VAN VERLANGEN NAAR VERNEDERING – De Sociale Onderhandeling van Seksualiteit en Macht

VAN VERLANGEN NAAR VERNEDERING - De Sociale Onderhandeling van Seksualiteit en Macht

Hallo Lezer,

Seks en macht. De meeste discussies over dit onderwerp gaan naar de uitersten: romantiek en intimiteit aan de ene kant, geweld en misbruik aan de andere.

Maar er is een derde ruimte. Een ruimte die de meeste mensen dagelijks bewonen zonder er een naam voor te hebben.

De middenzone.

Het is de ruimte van flirtatie die net iets verder gaat dan comfortabel. Van de collega die net iets te vaak complimenten maakt. Van de leidinggevende die de grens legt precies waar zijn macht ophoudt. Van de sociale situatie waarin niemand expliciet iets heeft gezegd, maar iedereen precies weet wat er op het spel staat.

In mijn nieuwe essay — Van Verlangen naar Vernedering — onderzoek ik die middenzone. Niet de extremen, maar het dagelijkse spel van verlangen, status en macht dat zich afspeelt in kantoren, cafés, universiteiten en sociale kringen wereldwijd.

In het essay kom je onder andere tegen:

René Girard over mimetisch verlangen — waarom we begeren wat anderen begeren, en hoe dat structureel rivaliteit produceert

  • Georg Simmel over flirtatie als sociale kunst — de gecultiveerde onbepaaldheid die verlangen en macht in evenwicht houdt
  • Walter Mischel’s situationisme — waarom hetzelfde individu zich in de ene context gedraagt als een respectvol subject en in een andere als een manipulator
  • De empirische literatuur over seksuele intimidatie — waarom organisatiecultuur en machtsasymmetrie sterkere voorspellers zijn dan de persoonlijkheid van de dader
  • En waarom de gevaarlijkste zone van het continuüm niet het expliciete geweld is, maar juist de alledaagse grijze zone waar de grens permanent fluïde wordt gehouden

Een analyse van de illustratie sluit het essay af: vier figuren aan een tafel, kroon en masker op de voorgrond, een glas wijn. Niemand raakt elkaar aan. Maar de spanning is overal.

Tot de volgende keer,

Peter Koopman

VAN VERLANGEN NAAR VERNEDERING

De Sociale Onderhandeling van Seksualiteit en Macht

Mimetisch verlangen, flirtatie als machtsevenwicht en de contextafhankelijkheid van het begeerte-dominantie-continuüm

Abstract

Dit essay onderzoekt de tussenzone van het begeerte-dominantie-continuüm: de dagelijkse sociale onderhandeling van verlangen, status en macht die zich afspeelt tussen het ideaal van wederzijdse begeerte en de extremen van geweld en vernedering. Vier theoretische perspectieven worden geïntegreerd. René Girard’s mimetische theorie verklaart hoe verlangen fundamenteel imitatief van aard is en daarmee structureel rivaliteit en competitie produceert. Georg Simmel’s analyse van flirtatie beschrijft de specifieke sociale kunst waarmee begeerte en macht in evenwicht worden gehouden. Walter Mischel’s situationisme biedt het psychologische kader voor de contextafhankelijkheid van het gedrag langs het continuüm. En de empirische literatuur over seksuele intimidatie op de werkplek documenteert hoe institutionele machtsverschillen de middenzone systematisch verschuiven richting de asymmetrische pool. Het essay concludeert dat de gevaarlijkste fase van het continuüm niet de extreme pool is, maar de middenzone: de dagelijkse omgevingen — werkplek, universiteit, media-industrie — waar machtsverschillen klein genoeg lijken om te normaliseren maar groot genoeg zijn om de wederkerigheid van verlangen structureel te ondermijnen.

Trefwoorden: mimetisch verlangen, flirtatie, situationisme, seksuele intimidatie, aandacht, statuscompetitie, machtscontinuüm, Girard, Simmel, Mischel, Foucault, Goffman, face-work

1. Inleiding: De Middenzone

Seks wordt doorgaans beschreven in termen van twee tegengestelden: als een intieme uitwisseling van wederzijdse begeerte aan de ene kant, en als een instrument van geweld en vernedering aan de andere. De meeste aandacht in zowel populaire als wetenschappelijke discussies gaat naar deze twee uitersten: romantiek en intimiteit als normatiefpositief model, seksueel geweld en misbruik als juridisch en moreel te veroordelen uiterste.

