Je lichaam liegt niet. Je brein wel.

Je lichaam liegt niet. Je brein wel.

Hallo stille genieters,

We gaan het vandaag hebben over iets waar iedereen verstand van denkt te hebben, maar waar vrijwel niemand doorheen kijkt: seks.

Niet de romantische versie. Niet de Instagram-variant. Maar het mechanisme.

Waarom wil je soms alles en lukt er niets?
Waarom voelt iets intens maar blijkt het achteraf leeg?
Waarom werkt het soms moeiteloos — en soms totaal niet?

Omdat wat jij ervaart niet is wat er gebeurt.

Je brein bouwt een model. Je lichaam probeert te volgen. Ergens daartussen stolt de spanning — of lost ze op. En wat je daarna voelt als ‘liefde’ of ‘verbinding’ is de neurochemische nasleep die je brein netjes van een verhaal voorziet.

In mijn nieuwe essay — Het Orgasme als Modelbreuk — analyseer ik wat er feitelijk gebeurt. Zonder romantiek. Zonder moraal. Gewoon het systeem.

Je komt onder andere tegen:

• Waarom opwinding een constructie is, geen reactie — en wat Jaak Panksepp’s SEEKING-systeem daarmee te maken heeft
• Waarom het orgasme geen climax van verlangen is maar een systeemreset
• Alcohol en MDMA als gedachte-experimenten die de architectuur van het systeem ontmaskeren
• Waarom pornografie het interne model calibreert op stimuli die de werkelijkheid structureel verliest
• Post-coïtale dysforie: het onverklaarde gevoel van leegte na seks, en waarom het logisch is
• En de meest ongemakkelijke conclusie: het verhaal dat je achteraf vertelt, is de minst betrouwbare informatie over wat er net is gebeurd

De illustratie alleen al is de moeite waard.

Lees het. Kijk daarna eerlijk naar je eigen gedrag.

HET ORGASME ALS MODELBREUK

Opwinding, Mislukking en de Leugen Achteraf

Een neurowetenschappelijke en evolutionair-psychologische analyse van seksuele opwinding als predictief systeem

 

 

Abstract

Dit essay analyseert het seksueel orgasme niet als romantisch hoogtepunt of louter genitaal reflex, maar als een regulatiemechanisme in het kader van het Predictief-Allostatische Model van menselijk gedrag. De centrale these luidt: seksuele opwinding is geen reactie op externe prikkels maar de constructie van een intern model door het brein, waarbij de opgebouwde spanning het verschil is tussen dat model en de actuele fysiologische realiteit. Het orgasme markeert niet de vervulling van dat model maar de tijdelijke beëindiging van de spanning — een systeemreset. Met behulp van Friston’s predictive processing, Berridge’s wanting/liking-distinctie, Panksepp’s SEEKING-systeem en Fisher’s neurochemische liefdesmodel wordt de opwinding-orgasme-cyclus gedescribeerd als een driefasig proces: modelconstructie en dopaminerg laden, spanningsopbouw via mismatch, en ontlading via neurofysiologische systeemreset. Falen — bij alcoholintoxicatie, MDMA-gebruik of chronische pornografieblootstelling — wordt geanalyseerd als de zichtbaar geworden desynchronisatie van centrale modelvorming en perifere fysiologische uitvoering. Het essay besluit met een analyse van de post-coïtale narratieve reconstructie als de meest bepalende en minst accurate fase van de seksuele cyclus, en met een visuele analyse van de begeleidende illustratie.

Trefwoorden: orgasme, predictive processing, seksuele opwinding, modelbreuk, wanting/liking, SEEKING-systeem, incentive salience, post-coïtale dysforie, pornografie, desensitisatie, Friston, Berridge, Panksepp, Fisher

 

 

1. Inleiding: Het Verkeerde Startpunt

De meeste beschrijvingen van seksualiteit — biologisch, populair en romantisch — vertrekken van het verkeerde punt. Zij beschrijven een lineair proces: prikkeling leidt tot opwinding, opwinding leidt tot orgasme. Het lichaam als motor, de stimulus als brandstof, het orgasme als eindbestemming.

