron of oestrogeen. Achondroplasie, de meest voorkomende vorm, is een mutatie in het FGFR3-gen die kraakbeengroei verstoort, een structureel, geen hormonaal verhaal; groeihormoondeficiëntie is een aparte, zeldzamere oorzaak van kleine gestalte die wel via het endocriene systeem loopt. Het mechanisme hier verloopt niet via hersenen die baden in een ander hormoonmilieu, het verloopt via belichaamde cognitie: een wereld die letterlijk op een andere schaal gebouwd is dan het eigen lichaam. Werk over staring beschrijft hoe voortdurend bekeken worden een apart soort sociale waakzaamheid en zelfbewustzijn creëert.[43] Vanuit de disability studies is het pure sociale model bekritiseerd, dat stelt dat beperking uitsluitend door de omgeving wordt veroorzaakt, met een pleidooi voor een gemengd model waarin het lichaam zelf, los van elke maatschappelijke inrichting, andere ervaringsdata oplevert.[44] Een deurklink op ooghoogte voor de meerderheid is voor iemand met dwerggroei een dagelijkse onderhandeling met een wereld die niet voor hem gebouwd is, en die voortdurende onderhandeling is precies het soort interoceptieve input waar eerder de somatic marker hypothesis en de theorie van geconstrueerde emotie op wezen. Het wereldbeeld verschuift niet omdat de persoon anders denkt, het verschuift omdat het lichaam andere data aanlevert aan hetzelfde denkapparaat.
De rode draad hier is steeds dezelfde: er bestaat geen neutraal, ontlichaamd standpunt van waaruit iemand de wereld beoordeelt. Elke constitutie, bepaald door leeftijd, hormoonspiegel, doodsverwachting, prenatale immuunrespons of botlengte, levert een net iets andere set aan interoceptieve gegevens, en het brein bouwt daarmee zijn beste gok naar wat de wereld is. Moraal komt pas daarna, als de mens vervolgens beslist wat hij met dat feit doet, wie hij daarom uitsluit of insluit, welke rechten hij eraan verbindt. Die twee lagen door elkaar halen is de kortste weg naar zowel slechte wetenschap als slechte ethiek.
VIII. Macht als verkocht beeld
Dit alles leidt naar een laatste, minder comfortabele stap. Als geen mens van nergens kijkt, geldt dat ook voor wie macht uitoefent en voor wie macht toekent. In een moderne democratische structuur ligt macht niet meer bij de sterkste van de groep, of bij de wijste met de meeste ervaring. Macht ligt bij wie een collectief een beeld weet te beloven waardoor dat collectief hem de macht geeft. En misleiding werkt het best wanneer degene die haar uitdraagt haar zelf gelooft.
Dat mechanisme is ooit charismatisch gezag genoemd, Herrschaft die niet steunt op traditie of wet maar op de toegeschreven buitengewone kwaliteit van de leider zelf, een kwaliteit die vooral bestaat bij de gratie van hoe overtuigend zij wordt uitgedragen.[45] De evolutionaire verklaring voor het zelf-geloven volgt uit onderzoek naar zelfbedrog: bewust liegen lekt, mensen zijn verrassend goed in het detecteren van micro-expressies, aarzeling en incongruente lichaamstaal bij iemand die weet dat hij bedriegt.[46] Zelfbedrog lost dat lek op. Wie zijn eigen verhaal gelooft, vertoont geen enkel teken van bedrog, simpelweg omdat er op dat moment geen bedrog plaatsvindt in zijn eigen hoofd. De handigste leugenaar is niet de beste acteur. Hij is degene die zichzelf eerst overtuigt en de rol daarna niet meer speelt, maar is.
Experimenten met leiderloze groepsdiscussies laten zien dat zelfvertrouwen, niet aantoonbare competentie, het sterkste voorspellende kenmerk is van wie er als leider wordt aangewezen.[47] Mensen verwarren overtuiging met bekwaamheid, stelselmatig, en dat is geen storing in de soort, dat is een kenmerk dat al werkte lang voordat er verkiezingsposters bestonden.