Wat onderbelicht blijft, is de tussenzone: de enorme sociale ruimte die zich uitstrekt tussen het ideaal van wederkerig verlangen en de extreme pool van geweld. Het zijn de dagelijkse omgevingen — kantoor, universiteit, sportclub, restaurantbranche, entertainmentindustrie — waar verlangen, status en macht voortdurend met elkaar onderhandelen op manieren die zelden openlijk worden benoemd maar constant worden gevoeld.

Dit essay richt zich op die middenzone. Het vertrekpunt is de these die in de reeks eerder is geformuleerd: seksualiteit beweegt zich langs een continuüm van wederzijdse begeerte via statuscompetitie en dominantie naar geweld, waarbij de positie op dit continuüm wordt bepaald door de configuratie van drie variabelen — wederkerigheid, machtsverschil en de aanwezigheid van sociale remmen. Maar waar de voorgaande essays in deze reeks de extremen analyseerden, focust dit essay op het midden: de subtiele, dagelijkse onderhandeling van verlangen en macht die de meeste mensen in de meeste sociale contexten ervaren.

Vier theoretische lenzen worden ingezet. Girard’s mimetische verlangenstheorie toont hoe verlangen imitatief en daarmee structureel rivalisend is. Simmel’s analyse van flirtatie beschrijft de specifieke sociale kunst waarmee het evenwicht wordt bewaard. Mischel’s situationisme verklaart waarom hetzelfde individu anders reageert in verschillende sociale contexten. En de empirische literatuur over seksuele intimidatie documenteert hoe de institutionele middenzone in de praktijk werkt. Paragraaf 10 biedt een uitgebreide visuele analyse van de illustratie.

2. Het Continuüm: Een Beknopte Recapitulatie

De reeks essays waarvan dit deel uitmaakt heeft het begeerte-dominantie-continuüm als centraal analytisch kader ontwikkeld. De kern: hetzelfde motivationele fundament — de behoefte aan aandacht, erkenning en bevestiging van sociaal bestaan — manifesteert zich als wederzijdse begeerte onder condities van gelijkwaardigheid en wederkerigheid, en als dominantie, objectivering of geweld onder condities van machtsverschil, straffeloosheid en ontremming.

HET BEGEERTE-DOMINANTIE-CONTINUÜM

Wederzijdse begeerte  →  Seksuele statusvaluta  →  Dominantie  →  Geweld

DE MIDDENZONE — focus van dit essay

De voorgaande essays analyseerden de twee uitersten van dit continuüm. Dit essay richt zich op de pijl: de middenzone, de sociale ruimte die zich uitstrekt van verlangen als wederzijdse aandacht via de subtiele statuscompetitie van flirtatie en sociale machtsspelen tot de grijs-zone van institutionele seksuele intimidatie.

3. Mimetisch Verlangen: Girard’s Theorie van het Begerende Subject

De standaardopvatting van verlangen is triangulisch: een subject begeert een object. Maar René Girard betoogde in Mensonge romantique et vérité romanesque (1961) en uitgebreider in Des choses cachées depuis la fondation du monde (1978) dat verlangen fundamenteel niet triangulisch maar mimetisch is: een subject begeert wat een ander subject begeert. Verlangen is imitatief van aard en heeft altijd een model — een bemiddelaar — wiens begeren de richting van het eigen begeren bepaalt.

Dit mimetische karakter van verlangen heeft een structurele consequentie die de analyse van het seksualiteits-machtscontinuüm direct raakt: wanneer twee subjecten hetzelfde object begeren en hun begeren op elkaar is gericht, zijn zij per definitie rivalen. Het verlangen dat de ander opwekt, is ook het verlangen dat rivaliteit produceert. Dit is niet een pathologische uitwas van verlangen maar zijn structurele kern.