Deze beschrijving is niet onjuist maar fundamenteel onvolledig. Zij mist het niveau waarop het proces daadwerkelijk wordt georganiseerd: het brein. Niet het brein als registrator van genitale input, maar het brein als actief voorspellend systeem dat een model construeert van wat er gaat gebeuren, dat model emotioneel laadt, en vervolgens probeert de fysiologische en sociale werkelijkheid in overeenstemming te brengen met dat model.

Seksuele opwinding is in dit kader de spanning die ontstaat tussen het interne model en de actuele realiteit. Het orgasme is niet de climax van vervulling maar de collaps van die spanning — een regulatiemechanisme dat het systeem terugbrengt naar baseline. Wat volgt op het orgasme is niet de onthulling van een diepere waarheid, maar een narratieve reconstructie die de chemische realiteit achteraf van betekenis voorziet.

Dit essay werkt die these uit langs vier assen: de neurowetenschappelijke architectuur van opwinding, de mismatch-logica van falen, de neurochemie van de ontlading zelf, en de post-coïtale illusie. Het theoretische kader is het Predictief-Allostatische Model dat in deze reeks is ontwikkeld — maar de toepassing hier is scherper en ongemakkelijker dan de meeste toepassingen van dat model.

 

 

2. De Architectuur van Opwinding: Model, Lading en Anticipatie

2.1 Het SEEKING-systeem en incentive salience

Jaak Panksepp identificeerde in zijn neurobiologische onderzoek naar primaire emotionele systemen het SEEKING-systeem als de meest fundamentele motivationele architectuur van het zoogdierenbrein (Panksepp, 1998). Het SEEKING-systeem is een dopaminerg systeem dat het organisme motiveert om te anticiperen op beloningen, nieuwigheid te exploreren en doelen na te streven — niet het genot van de beloning zelf, maar de drive naar de beloning toe.

Kent Berridge’s onderscheid tussen wanting en liking (Berridge & Robinson, 1998) verfijnt dit beeld met experimentele precisie. Het wanting-systeem — het dopaminerg SEEKING-systeem van Panksepp — is neurochemisch en functioneel onderscheiden van het liking-systeem dat het daadwerkelijke genot medieert via opioïde neurotransmissie. Een dopamine-gedepleëerd dier vertoont geen voedselzoekend gedrag maar reageert normaal op zoete smaak wanneer voedsel direct in de mond wordt geplaatst: het wanting is verdwenen, het liking intact. De omgekeerde dissociatie is eveneens gedemonstreerd.¹

Toegepast op seksualiteit: seksuele opwinding is primair een wanting-fenomeen, niet een liking-fenomeen. Het verlangen naar seks, de anticipatoire opwinding, de obsessieve aandacht voor seksuele cues — dit zijn manifestaties van het dopaminerg SEEKING-systeem, niet van het genietingssysteem dat tijdens de seksuele interactie zelf actief is. Dit is analytisch cruciaal: het verklaart waarom het begeren van iets intenser kan zijn dan het hebben ervan, en waarom de dopaminerg aangedreven anticipatie structureel verschilt van de opioiderg gemedieerde ervaring.

2.2 Opwinding als modelconstructie

Friston’s predictive processing-kader (2010) geeft de cognitief-neurowetenschappelijke architectuur van dit proces. Het brein genereert voortdurend generatieve modellen van de wereld en toetst binnenkomende sensorische informatie aan deze modellen. Prediction errors — afwijkingen tussen model en input — worden gebruikt om het model bij te stellen of via active inference de werkelijkheid aan het model aan te passen.

In seksuele context: het brein construeert een model van de gewenste seksuele situatie — gebaseerd op herinneringen, fantasieën, culturele scripts, relatieschema’s en evolutionair geprogrammeerde voorkeurscues. Dit model wordt emotioneel geladen via het dopaminerg SEEKING-systeem: het genereert incentive salience, de eigenschap die bepaalde stimuli en gedragingen urgent en begeerlijk maakt ongeacht hun objectieve kenmerken.