Nietzsche had bij dit alles weinig plezier beleefd. Hij beschrijft democratie als de politieke institutionalisering van de kudde-moraal, een systeem dat het uitzonderlijke welbewust ondergeschikt maakt aan wat de meeste mensen prettig vinden om te horen.[48] Vanuit dat perspectief is het mechanisme dat hier beschreven wordt geen bijwerking van democratie, het is haar wezenlijke werking: niet de wijste of sterkste wint, de meest overtuigende verkoper van een gedeeld zelfbeeld wint. Dat instrument is politiek volstrekt neutraal. Het wordt alleen gevuld met verschillende beelden, hoop hier, angst daar, verlossing elders, en het werkt in religie exact zoals het in politiek werkt, om precies dezelfde reden.
Functionele hersenscans van kiezers die politiek geladen tegenstrijdigheden van hun eigen kandidaat te verwerken kregen, laten zien dat het brein niet de gebieden inschakelt die bij rekenkundig redeneren horen, maar de gebieden die bij emotieregulatie horen, en zodra de ongemakkelijke tegenstrijdigheid was weggeredeneerd, kreeg de kiezer een meetbare beloningsreactie in het striatum, dezelfde soort bevrediging als bij het oplossen van een puzzel.[49] Politieke overtuiging wordt dus niet primair beargumenteerd, ze wordt gevoeld, en het brein beloont zichzelf voor het in stand houden van die overtuiging. Onderzoek naar group polarization voegt daar de groepsdynamiek aan toe: homogene groepen die alleen met elkaar praten, schuiven gezamenlijk op naar een extremer standpunt dan enig individueel lid vooraf had, simpelweg omdat iedereen elkaar bevestigt en niemand de rem intrapt.[50] Een overtuigend beeld hoeft dus niet eens speciaal ontworpen te zijn om te radicaliseren. Een geïsoleerde kamer vol gelijkgestemden doet het werk vanzelf.
- Het Nederlandse voorbeeld
Concreet dan, want abstracte mechanismen verdienen een testcase. Rob Jetten, D66, is sinds 2026 minister-president van Nederland, na de verkiezingen van oktober 2025 waarin zijn partij als grootste uit de bus kwam en Wilders’ PVV terrein verloor. Hij is daarmee de jongste premier die Nederland ooit heeft gehad. Wat hier van belang is, is niet dat hij won, het is hoe hij won. Zijn politieke ontwikkeling is treffend omschreven als de transformatie van klimaatdrammer naar positivo: ongeveer dezelfde standpunten, maar een radicaal ander verpakt beeld, van betweterige urgentie naar geloofwaardig geformuleerde hoop.[51]
Dat is precies het mechanisme uit het vorige hoofdstuk in het klein. Niet de inhoud won de verkiezing, het beeld won de verkiezing, en het beeld werkte omdat het overtuigend genoeg werd gebracht om als authentiek te worden ervaren, tegenover een tegenstander die exact dezelfde truc met een tegengesteld beeld probeerde: angst in plaats van hoop.[52] Beide zijn, in de termen van dit essay, een belofte van een beeld. Diens seksuele geaardheid, publiek bekend en verder oninteressant, doet niets af of toe aan dit mechanisme; het argument gaat over de constructie van een politiek zelfbeeld, niet over wat iemand in zijn slaapkamer doet. Wie dat laatste erbij haalt, wisselt scherp inzicht in voor een goedkope steek onder water, en dat is een ruil die dit betoog niet nodig heeft.