Toegepast op de sociale dynamieken van seksualiteit: de aantrekkelijkheid van een persoon is voor een significant deel een functie van de aandacht die anderen aan hen schenken. Wie begeerd wordt door anderen, wordt aantrekkelijker — een mechanisme dat Cialdini (2009) beschrijft als social proof maar dat Girard dieper analyseert als de fundamentele mimetische structuur van begeren zelf. De populaire, de aantrekkelijke, de ‘gewenste’ persoon in een sociale groep is aantrekkelijk mede omdat zijn of haar begeerd-worden het begeren van anderen activeert.¹

‘Man desires intensely, but he does not know what he wants. This indeterminacy of desire is due not to the weakness of the desiring subject, but to the formidable strength of the mediator.’ — René Girard, Deceit, Desire and the Novel (1961)

De mimetische theorie heeft directe implicaties voor de statusdimensie van seksualiteit. Seksuele aandacht van een als waardevol gepercipieerde partner is gedeeltelijk waardevol omdat zij het begeren van anderen activeert — prestige via de mimetische keten van begeren. Dit verklaart waarom seksuele verovering in veel subculturele contexten als statusbewijs fungeert: het bewijs dat een model begeerde wat jij hebt verkregen, activeert het begeren van anderen via de mimetische structuur.

Maar de mimetische theorie biedt ook een verklaring voor hoe de middenzone van het continuüm instabiel wordt. Wanneer mimetische rivaliteit toeneemt — wanneer twee subjecten hetzelfde object begeren en de rivaliteit escaleert — kan de ander ophouden object van verlangen te zijn en object van agressie worden. Girard beschrijft dit als de transformatie van het mimetische verlangen in mimetisch geweld: het mechanisme waarmee rivaliteit escaleert tot conflict.

4. Flirtatie als Sociale Kunst: Simmel’s Evenwichtsanalyse

Georg Simmel bood in zijn essay Zur Psychologie der Koketterie (1909) een analyse van flirtatie die zowel chronologisch vroeg als conceptueel scherp is — en die in de sociologische literatuur over seksualiteit en macht merkwaardig onderbelicht is gebleven. Simmel beschrijft flirtatie (Koketterie) als een specifieke sociale kunst die is gericht op het produceren van verlangen zonder het te bevredigen: de flirt biedt de mogelijkheid van seksuele aandacht en trekt die tegelijk terug, houdt het object van het verlangen in een toestand van onzekerheid en anticipatie.

Simmel’s analyse is theoretisch interessant om meerdere redenen. Ten eerste beschrijft flirtatie een stabiel evenwicht in de middenzone van het continuüm: de flirt is noch volledig wederkerig (de aandacht wordt niet volledig teruggegeven) noch eenzijdig dominant (de instemming van het begerende subject wordt niet genegeerd). Flirtatie is een gestabiliseerde asymmetrie die zijn eigen sociale waarde heeft als spel — als kunst.

Ten tweede analyseert Simmel flirtatie als een machtsverhouding die door beide partijen wordt geaccepteerd en mede geproduceerd. De aantrekkingskracht van de flirt is precies zijn of haar onbepaaldheid: het begerende subject wordt in stand gehouden in een toestand van onbevredigde anticipatie die het verlangen versterkt. Berridge’s want/like-distinctie (1998) biedt hier de neurowetenschappelijke correspondentie: het wanting-systeem wordt maximaal geactiveerd door onzekerheid en anticipatie, niet door vervulling. Flirtatie exploiteert dit mechanisme met sociale precisie.²

Ten derde toont Simmel’s analyse dat de middenzone van het continuüm niet slechts een transitiezone is tussen wederkerigheid en dominantie, maar ook een autonome sociale ruimte met eigen normen, rituelen en esthetiek. Flirtatie is niet mislukte liefde of afgebroken verleiding; het is een specifieke sociale praktijk met zijn eigen logica — een logica die de macht van het verlangen exploiteert zonder die macht volledig in te zetten.

‘Koketterie ist nichts anderes als das Spiel mit dem Entschlusse.’ — Georg Simmel, Zur Psychologie der Koketterie (1909) [Flirtatie is niets anders dan spelen met de beslissing.]