De spanning die wij seksuele opwinding noemen, is in dit kader de discrepantie tussen het intern geconstrueerde model en de actuele situatie. Hoe groter de discrepantie — hoe verleidelijker het model ten opzichte van de beschikbare realiteit — hoe intenser de opwinding. Dit verklaart de structurele opwindingskracht van verboden, onbereikbaarheid en spanningselementen: zij maximaliseren de discrepantie tussen model en werkelijkheid, en daarmee de opwindingsintensiteit.

‘Wanting and liking are usually triggered together by the same stimuli and blend into a composite subjective desire or pleasure. But the underlying neural systems can become dissociated, leaving one with intense wanting without liking, or liking without wanting.’ — Berridge & Robinson, Trends in Neurosciences (2003)

 

 

3. Het Orgasme als Systeemreset: Neurochemie van de Ontlading

Wanneer de spanning tussen intern model en fysiologische realiteit een drempelwaarde bereikt, vindt ontlading plaats: het orgasme. Neurochemisch is dit geen mystiek moment maar een gecoördineerde sequentie van neurotransmitter-cascades die het systeem terugbrengen naar baseline.

De dopaminerg anticipatiefase — de opwindingsfase — wordt gevolgd door een acuut pieken en vervolgens dalen van dopaminerge activiteit. Gelijktijdig worden endogene opioïden vrijgegeven via het liking-systeem: de ervaring van acuut genot en ontspanning tijdens het orgasme. Oxytocine wordt vrijgegeven via de neurohypofyse: het ‘bindingshormoon’ dat gevoelens van warmte, nabijheid en vertrouwen produceert. Prolactine stijgt post-orgasmisch: een hypothalamisch hormoon dat seksuele verzadiging signaleert en het refractaire interval medieert waarin hernieuwde opwinding moeilijker wordt bereikt.²

Subjectief wordt deze neurochemische sequentie ervaren als betekenisvol: de ontlading voelt als vervulling, de oxytocine-release als verbinding, de prolactine-gemedieerde verzadiging als rust. Maar de causale richting is omgekeerd aan wat de subjectieve ervaring suggereert: het zijn niet de emoties die de neurochemie produceren maar de neurochemie die de emoties construeert.

In termen van het Predictief-Allostatische Model: het orgasme is een allostatische reset. Het systeem heeft spanning opgebouwd via het mismatch-mechanisme van predictive processing, die spanning heeft zich vertaald in fysiologische activatie, en het orgasme is de ontlading die het systeem terugbrengt naar zijn energetische baseline. Het is dezelfde logica als de ontlading van angst via flight-or-fight, van honger via eten, van agressie via actie — alleen geseksualiseerd.

 

 

4. Falen als Zichtbare Desynchronisatie: Alcohol, MDMA en Chronische Overstimulatie

4.1 Falen als analytisch instrument

De meest informatieve situatie voor het begrijpen van een systeem is niet wanneer het goed werkt maar wanneer het faalt. Seksueel falen — erectieproblemen, uitblijvend orgasme, anorgasmie — is in dit kader geen medisch raadsel maar de zichtbaar geworden desynchronisatie van de componenten die normaal gesproken onzichtbaar samenwerken: centrale modelvorming, dopaminerg laden, autonome regulatie en perifere fysiologische uitvoering.

4.2 Alcohol: het model draait, het lichaam hapert

Alcoholintoxicatie produceert een klassieke dissociatie die de architectuur van het systeem ontmaskert. In lage dosis dempt alcohol de prefrontale cortex — het rem-systeem dat sociale angst, schaamte en cognitieve controle medieert — waardoor het interne seksuele model gemakkelijker dominant wordt. Het verlangen neemt toe omdat de remmende controle afneemt.