Wat wel relevant is: geen enkele analyse hierboven veroordeelt het mechanisme. Zelfbedrog als overtuigingskracht is niet moreel verwerpelijk, het is functioneel, het werkte al voor de eerste stamhoofden en het werkt nog steeds voor de laatste kabinetsformatie. De vraag is niet of leiders hun kiezers een beeld beloven waarin ze zelf geloven. Die vraag is al beantwoord, altijd, overal. De enige vraag die overblijft, is of de kiezer zich daarvan bewust is wanneer hij zijn stem uitbrengt, en die vraag beantwoordt de kiezer zelf zelden eerlijk, om dezelfde reden als eerder bij de introspectie-studie uit hoofdstuk III: mensen weten zelden waarom ze werkelijk overtuigd raakten, ze verzinnen er achteraf een reden bij en geloven die het hardst.
Het is verleidelijk om hier te blijven hangen bij de persoon van de winnaar, alsof het verhaal over Jetten gaat, of over Wilders, of over wie er de volgende ronde wint. Dat mist het punt. Vervang beide namen door twee willekeurige andere en het mechanisme blijft ongewijzigd overeind staan, want het is geen eigenschap van een individuele politicus, het is een eigenschap van de relatie tussen een overtuigde spreker en een lichaam dat luistert. Vervang Nederland door elk ander land met een vergelijkbaar kiesstelsel en de conclusie verandert evenmin. Wat verandert, is telkens alleen welk beeld op dat moment het beste past bij de collectieve interoceptieve staat van de kiezer: angstig na een reeks crises, ontvankelijk voor angst; uitgeput na jaren bezuiniging, ontvankelijk voor hoop. De kiezer stemt, met andere woorden, minstens zo veel op zijn eigen lichamelijke staat als op het lichaam van de kandidaat.
- Slot
Elk hoofdstuk van dit essay heeft dezelfde vorm gehad, alleen met een ander lichaam als casus. Het brein van een vrouw met verhoogde prenatale testosteronblootstelling. Het lichaam van een man die dertig jaar ouder is geworden. De interoceptieve staat van iemand die honger heeft of ziek is. Het organisme dat de laatste gok op overleven opgeeft. Een filosoof met migraine die daarom stelde dat er geen blik van nergens bestaat. Twee zenuwstelsels die proberen een gezamenlijk oordeel te vormen zonder elkaar te vernietigen. Een fa’afafine op Samoa die zorgt voor de kinderen van zijn broer. Een politicus die zijn eigen verhaal moest geloven voordat een land het geloofde.
Geen van die lichamen kijkt van nergens. Dat is geen relativisme, het is precies het tegenovergestelde: het is de enige manier om te begrijpen waarom sommige overtuigingen zo hardnekkig standhouden ondanks tegenbewijs, en waarom andere zo makkelijk omslaan zodra de hormoonspiegel, de leeftijd, de gezondheid of de machtspositie verschuift. Wie dat mechanisme doorziet, hoeft niet cynisch te worden over waarheid zelf. Hij moet alleen cynisch genoeg zijn om nooit meer te vragen wat iemand gelooft zonder ook te vragen vanuit welk lichaam hij dat gelooft.
Noten
- Hines (2004)
- Baron-Cohen (2003)
- Fine (2010); Fine (2017)
- Hyde (2005)
- Trivers (1972); Symons (1979)
- Bateman (1948)
- Tang-Martinez & Ryder (2005)
- Travison e.a. (2007)
- Kaplan & Gangestad (2005)
- Gettler e.a. (2011)
- Study of Women’s Health Across the Nation (SWAN)
- Hawkes e.a. (1998)
- Carstensen (2006)
- Roberts & DelVecchio (2000)
- Damasio (1994)
- Feldman Barrett (2017)
- Hagger e.a. (2016)
- Schaller (2011)
- Nisbett & Wilson (1977)
- Porges (2011)
- Frankl (1946)
- Engel (1968)
- Cannon (1942)
- Seligman (1972)
- McEwen (1998)
- Nietzsche, Der Wille zur Macht (postuum samengesteld)
- Kaufmann (1950)
- Nietzsche (1887)
- Bahrami e.a. (2010)
- Seger & Brockmann (1987)
- Wegner (1987)
- Gray & Campbell (2009)
- Arnqvist & Rowe (2005)
- Buss (2016)
- Kiesler (1983)
- Ganna e.a. (2019)
- Hamer e.a. (1993)
- Blanchard & Bogaert (1996)
- LeVay (1991)
- Lippa (2005)
- Vasey & VanderLaan (2010)
- Meyer (2003)
- Garland-Thomson (2009)
- Shakespeare (2013)
- Weber (1922)
- Trivers (2011)
- Anderson & Kilduff (2009)
- Nietzsche (1886)
- Westen (2007)
- Sunstein (2002)
- De Groene Amsterdammer (2025)
- Sampol (2025); Al Jazeera (2025); Parlement.com, Kabinet-Jetten (2026-heden)
Literatuur
Anderson, C. & Kilduff, G.J. (2009). Why Do Dominant Personalities Attain Influence in Face-to-Face Groups? The Competence-Signaling Effects of Trait Dominance. Journal of Personality and Social Psychology, 96(2).