5. Face-Work en de Dagelijkse Onderhandeling van Eer

Erving Goffman introduceerde in Interaction Ritual (1967) het concept van face: de positieve sociale waarde die een individu in een interactie voor zichzelf claimt via zijn gedragslijn. Face is niet een individuele eigenschap maar een institutioneel effect van sociale interactie: het wordt verleend door anderen en kan door anderen worden ontnomen. Face-work is het geheel van strategieën waarmee individuen hun eigen face beschermen en het face van anderen respecteren of aanvallen.

In seksuele en romantische contexten is face-work bijzonder complex en kwetsbaar. Een uitnodiging tot seksuele interactie — een flirt, een avance, een verklarende blik — is een aanbod van face: het subject biedt het object aan als waardevol en begeerlijk. Een afwijzing is daarmee potentieel een face-bedreiging: de aanbiedende partij riskeert het verlies van het sociale gezicht dat gepaard gaat met afwijzing in aanwezigheid van anderen.

Dit face-risico verklaart een reeks sociale patronen in de middenzone van het continuüm. De ironie waarmee avances worden verpakt — ‘zou het niet leuk zijn als…’ — is een face-beschermende strategie: door de avance als hypothetisch te formuleren, behoudt de aanbiedende partij de mogelijkheid om bij afwijzing het face te redden (‘ik maakte maar een grapje’). De indirecte verleiding is eveneens een face-strategie: door het verlangen te communiceren via ambiguïteit, wordt het risico van expliciete afwijzing vermeden.

Goffman’s face-work analyse is relevant voor de middenzone omdat het de sociale mechanismen blootlegt die de overgang van verlangen naar macht deels verklaren. Wanneer face-risico hoog is — wanneer afwijzing sociaal kostbaar is — kan de aanbiedende partij proberen de machtsbalans te verschuiven om het face-risico te reduceren: door de ander te positioneren in een context van afhankelijkheid, is afwijzing sociaal kostbaarder voor de ontvanger. De subtiele machtsdynamieken van institutionele seksuele intimidatie opereren precies op dit punt.

6. Situationisme: Mischel’s Verklaring van de Contextafhankelijkheid

Een van de meest invloedrijke en ook meest omstreden bijdragen aan de sociale psychologie is Walter Mischel’s situationistische kritiek op de karakterpsychologie. In Personality and Assessment (1968) betoogde Mischel dat menselijk gedrag aanzienlijk consistenter varieert met de situatie dan met stabiele persoonlijkheidstrekken: de eerlijke man steelt wanneer de omstandigheid dat faciliteert; de vriendelijke persoon wordt vijandig onder de juiste druk; de moreel integere functionaris past zijn gedrag aan de institutionele normen aan.

Mischel’s situationisme is cruciaal voor de analyse van het begeerte-dominantie-continuüm. Het verklaart waarom hetzelfde individu zich in de ene context als een wederkerig, respectvol seksueel subject gedraagt en in een andere context als een manipulatief of zelfs agressief machtsinstrument — niet omdat dit individu een ‘slechte persoon’ is, maar omdat de situationele variabelen de gedragsuitkomst voor een substantieel deel bepalen. De condities van disinhibitie, institutionele legitimatie van machtsverschil en de afwezigheid van verantwoording produceren gedrag dat dezelfde persoon in andere condities niet zou vertonen.³

Mischel’s inzicht heeft een direct normatief corollarium: het gaat niet primair om de morele verbetering van individuen maar om de structurele wijziging van de situationele condities. Institutionele transparantie, meldmogelijkheden zonder represailles, expliciete normen rondom gezagsverhoudingen en seksueel gedrag — dit zijn de situationele variabelen die het gedrag langs het continuüm beïnvloeden. De persoonlijkheid van de dader is minder relevant dan de institutionele architectuur die zijn gedrag mogelijk maakt of belemmert.

7. De Institutionele Middenzone: Seksuele Intimidatie als Systeem

De meest sociaal relevante manifestatie van de middenzone van het continuüm is seksuele intimidatie in institutionele contexten: werkplek, universiteit, sport, entertainmentindustrie. De definitie van seksuele intimidatie in de juridische en organisatiepsychologische literatuur omvat twee categorieën: quid pro quo intimidatie — seksueel gedrag als voorwaarde voor institutionele voordelen of als middel om institutionele nadelen te vermijden — en hostile environment intimidatie — de creatie van een sociaal klimaat dat seksueel intimiderend of belastigend is zonder expliciete transactionaliteit.