In hogere dosis interfereert alcohol echter met de autonome regulatie die voor seksueel functioneren noodzakelijk is. Erectie vereist parasympathische dominantie — de ‘rust-en-vertering’-toestand die vasodilatatie via stikstofoxide (NO) mogelijk maakt. Alcohol verstoort de NO-synthese en tilt het autonome systeem richting sympathische dominantie. Het resultaat is de klassieke paradox: het brein wil, het lichaam kan niet. Het model draait op volle toeren; de uitvoering hapert.³

Dit is de situatie die de these van dit essay het meest overtuigend illustreert. Als het orgasme primair een genitale aangelegenheid was, zou verhoogd verlangen automatisch leiden tot betere seksuele functie. Dat doet het niet. Het ontkoppelt juist. De centrale aandrijving en de perifere uitvoering zijn twee onderscheiden systemen die precisie synchronisatie vereisen — en alcohol breekt die synchronisatie.

4.3 MDMA: meer betekenis, minder ontlading

MDMA produceert een andere maar analytisch even interessante dissociatie. Het stof verhoogt de serotonine-release dramatisch, wat gevoelens van warmte, empathie, verbondenheid en gereduceerde angst produceert. Het verhoogt ook dopamine en noradrenaline, wat activatie en motivatie verhoogt. Het gevolg is een versterkt intern model van verbinding en intimiteit — precies de psychologische staat die seksuele betekenis maximaliseert.

Maar serotonine is ook de meest effectieve remmer van seksuele respons. SSRIs — antidepressiva die serotonine verhogen — staan bekend om hun bijwerking van vertraagd of uitblijvend orgasme en verminderde seksuele interesse. MDMA produceert dezelfde serotoninerge toestand, maar acuut en intenser. Het resultaat: een aanzienlijk versterkte subjectieve beleving van intimiteit en verbinding, gecombineerd met een verhoogde drempel voor orgasme en verminderde genitale sensitiviteit.⁴

MDMA demonstreert daarmee iets dat de these aanscherpt: het is niet de intensiteit van opwinding die orgasme produceert, maar de specifieke neurochemische configuratie van het SEEKING-systeem in balans met de autonome seksuele reflexlus. MDMA maximaliseert de betekenis-component van seksualiteit terwijl het de ontladingscomponent verstoort. Meer gevoel, minder ontlading. De spanning wordt niet opgelost maar uitgesmeerd over tijd.

4.4 Pornografie en chronische desensitisatie

De structureel meest relevante manifestatie van het mismatch-probleem is pornografiegerelateerde seksuele disfunctie. Pornografie levert supernormale stimuli in de zin van Tinbergen (1951): artificieel geconstrueerde seksuele cues die het evolutionair gecalibreerde SEEKING-systeem activeren met een intensiteit die de natuurlijke sociale omgeving niet kan evenaren. Frequente blootstelling aan supernormale stimuli produceert twee tegengestelde effecten: habituation van het dopaminerg systeem (het systeem went aan het niveau van stimulatie en vereist steeds intensere prikkels voor hetzelfde antwoord) en verhoogde incentive salience voor de specifieke cues van pornografische content.

Kühn en Gallinat (2014) documenteerden via fMRI dat mannen met hoger pornografiegebruik verminderde activatie in het striatum vertoonden bij de presentatie van seksuele beelden — een biologisch marker van habituatie en verminderde dopaminerge responsiviteit. Park et al. (2016) beschreven een klinisch patroon van pornografie-geïnduceerde seksuele disfunctie bij jonge mannen waarbij de kritische factor niet verminderd verlangen was maar onvermogen om het interne pornografisch gecalibreerde model te realiseren in een reële seksuele situatie.⁵

In termen van het model: het brein heeft een intern model geconstrueerd dat gesynchroniseerd is op supernormale stimuli. De werkelijke seksuele partner levert onvoldoende input om dat model te activeren. De mismatch die opwinding zou moeten produceren, produceert in plaats daarvan performance anxiety — de cognitieve ruis van bewuste mislukking die de parasympathische regulatie verder verstoort.