Arnqvist, G. & Rowe, L. (2005). Sexual Conflict. Princeton University Press.
Bahrami, B., Olsen, K., Latham, P.E., Roepstorff, A., Rees, G. & Frith, C.D. (2010). Optimally Interacting Minds. Science, 329(5995).
Baron-Cohen, S. (2003). The Essential Difference: Men, Women and the Extreme Male Brain. Allen Lane.
Bateman, A.J. (1948). Intra-Sexual Selection in Drosophila. Heredity, 2.
Blanchard, R. & Bogaert, A.F. (1996). Homosexuality in Men and Number of Older Brothers. American Journal of Psychiatry, 153(1).
Buss, D.M. (2016). The Evolution of Desire: Strategies of Human Mating (rev. ed.). Basic Books.
Cannon, W.B. (1942). “Voodoo” Death. American Anthropologist, 44(2).
Carstensen, L.L. (2006). The Influence of a Sense of Time on Human Development. Science, 312(5782).
Damasio, A. (1994). Descartes’ Error: Emotion, Reason and the Human Brain. Putnam.
Engel, G.L. (1968). A Life Setting Conducive to Illness: The Giving-Up–Given-Up Complex. Annals of Internal Medicine, 69(2).
Feldman Barrett, L. (2017). How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain. Houghton Mifflin Harcourt.
Fine, C. (2010). Delusions of Gender: How Our Minds, Society, and Neurosexism Create Difference. Norton.
Fine, C. (2017). Testosterone Rex: Myths of Sex, Science, and Society. Norton.
Frankl, V.E. (1946). Man’s Search for Meaning (oorspr. Ein Psychologe erlebt das Konzentrationslager).
Garland-Thomson, R. (2009). Staring: How We Look. Oxford University Press.
Gettler, L.T., McDade, T.W., Feranil, A.B. & Kuzawa, C.W. (2011). Longitudinal Evidence that Fatherhood Decreases Testosterone in Human Males. PNAS, 108(39).
Ganna, A. et al. (2019). Large-Scale GWAS Reveals Insights into the Genetic Architecture of Same-Sex Sexual Behavior. Science, 365(6456).
Gray, P.B. & Campbell, B.C. (2009). Human Male Testosterone, Pair-Bonding, and Fatherhood. In: Endocrinology of Social Relationships, Harvard University Press.
Hagger, M.S. et al. (2016). A Multilab Preregistered Replication of the Ego-Depletion Effect. Perspectives on Psychological Science, 11(4).
Hamer, D.H. et al. (1993). A Linkage Between DNA Markers on the X Chromosome and Male Sexual Orientation. Science, 261(5119).
Hawkes, K., O’Connell, J.F., Blurton Jones, N.G., Alvarez, H. & Charnov, E.L. (1998). Grandmothering, Menopause, and the Evolution of Human Life Histories. PNAS, 95(3).
Hines, M. (2004). Brain Gender. Oxford University Press.