Beide categorieën zijn manifestaties van de middenzone van het continuüm: zij zijn geen openlijk geweld maar ook geen wederzijdse begeerte. Zij opereren in de grijze zone waar machtsverschillen groot genoeg zijn om de wederkerigheid van verlangen te ondermijnen, maar klein genoeg om normaliseringsstrategieën mogelijk te maken. ‘Hij meent het niet zo.’ ‘Dat hoort er bij in deze branche.’ ‘Ze kan het niet aantonen.’ ‘Ze heeft het ook niet expliciet geweigerd.’ Dit zijn de normaliserende narratieven die de middenzone ondoorzichtig houden.

De empirische literatuur over seksuele intimidatie documenteert systematisch hoe de institutionele architectuur de positie op het continuüm bepaalt. Machtsasymmetrie — de superviserend-gesuperviseerde relatie — is de sterkste voorspeller van het voorkomen van seksuele intimidatie: niet de persoonlijkheid van de dader maar de structurele machtspositie die hij inneemt (Fitzgerald et al., 1997). Organisatiecultuur — de mate waarin seksuele opmerkingen en gedragingen impliciet worden getolereerd of genormaliseerd — is de tweede sterkste predictor. Individuele morele dispositie is significant minder voorspellend dan beide situationele variabelen.⁴

De #MeToo-beweging van 2017 heeft de institutionele middenzone op ongekende schaal zichtbaar gemaakt. Wat haar empirische waarde heeft voor dit essay, is de documentatie van de systematische karakter van seksuele intimidatie in specifieke institutionele contexten: de entertainmentindustrie, de mediasector, de academische wereld, de horecabranche. In elk geval was de institutionele architectuur — machtsconcentratie, reputatieafhankelijkheid, gebrek aan formele meldmechanismen — de beslissende variabele die de middenzone exploitabel maakte.

8. Foucault Herbekeken: Macht als Diffuus Netwerk

Foucault’s analyse van de relatie tussen seksualiteit en macht is in de voorgaande essays in de reeks uitgebreid behandeld. In de context van de institutionele middenzone is een specifiek aspect van zijn werk bijzonder relevant: zijn beschrijving van macht niet als een bezit van individuen maar als een diffuus netwerk van relaties dat door institutionele structuren wordt geconsolideerd.

In Surveiller et punir (1975) beschrijft Foucault hoe het panopticon — de architectonische structuur waarbij bewakers iedereen kunnen observeren zonder zelf gezien te worden — als metafoor fungeert voor de moderne disciplinerende macht. De disciplinering werkt via de internalisering van het bewustzijn van mogelijke observatie: het subject gedraagt zich alsof het permanent wordt bekeken, ook wanneer dat niet het geval is. Macht is daarmee niet in de eerste plaats dwang maar normalisering via internalisering.

Toegepast op de institutionele middenzone: seksuele intimidatie in institutionele contexten werkt deels via dit mechanisme. De wetenschap dat de leidinggevende seksuele aandacht verwacht, dat sociale uitsluiting het gevolg is van afwijzing, dat reputatieschade volgt op een klacht — dit zijn de geïnternaliseerde verwachtingen die de directe dwang overbodig maken. Het subject past zijn gedrag aan aan de verwachte seksuele normen van de institutie zonder dat expliciete dwang nodig is. De macht is in de institutie geïncorporeerd, niet in de individuele actor.

Dit is Foucault’s meest ontluisterende bijdrage aan de analyse van de middenzone: de meest effectieve vormen van institutionele seksuele macht zijn die waarbij dwang onzichtbaar is, waarbij de grens tussen vrijwilligheid en afdwinging vervaagt, en waarbij het subject zelf de condities van zijn onderwerping reproduceert.

9. De Illustratie als Middenzone: Een Visuele Analyse

De illustratie die dit essay begeleidt, is iconografisch precies afgestemd op het thema van de middenzone. In tegenstelling tot de andere illustraties in de reeks — die dramatische, barokke composities toonden van verlangen, schoonheid, verval en macht in hun meest uitgesproken vormen — toont deze illustratie een subtiele, intieme sociale situatie: vier figuren rond een tafel, in gesprek, waarbij de centrale dynamiek niet seksueel geweld of romantische verbinding is, maar iets genuanceerder en daarmee gevaarlijker: de sociale onderhandeling van verlangen, aandacht en macht.