 

 

5. De Illustratie als Analytische Synthese

De illustratie die dit essay begeleidt is een precies geconstrueerde visuele analogie van de centrale these. De compositie toont een koppel in een romantische omhelzing, centraal verlicht door een explosieve lichtbron ter hoogte van de borst — de ontlading, de systeemreset, het moment van collaps van spanning. Om hen heen zweven in de rook meerdere versies van hetzelfde koppel in verschillende stadia en configuraties.

De rookachtige substantie van de lichamen is de meest accurate visuele vertaling van het model: het subject bestaat niet als stabiele biologische entiteit maar als een voortdurend bijgesteld predictief model. De lichamen zijn semi-transparant omdat het bewuste subject niet de biologische werkelijkheid ziet maar zijn model ervan — een gecontroleerde hallucinatie in Seths terminologie. De rook is de instabiliteit van het model, de nooit volledig gerealiseerde verwachting.

De meerdere versies van het koppel op de achtergrond verbeelden de simultaan actieve voorspellingsmodellen: de geïdealiseerde versie in het warme licht linksboven (het model op zijn sterkst), de koelere schaduwversie rechtsboven (de dreigende mismatch, de werkelijkheid die het model niet volledig kan waarmaken), het kleine paar rechtsonder in de duisternis (het na de ontlading resterende, gedeconstrueerde zelf). De illustratie vertelt in één compositie het hele essay.

De lichtexplosie in het centrum — de ontlading — verspreidt zich niet naar de partner maar naar de omringende leegte. Dit is de nauwkeurigste visuele articulatie van de these: het orgasme is geen communicatieve daad gericht op de ander maar een interne regulatiemechanisme. De energie lost op in de ruimte. Wat de ander ontvangt, is niet de ontlading zelf maar de post-coïtale neurochemische toestand die het systeem vervolgens als verbinding interpreteert.

 

 

6. De Leugen Achteraf: Post-Coïtale Narratieve Reconstructie

6.1 De neurochemische constructie van betekenis

Na het orgasme begint wat dit essay de meest bepalende en minst nauwkeurige fase noemt: de narratieve reconstructie. De post-coïtale neurochemische toestand — oxytocine-gemedieerde warmte en verbondenheid, opioïderg genot, prolactine-gemedieerde rust — produceert een emotionele context die het brein vervolgens interpreteert als bewijs van betekenis.

Het brein is, zoals Dennett (1991) beschreef, een verhalenverteller die gedragingen en toestanden achteraf coherent maakt via narratieve constructie. De causale richting wordt daarin systematisch omgekeerd: de neurochemische toestand wordt ervaren als de emotionele respons op een betekenisvolle relatie of ervaring, terwijl de causaliteit de omgekeerde is — de neurochemie produceert het gevoel dat wordt geïnterpreteerd als betekenis.

Het resultaat zijn de uitspraken die na seks zo universeel zijn: ‘dit betekent iets’, ‘dit is anders’, ‘dit is liefde’, ‘er is chemie’. Al deze interpretaties zijn post-hoc rationalisaties van een neurochemisch proces. Dat maakt ze niet onwaar in de subjectieve ervaring, maar het maakt ze onbetrouwbaar als informatie over de objectieve aard van de relatie of het moment.

6.2 Post-coïtale dysforie

Een zeldzaam beschreven maar empirisch robuust fenomeen dat de these direct ondersteunt is post-coïtale dysforie (PCD): het onverklaarde gevoel van leegte, verdriet, angst of prikkelbaarheid na consensuele en ogenschijnlijk prettige seks. Epidemiologisch onderzoek (Bird et al., 2011; Schweitzer et al., 2015) suggereert dat een substantieel deel van de populatie dit fenomeen incidenteel ervaart, met hogere prevalentie bij vrouwen.⁶

PCD is vanuit het model begrijpelijk zonder mystificatie: de post-coïtale neurochemische toestand is een combinatie van dalend dopamine (einde van de anticipatiefase), opioïde activatie die snel vermindert, en een prolactine-gemedieerde staat van verzadiging die het SEEKING-systeem tijdelijk onderbreekt. Voor individuen wier emotionele regulatie sterk leunt op het dopaminerg SEEKING-systeem — en bij wie het orgasme de meest directe dopaminerg beloningsrespons is — kan de post-coïtale dalende dopaminetoestand als dysforisch worden ervaren. Het verhaal dat het brein moet construeren om deze toestand te verklaren (‘ik voel me leeg’, ‘dit was zinloos’, ‘ik wil weg’) is de narratieve reconstructie van een neurochemisch laagpunt, niet de weerspiegeling van een diepere relationele of existentiële waarheid.

