Seks, macht, slachtofferschap en waarom vrijheid psychologisch zwaarder is dan lijden
Waarom de mens liever lijdt dan vrij is
Dit essay zal u niet helpen …
en precies daarom zou u het moeten lezen
Dit essay is niet bedoeld om u te helpen
Beste lezer,
Dit essay gaat niet over verkrachting.
Dit essay gaat niet over seks.
Het gaat niet over daders.
Het gaat zelfs niet over trauma.
Het gaat over wat wij doen ná het ongemak.
Over hoe betekenisgeving lijden vastzet,
verantwoordelijkheid herverdelen,
hoe therapie identiteit produceert,
en waarom slachtofferschap vaak comfortabeler is dan vrijheid.
Wie op zoek is naar heling, geruststelling, erkenning of morele duidelijkheid,
kan dit hoofdstuk beter overslaan.
Wie wil begrijpen waarom autonomie zeldzaam is
en waarom geluk vaak niets anders is dan succesvolle aanpassing,
dan bent u hier op de juiste plek.
Begrip is geen troost.
Maar het is soms het enige wat niet liegt.
Peter Koopman
DEEL I
Verkrachting → Betekenis → Schuld & Schaamte
Kernhoofdstuk – De Grote Ficties
Verkrachting als analytisch startpunt (en waarom dat geen provocatie is)
Wie verkrachting uitsluitend moreel benadert, begrijpt haar niet.
Wie haar uitsluitend juridisch definieert, neutraliseert haar.
Wie haar psychologisch onderzoekt, wordt verdacht.
En precies daarom is verkrachting het juiste startpunt.
Niet omdat zij “extreem” is, maar omdat zij mechanismen zichtbaar maakt die elders subtiel blijven. Verkrachting is geen afwijking van menselijk gedrag, maar een concentratiepunt waarin macht, aandacht, betekenis en ontmenselijking samenvallen. Wat hier expliciet is, gebeurt elders impliciet.
De dominante fictie luidt: verkrachting is traumatisch omdat het seks is zonder toestemming.
Dat is onvolledig. En erger: het verhult waar het werkelijk om draait.
Seks is hier niet de kernvariabele.
Ontmenselijking is dat wel.
Seks is evolutionair geen moraal, maar een beloningssysteem
Seks bestaat niet omdat zij “mooi” is, maar omdat zij werkt. Zonder lust geen voortplanting; zonder voortplanting geen soort. Dat is geen romantiek, dat is biologie. Wie dit ontkent, verwart ethiek met evolutie.
Vanuit evolutionair perspectief is seks:
· een beloningsmechanisme
· een aandachtstrekker
· een statusindicator
· een selectiesignaal
Seks zegt niet: “ik respecteer jou.”
Seks zegt: “ik kies jou.”
En keuze impliceert waarde.
Dit verklaart waarom seksuele afwijzing zo diep snijdt en seksuele aandacht zo diep bindt. Het gaat niet om genot alleen, maar om existentiële bevestiging: ik besta, ik tel mee, ik ben gekozen.
Verkrachting als anti-seks
Verkrachting is geen ontspoorde seks. Het is anti-seks.
Niet omdat er geen lichamelijke prikkels zijn — die kunnen er wel degelijk zijn — maar omdat alles wat seks functioneel maakt, systematisch wordt vernietigd:
· geen keuze
· geen wederkerigheid
· geen erkenning
· geen verleiding
· geen subjectiviteit
Wat overblijft is het lichaam als instrument.
En daar ligt de breuklijn:
de persoon verdwijnt, het lichaam blijft.
Dit is geen semantiek, maar een psychologisch verschil met enorme gevolgen. De ervaring is niet: ik deed iets tegen mijn zin, maar: ik was geen handelend wezen meer.
Dat is het moment waarop agency tot nul wordt gereduceerd.
Agency als verborgen variabele
Agency — het vermogen jezelf als oorzaak te ervaren — is zelden expliciet aanwezig in het discours over verkrachting, maar altijd impliciet afwezig in de daad zelf.
Bij verkrachting gebeurt niet primair dit:
“Ik had geen toestemming gegeven.”
Maar dit:
“Mijn wil was irrelevant.”
Dat is een fundamenteel andere ervaring.
De psyche verdraagt pijn, spanning, zelfs vernedering — zolang er een minimale ervaring van controle of keuze blijft bestaan. Zodra die wegvalt, schakelt het brein over van interactie naar overleving.
Fight.
Flight.
Freeze.
Submit.
En vooral die laatste is desastreus voor het zelfbeeld.
Het lichaam verraadt niets (maar wordt wel beschuldigd)
Een van de meest ongemakkelijke feiten — en daarom structureel verzwegen — is dat het lichaam kan reageren zonder toestemming van het zelf. Lubricatie, erectie, zelfs orgasme kunnen optreden onder dwang. Niet omdat men “het wilde”, maar omdat het autonome zenuwstelsel geen moreel orgaan is.
Het lichaam reageert op prikkels.
Het zelf reageert op betekenis.
Deze discrepantie is voor veel slachtoffers verwoestender dan de daad zelf. Niet zelden ontstaat schaamte niet door wat de ander deed, maar door wat het eigen lichaam “deed”.
En precies hier begint het verhaal.
Betekenisgeving: waar ervaring wordt vastgezet
Ervaring is rauw, maar vluchtig. Betekenis fixeert.