De compositie toont twee mannelijke figuren en één vrouwelijke figuur in een triangulaire opstelling die precies Girard’s mimetische structuur verbeeldt. De jonge man en de vrouw kijken naar elkaar; de oudere man aan de zijkant observeert; de tweede man aan de andere zijde evalueert. Niemand begeerd rechtstreeks: allen zijn verwikkeld in de mimetische keten van verlangen die de vraag stelt — wie begeert wie via wie?

Op tafel: een kroon — statussymbool, de inzet van het sociale spel — en een masker — Goffman’s dramaturgie, de performance die de identiteitspresentatie structureert. Een glas rode wijn — ontremming, de chemische versoepeling van sociale remmen die de middenzone instabiel kan maken. De lichamen zijn niet in aanraking; de blikken zijn de enige vector van het begeren dat in de compositie circuler.

Goffman’s face-work is in de compositie zichtbaar in de houding van elke figuur: niemand is volledig open of volledig gesloten; allen bewaken hun face door hun positie in de sociale ruimte zorgvuldig te reguleren. De vrouw houdt haar hand voor haar mond — een klassiek gebaar van ambiguïteit, van terughouden, van de flirtatieve onbepaaldheid die Simmel beschreef als de kern van de Koketterie.

Wat de illustratie mist — en precies daarin is zij accuraat — is de expliciete machtsdynamiek. Er is geen duidelijke dader of slachtoffer; er is geen expliciete dwang. Er is slechts de subtiele, dagelijkse sociale spanning van verlangen, competitie en macht die in de middenzone van het continuüm de norm is. Het is het soort situatie dat de meeste mensen herkennen uit hun eigen sociale leven — en precies daarin schuilt de analytische kracht van de illustratie.

10. Waarom de Middenzone het Gevaarlijkst Is

De centrale these van dit essay is dat de middenzone van het begeerte-dominantie-continuüm de gevaarlijkste zone is — niet ondanks haar alledaagsheid maar juist daardoor. De extreme pool van seksueel geweld is juridisch benoemd, sociaal veroordeeld en institutioneel gesanctioneerd — onvoldoende, maar in principe aanwezig. De middenzone is dat niet.

In de middenzone is de grens tussen verlangen en manipulatie, tussen flirtatie en intimidatie, tussen sociale kunst en machtsmisbruik per definitie fluïde. Dat is haar aantrekkelijkheid voor degenen die haar exploiteren: de plausibele ontkenning is altijd aanwezig. ‘Ik flirtte alleen maar.’ ‘Ze heeft nooit nee gezegd.’ ‘Dit is gewoon hoe het er in deze branche aan toe gaat.’ ‘Hij heeft nooit expliciete condities gesteld.’ De fluïde grens is de institutionele bescherming van de dader en de institutionele kwetsbaarheid van het slachtoffer.

Mischel’s situationisme levert hier de kritische conclusie: de oplossing ligt niet in het identificeren van ‘slechte mensen’ maar in het wijzigen van de situationele condities die de middenzone fluïde houden. Expliciete normen, formele meldprocedures zonder represailles, transparantie over machtsverhoudingen, en de institutionele bereidheid om ambiguïteit in het voordeel van de minder machtige partij te interpreteren — dit zijn de structurele variabelen die de middenzone minder exploitabel maken.

Girard’s mimetische theorie voegt een aanvullend element toe: de middenzone is ook gevaarlijk omdat zij de escalatiedynamiek van mimetische rivaliteit herbergt. Wanneer verlangen mimetisch is en rivaliteit structureel, is de escalatie van begeerte naar conflict een voortdurend aanwezig risico dat slechts door de sociale remmen van institutionele normen, empathische verwerking en gedeelde wederkerigheidsnormen in toom wordt gehouden. Wanneer die remmen verzwakken — via alcohol, via institutionele legitimatie van macht, via de geleidelijke normalisering van grensoverschrijdend gedrag — is de escalatie structureel voorspelbaar.