6.3 De orgasme-gap en genderdifferentiatie

Een additionele empirische complicatie verdient vermelding. Onderzoek naar het voorkomen van orgasme bij heteroseksuele interacties documenteert een substantiële ‘orgasme-gap’: mannen bereiken significant vaker orgasme bij heteroseksuele seks dan vrouwen (Frederick et al., 2018). Bij eenmalige contacten is dit verschil het grootst; bij langdurige relaties en bij lesbische seks is het kleinst.⁷

Vanuit het model is de orgasme-gap begrijpelijk als een verschil in de configuratie van het interne seksuele model en de mate waarin de gemiddelde heteroseksuele interactie dat model activeert voor vrouwen versus mannen. Het sluit ook aan bij de SEEKING/wanting-analyse: het mannelijke reproductieve belang in snelle seksuele ontlading heeft geleid tot een evolutionair gecalibreerd systeem met een lagere orgasme-drempel bij standaard stimulatie. Dit is geen argument voor onrechtvaardigheid maar een evolutionair beschrijving van asymmetrie in adaptieve seksuele strategieën.

 

 

7. Synthese: Het Orgasme in het Predictief-Allostatisch Model

Het orgasme past precies in laag 2 van het Predictief-Allostatische Model: het is een cognitief-neurofysiologisch fenomeen dat opereert op het niveau van predictive processing en active inference. Het brein construeert een model, laadt dat model via het dopaminerg SEEKING-systeem, ondergaat de spanning van mismatch als opwinding, en lost die spanning op via de neurofysiologische ontlading van het orgasme.

De verbinding met laag 1 (biologisch-allostatisch) is direct: het orgasme is een allostatische reset. De verbinding met laag 3 (symbolisch-narratief) is de post-coïtale reconstructie: de neurochemische toestand na het orgasme wordt ingekleurd door het narratieve systeem dat er betekenis aan verleent — liefde, verbinding, chemie, passie. Die betekenisgeving is functioneel voor het onderhoud van langdurige paarrelaties en parentale samenwerking, maar is geen directe afspiegeling van de neurobiologische realiteit van het moment.

De meest ongemakkelijke conclusie van dit essay is ook zijn meest precieze: het orgasme is geen bewijs van betekenis. Het is bewijs dat het systeem zijn spanning succesvol heeft ontladen. Alles wat we er daarna aan toekennen, zegt meer over onze behoefte aan verhaal dan over de werkelijkheid van het moment. De moderne mens leeft niet in een tekort aan prikkels maar in een overschot aan modellen. Hij jaagt niet op seks maar op de belofte ervan. En wanneer de werkelijkheid dat model niet kan waarmaken, noemt hij dat probleem ‘performance’ — terwijl het een systeemfout is in de verhouding tussen wat hij zich voorstelt en wat hij nog kan realiseren.

 

 

8. Kritische Reflectie

8.1 Reductionisme

Een analyse die seksualiteit volledig herleid tot neurochemische regulatie en predictieve modellen riskeert de subjectieve ervaring weg te reduceren. Dat seksualiteit ook een context is voor authentieke menselijke verbinding, esthetische ervaring en persoonlijke groei, wordt door het model niet ontkend — maar ook niet beschreven. Het model is descriptief op een specifiek analyseniveau, niet exhaustief als beschrijving van het volledige verschijnsel.