Hyde, J.S. (2005). The Gender Similarities Hypothesis. American Psychologist, 60(6).
Kaplan, H.S. & Gangestad, S.W. (2005). Life History Theory and Evolutionary Psychology. In: The Handbook of Evolutionary Psychology, Wiley.
Kaufmann, W. (1950). Nietzsche: Philosopher, Psychologist, Antichrist. Princeton University Press.
Kiesler, D.J. (1983). The 1982 Interpersonal Circle: A Taxonomy for Complementarity in Human Transactions. Psychological Review, 90(3).
LeVay, S. (1991). A Difference in Hypothalamic Structure Between Heterosexual and Homosexual Men. Science, 253(5023).
Lippa, R.A. (2005). Sexual Orientation and Personality. Annual Review of Sex Research, 16.
McEwen, B.S. (1998). Protective and Damaging Effects of Stress Mediators. New England Journal of Medicine, 338(3).
Meyer, I.H. (2003). Prejudice, Social Stress, and Mental Health in Lesbian, Gay, and Bisexual Populations. Psychological Bulletin, 129(5).
Nietzsche, F. (1886). Jenseits von Gut und Böse.
Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
Nietzsche, F. Der Wille zur Macht (postuum samengesteld door E. Förster-Nietzsche en P. Gast, diverse edities).
Nisbett, R.E. & Wilson, T.D. (1977). Telling More Than We Can Know: Verbal Reports on Mental Processes. Psychological Review, 84(3).
Porges, S.W. (2011). The Polyvagal Theory: Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation. Norton.
Roberts, B.W. & DelVecchio, W.F. (2000). The Rank-Order Consistency of Personality Traits from Childhood to Old Age. Psychological Bulletin, 126(1).
Schaller, M. (2011). The Behavioral Immune System and the Psychology of Human Sociality. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 366(1583).
Seger, J. & Brockmann, H.J. (1987). What Is Bet-Hedging? Oxford Surveys in Evolutionary Biology, 4.
Seligman, M.E.P. (1972). Learned Helplessness. Annual Review of Medicine, 23.
Shakespeare, T. (2013). Disability Rights and Wrongs Revisited. Routledge.
Study of Women’s Health Across the Nation (SWAN). Diverse publicaties, o.a. via swanstudy.org.
Sunstein, C.R. (2002). The Law of Group Polarization. Journal of Political Philosophy, 10(2).
Symons, D. (1979). The Evolution of Human Sexuality. Oxford University Press.
Tang-Martinez, Z. & Ryder, T.B. (2005). The Problem with Paradigms: Bateman’s Worldview as a Case Study. Integrative and Comparative Biology, 45(5).
Travison, T.G. et al. (2007). A Population-Level Decline in Serum Testosterone Levels in American Men. Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, 92(1).
Trivers, R. (1972). Parental Investment and Sexual Selection. In: Sexual Selection and the Descent of Man, Aldine.
Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
Vasey, P.L. & VanderLaan, D.P. (2010). An Adaptive Cognitive Dissociation Between Willingness to Help Kin and Nonkin in Samoan Fa’afafine. Psychological Science, 21(2).
Weber, M. (1922). Wirtschaft und Gesellschaft.
Wegner, D.M. (1987). Transactive Memory: A Contemporary Analysis of the Group Mind. In: Theories of Group Behavior, Springer.
Westen, D. (2007). The Political Brain: The Role of Emotion in Deciding the Fate of the Nation. PublicAffairs.
Journalistieke bronnen bij hoofdstuk IX
- Sampol (2025). D66 wint, rechts regeert: de paradox van Rob Jettens triomf. sampol.be
- De Groene Amsterdammer (2025). Het land van Jetten. groene.nl
- Al Jazeera (2025). Dutch centrist Jetten claims victory in vote where far right lost ground. aljazeera.com
- Parlement.com. Kabinet-Jetten (2026-heden). parlement.com