11. Kritische Reflectie

11.1 Girards universaliteitsclaim

Girard’s mimetische theorie is invloedrijk maar ook controversieel in haar universaliteitsaanspraken. De claim dat verlangen altijd mimetisch is — altijd gericht op een bemiddelaar — is theoretisch elegant maar empirisch moeilijk te toetsen. Individuen rapporteren ook direct verlangen, zonder aanwijsbaar model. Een geïntegreerde theorie van verlangen combineert waarschijnlijk mimetische en autonome componenten in wisselende verhoudingen.

11.2 Simmel’s androcentrische bias

Simmel’s analyse van flirtatie is in zijn originele formulering androcentrisch: de flirt is impliciet vrouwelijk, het begerende subject impliciet mannelijk. De seksuele en genderdiversiteit van flirtatie-praktijken wordt door deze bias niet gedekt. Een eigentijdse toepassing vereist expliciete aandacht voor de genderasymmetrie in de sociale constructie van flirtatie en haar macht.

11.3 Mischel’s situationisme

Mischel’s situationistische claim is in de psychologische literatuur aanzienlijk genuanceerd: recente meta-analyses suggereren dat zowel persoonlijkheidstrekken als situationele factoren substantieel bijdragen aan gedragsvariatie. De meest productieve positie is een interactionistische: situatie en persoonlijkheid interacteren in het produceren van gedrag. Het situationisme als nulhypothese voor persoonlijkheidseffecten is te sterk, maar de situationistische correctie op naïef karakterdenken blijft waardevol.

12. Conclusie: De Kunst van het Evenwicht

Seksualiteit is een sociaal continuüm dat loopt van wederzijdse begeerte via de subtiele statuscompetitie van de middenzone tot dominantie en geweld. De voorgaande essays in deze reeks analyseerden de uitersten; dit essay heeft de middenzone onderzocht als de meest sociaal relevante en analytisch meest onderschatte zone van het continuüm.

Girard’s mimetische theorie toont dat verlangen structureel rivalisering produceert — dat begeerte en rivaliteit twee zijden zijn van hetzelfde mimetische mechanisme. Simmel toont dat de middenzone een autonome sociale kunst heeft: de flirtatie die verlangen in evenwicht houdt met macht via de gecultiveerde onbepaaldheid van de Koketterie. Goffman toont hoe face-work de dagelijkse sociale onderhandeling van eer en schaamte structureert. Mischel toont dat de contextualiteit van gedrag langs het continuüm situationeel is bepaald, niet individueel. En Foucault toont dat de machtigste vormen van institutionele seksuele macht die zijn waarbij de dwang onzichtbaar is en het subject zijn eigen onderwerping reproduceert.

De meest verontrustende conclusie van dit essay is ook de meest praktische: de gevaarlijkste zone van het begeerte-dominantie-continuüm is niet de extreme pool van geweld, hoe moreel verwerpelijk ook. Zij is de alledaagse, geïnstitutionaliseerde middenzone waar verlangen en macht zo subtiel verweven zijn dat de grens permanent fluïde blijft — en waar die fluïditeit systematisch wordt geëxploiteerd door de meer machtige partij terwijl de minder machtige partij geen institutionele steun heeft om haar grens te markeren en te handhaven.

De spiegel van verlangen toont niet alleen wat we begeren. Ze toont ook de architectuur van de ruimte waarin dat begeren plaatsvindt. En die architectuur is zelden neutraal.

 

Voetnoten

Girard’s mimetische theorie is empirisch uitgewerkt in de experimentele sociale psychologie via het concept van ‘social proof’ (Cialdini) en ‘mate copying’ in evolutionaire psychologie: de neiging van individuen om partners aantrekkelijker te vinden wanneer andere individuen interesse in hen tonen. Zie: Place, S.S., Todd, P.M., Penke, L., & Asendorpf, J.B. (2010). Humans show mate copying after observing real mate choices. Evolution and Human Behavior, 31(5), 320–325.

Simmel’s essay Zur Psychologie der Koketterie (1909) is opgenomen in: Simmel, G. (1984). Georg Simmel: On Women, Sexuality and Love. Yale University Press. Vertaling en introductie door Guy Oakes.