8.2 Empirische beperkingen

Veel van de neurowetenschappelijke literatuur over seksualiteit en orgasme is gebaseerd op beeldvormingsstudies met kleine steekproeven, vragenlijstonderzoek of diermodellen die niet rechtstreeks vertalen naar humane seksualiteit. De theoretische integratie van Friston, Berridge en Panksepp met seksuele neurobiologie is heuristisch van aard en nog niet via gecombineerde empirische studies gevalideerd.

8.3 De these over pornografie

De evidence base voor pornografie-geïnduceerde seksuele disfunctie is inhomogeen: sommige reviewstudies betwisten de causaliteit en wijzen op confounders (angst, relatieproblemen, psychologische kwetsbaarheid). De these is plausibel vanuit het model maar dient met empirische bescheidenheid te worden gepresenteerd.

 

 

9. Conclusie

Het orgasme is geen genitaal fenomeen dat toevallig in het brein wordt geregistreerd, maar een breinfenomeen dat soms via de genitaliën wordt opgewekt. Het is de tijdelijke beëindiging van de spanning die ontstaat wanneer een intern gegenereerd model van seksuele vervulling in confrontatie komt met de fysiologische en sociale werkelijkheid. De drie fasen van die spanning — modelconstructie en dopaminerg laden via het SEEKING-systeem, spanningsopbouw via mismatch, en ontlading via neurofysiologische systeemreset — zijn herkenbaar, herhaalbaar en beschrijfbaar zonder mystificatie.

Falen is de zichtbaar geworden desynchronisatie van centrale en perifere componenten: alcohol die het model versterkt terwijl het de uitvoering saboteert, MDMA dat de betekenis maximaliseert terwijl het de ontlading vertraagt, pornografie die het model calibreert op supernormale stimuli die de werkelijkheid structureel verliest. In elk geval is falen niet het ontbreken van verlangen maar het falen van integratie.

En de leugen achteraf — de narratieve reconstructie van post-coïtale neurochemie als bewijs van liefde, verbinding en betekenis — is de meest universele en minst betrouwbare fase van de seksuele cyclus. Niet omdat de gevoelens niet echt zijn. Maar omdat de richting van causaliteit omgekeerd is aan wat het verhaal suggereert.

Het lichaam liegt niet. Het brein construeert voortdurend. En het verhaal dat we daarna vertellen, is de meest creatieve fictie die de mens produceert.

 

 

Voetnoten

De meest directe experimentele demonstratie van de wanting/liking-dissociatie is: Berridge, K.C., & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: Hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309–369. Dopamine-gedepleëerde ratten aten geen voedsel wanneer het aangeboden werd (wanting onderdrukt) maar vertoonden normale licking-responsen en facial affective reactions wanneer sucrose direct op de tong werd geplaatst (liking intact).

Voor de neurochemie van het orgasme: Mah, K., & Binik, Y.M. (2001). The nature of human orgasm: A critical review of major trends. Clinical Psychology Review, 21(6), 823–856. Prolactine als marker van seksuele verzadiging: Kruger, T.H.C., et al. (2002). Specificity of the neuroendocrine response to orgasm during sexual arousal in men. Journal of Endocrinology, 175(3), 783–794.

Het mechanisme van alcoholgerelateerde erectieproblemen: Corona, G., et al. (2011). Alcohol intake and human sexuality. Journal of Sexual Medicine, 8(3), 764–777. NO-synthese inhibitie via alcohol: Rehman, J., et al. (1997). Nitric oxide in the control of penile erection. Medical Science Research, 25(1), 3–12.

Voor de serotoninerge remming van seksuele functie via MDMA: Zemishlany, Z., Aizenberg, D., & Weizman, A. (2001). Subjective effects of MDMA on human sexual function. European Psychiatry, 16(2), 127–130. SSRI-analoge effecten op seksuele functie via serotonineactivatie zijn uitgebreid gedocumenteerd in de klinische farmacologische literatuur.

Kühn, S., & Gallinat, J. (2014). Brain structure and functional connectivity associated with pornography consumption: The brain on porn. JAMA Psychiatry, 71(7), 827–834. Park, B.Y., et al. (2016). Is internet pornography causing sexual dysfunctions? A review with clinical reports. Behavioral Sciences, 6(3), 17. Methodologische kanttekening: beide studies zijn correlationeel; causale richting is empirisch betwist.

Bird, B.M., et al. (2011). Post-sex blues: An examination of the prevalence and predictors of post-coital dysphoria in a sample of women. Poster presented at the Annual Meeting of the Society for Sex Therapy and Research. Schweitzer, R.D., et al. (2015). Prevalence and predictors of post-coital dysphoria in a sample of men. Journal of Sex & Marital Therapy, 41(2), 191–204.

Frederick, D.A., et al. (2018). Differences in orgasm frequency among gay, lesbian, bisexual, and heterosexual men and women in a U.S. national sample. Archives of Sexual Behavior, 47(1), 273–288.

 

 

Literatuurlijst

Neurowetenschappen en beloningssystemen

Berridge, K.C., & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: Hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309–369.

Berridge, K.C., & Robinson, T.E. (2003). Parsing reward. Trends in Neurosciences, 26(9), 507–513.

Panksepp, J. (1998). Affective Neuroscience: The Foundations of Human and Animal Emotions. Oxford University Press.

Friston, K. (2010). The free-energy principle: A unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11(2), 127–138.

Clark, A. (2016). Surfing Uncertainty: Prediction, Action, and the Embodied Mind. Oxford University Press.

Seksuele neurobiologie en orgasme

Komisaruk, B.R., Beyer-Flores, C., & Whipple, B. (2006). The Science of Orgasm. Johns Hopkins University Press.

Kruger, T.H.C., et al. (2002). Specificity of the neuroendocrine response to orgasm during sexual arousal in men. Journal of Endocrinology, 175(3), 783–794.

Mah, K., & Binik, Y.M. (2001). The nature of human orgasm: A critical review of major trends. Clinical Psychology Review, 21(6), 823–856.

Evolutionaire psychologie en seksuele selectie

Buss, D.M. (2016). Evolutionary Psychology: The New Science of the Mind (5e ed.). Routledge.

Buss, D.M. (1994). The Evolution of Desire: Strategies of Human Mating. Basic Books.

Fisher, H. (2004). Why We Love: The Nature and Chemistry of Romantic Love. Henry Holt.

Frederick, D.A., et al. (2018). Differences in orgasm frequency among gay, lesbian, bisexual, and heterosexual men and women in a U.S. national sample. Archives of Sexual Behavior, 47(1), 273–288.

Seksuele disfunctie, middelen en pornografie

Corona, G., et al. (2011). Alcohol intake and human sexuality. Journal of Sexual Medicine, 8(3), 764–777.

Kühn, S., & Gallinat, J. (2014). Brain structure and functional connectivity associated with pornography consumption: The brain on porn. JAMA Psychiatry, 71(7), 827–834.

Lembke, A. (2021). Dopamine Nation: Finding Balance in the Age of Indulgence. Dutton.

Park, B.Y., et al. (2016). Is internet pornography causing sexual dysfunctions? A review with clinical reports. Behavioral Sciences, 6(3), 17.

Schweitzer, R.D., et al. (2015). Prevalence and predictors of post-coital dysphoria in a sample of men. Journal of Sex & Marital Therapy, 41(2), 191–204.

Zemishlany, Z., Aizenberg, D., & Weizman, A. (2001). Subjective effects of MDMA on human sexual function. European Psychiatry, 16(2), 127–130.

Etologie en supernormale stimuli

Tinbergen, N. (1951). The Study of Instinct. Oxford University Press.

Filosofie en bewustzijn

Dennett, D.C. (1991). Consciousness Explained. Little, Brown.

Seth, A. (2021). Being You: A New Science of Consciousness. Faber & Faber.

Hechting en ontwikkelingspsychologie

Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss: Vol. 1. Attachment. Basic Books.

Sapolsky, R.M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin Press.

Ook interessant voor jou!