Het situationisme-persoonlijkheidsdebat in de sociale psychologie is samengevat in: Funder, D.C., & Ozer, D.J. (1983). Behavior as a function of the situation. Journal of Personality and Social Psychology, 44(1), 107–112. Voor de integrationistische positie: Fleeson, W. (2004). Moving personality beyond the person-situation debate. Current Directions in Psychological Science, 13(2), 83–87.

Fitzgerald, L.F., Drasgow, F., Hulin, C.L., Gelfand, M.J., & Magley, V.J. (1997). Antecedents and consequences of sexual harassment in organizations: A test of an integrated model. Journal of Applied Psychology, 82(4), 578–589. Dit onderzoek is een van de meest geciteerde empirische bijdragen aan het veld; de bevinding dat organisatiecultuur en machtsverschil sterkere voorspellers zijn dan individuele daderkenmerken, is sindsdien meerdere malen gerepliceerd.

 

Literatuurlijst

Mimetische theorie en verlangen

Girard, R. (1961). Mensonge romantique et vérité romanesque. Grasset. [Vertaling: Deceit, Desire and the Novel. Johns Hopkins University Press, 1965.]

Girard, R. (1978). Des choses cachées depuis la fondation du monde. Grasset. [Vertaling: Things Hidden Since the Foundation of the World. Stanford University Press, 1987.]

Girard, R. (1972). La violence et le sacré. Grasset. [Vertaling: Violence and the Sacred. Johns Hopkins University Press, 1977.]

Sociologie van interactie, face-work en flirtatie

Goffman, E. (1959). The Presentation of Self in Everyday Life. Doubleday.

Goffman, E. (1967). Interaction Ritual: Essays on Face-to-Face Behavior. Anchor Books.

Simmel, G. (1909/1984). Georg Simmel: On Women, Sexuality and Love. Yale University Press.

Sociale psychologie en situationisme

Cialdini, R.B. (2009). Influence: The Psychology of Persuasion (revised ed.). Harper Business.

Fleeson, W. (2004). Moving personality beyond the person-situation debate. Current Directions in Psychological Science, 13(2), 83–87.

Funder, D.C., & Ozer, D.J. (1983). Behavior as a function of the situation. Journal of Personality and Social Psychology, 44(1), 107–112.

Mischel, W. (1968). Personality and Assessment. Wiley.

Place, S.S., Todd, P.M., Penke, L., & Asendorpf, J.B. (2010). Humans show mate copying after observing real mate choices. Evolution and Human Behavior, 31(5), 320–325.

Seksuele intimidatie en institutionele macht

Fitzgerald, L.F., Drasgow, F., Hulin, C.L., Gelfand, M.J., & Magley, V.J. (1997). Antecedents and consequences of sexual harassment in organizations: A test of an integrated model. Journal of Applied Psychology, 82(4), 578–589.

MacKinnon, C.A. (1979). Sexual Harassment of Working Women. Yale University Press.

Machtstheorie en seksualiteit

Foucault, M. (1975). Surveiller et punir. Gallimard. [Vertaling: Discipline and Punish. Vintage Books, 1977.]

Foucault, M. (1976). Histoire de la sexualité, Vol. 1. Gallimard. [Vertaling: The History of Sexuality, Vol. 1. Pantheon Books, 1978.]

Evolutionaire psychologie en seksuele selectie

Buss, D.M. (2016). Evolutionary Psychology: The New Science of the Mind (5e ed.). Routledge.

Buss, D.M. (1994). The Evolution of Desire: Strategies of Human Mating. Basic Books.

Miller, G. (2001). The Mating Mind: How Sexual Choice Shaped the Evolution of Human Nature. Anchor Books.

Neurowetenschappen

Berridge, K.C., & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: Hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309–369.

Sapolsky, R.M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin Press.

Filosofie

Buber, M. (1923/1958). I and Thou. Scribner’s.

Sartre, J.-P. (1943/2003). Being and Nothingness. Routledge.

Zimbardo, P. (2007). The Lucifer Effect: Understanding How Good People Turn Evil. Random House.

De Waal, F. (1982). Chimpanzee Politics: Power and Sex among Apes. Harper & Row.

 

Ook interessant voor jou!