Zoals Lisa Feldman Barrett overtuigend laat zien, ontstaan emoties niet automatisch uit gebeurtenissen, maar uit interpretatie. Het brein vraagt niet: “wat gebeurde er?”, maar: “wat betekende dit voor mij?”
In het geval van verkrachting wordt die betekenis zelden in isolatie gevormd. Zij ontstaat in:
· gesprekken
· reacties van anderen
· culturele scripts
· juridische kaders
· therapeutische taal
Hier verschuift de ervaring van lichamelijke overweldiging naar een verhaal over identiteit.
Van: dit overkwam mij
Naar: dit zegt iets over wie ik ben
Dat is het moment waarop schuld en schaamte kunnen ontstaan — niet noodzakelijk direct, maar vaak met vertraging.
Schuld en schaamte zijn geen primaire emoties
Schuld en schaamte worden vaak voorgesteld als vanzelfsprekende reacties op grensoverschrijding. Dat is psychologisch onjuist.
Ze zijn secundair.
· Schuld: ik heb iets verkeerd gedaan
· Schaamte: ik bén verkeerd
Beide vereisen:
· normbesef
· sociale vergelijking
· een verinnerlijkte ander
Zoals George Herbert Mead al liet zien: het zelf ontstaat pas in relatie tot de (verbeelde) blik van de ander.
Daarom verschijnen schuld en schaamte vaak pas:
· na gesprekken
· na reacties
· na morele duiding
· na hervertelling
Niet omdat men liegt, maar omdat het brein betekenis achteraf construeert.
Schaamte als sluitstuk van ontmenselijking
Schaamte is bijzonder verraderlijk. Waar schuld nog iets zegt over handelen, zegt schaamte iets over zijn.
En schaamte past perfect bij ontmenselijking.
Wie als object is behandeld, gaat zichzelf zien als object. Schaamte is de emotie die daarbij hoort. Niet: mij is iets aangedaan, maar: er is iets mis met mij.
Hier voltooit verkrachting haar psychologische werk — vaak lang na de fysieke daad.
En ironisch genoeg wordt deze schaamte vervolgens gebruikt als bewijs van schade, terwijl zij in werkelijkheid het product is van betekenisgeving, niet van het moment zelf.
De eerste grote fictie
De eerste grote fictie die hier zichtbaar wordt, luidt:
Dat trauma direct, intrinsiek en automatisch voortvloeit uit de daad zelf.
Wat werkelijk gebeurt, is complexer en ongemakkelijker:
· de daad ontnemt agency
· de ervaring wordt later geïnterpreteerd
· sociale normen leveren het kader
· schuld en schaamte verankeren het verhaal
Dit maakt het lijden niet minder echt.
Maar het maakt het anders van aard dan vaak wordt aangenomen.
Vooruitblik (en waarschuwing)
Wat hier begint bij verkrachting, stopt daar niet.
Zodra betekenisgeving eenmaal het lijden heeft vastgezet, ontstaat de vraag:
wat levert dit verhaal op?
En precies daar schuiven therapie, slachtofferschap en instituties het toneel op.
Niet als samenzwering.
Maar als logische volgende stap.
DEEL II
Therapie → Herverhalen → Slachtofferschap als Identiteit
Hier wordt het pas echt ongemakkelijk, want hier verdwijnt het “dader–slachtoffer”-comfort en verschijnt iets veel menselijkers:rendement.
Van gebeurtenis naar verhaal: waar therapie begint
Zodra de fysieke dreiging voorbij is, begint iets anders te werken. Niet het lichaam, maar het verhalende brein. Wat eerst rauwe ervaring was — fragmentarisch, chaotisch, soms zelfs gevoelloos — wordt langzaam ingekapseld in taal.
En precies daar treedt therapie binnen.
Niet als genezer van feiten, maar als architect van betekenis.
Dat is geen beschuldiging, maar een functionele constatering. Therapie herstelt zelden wat gebeurd is; zij herstelt wat het gebeurde betekent. Wie dat ontkent, begrijpt therapie niet.
Zoals Jerome Bruner al decennia geleden stelde: mensen leven niet in gebeurtenissen, maar in verhalen over gebeurtenissen. Therapie is geen waarheidsvinding, maar hervertelling onder begeleiding.
Waarom feiten therapeutisch irrelevant zijn
Een ongemakkelijke waarheid: feiten hebben in therapie nauwelijks emotionele hefboomwerking.
Twee mensen kunnen exact hetzelfde meemaken en radicaal verschillende gevolgen ondervinden, afhankelijk van:
· interpretatiekader
· sociale bevestiging
· morele duiding
· latere hervertelling
Daarom draait therapie niet om wat er precies gebeurde, maar om wat het zegt over jou.
Zoals Aaron Beck al liet zien: verander de interpretatie, en de emotie volgt. Niet andersom. Therapie richt zich daarom op cognitieve schema’s, niet op reconstructie.
Cynisch maar accuraat:
therapie corrigeert geen verleden,
zij corrigeert de betekenis van het verleden.
De therapeutische ruil: verlichting tegen herpositionering
Elke therapie — expliciet of impliciet — sluit een ruil af.
De cliënt krijgt:
· erkenning
· legitimatie van pijn
· een coherente verklaring
· morele onschuld
In ruil daarvoor accepteert hij:
· een bepaald narratief
· een set begrippen
· een positionering binnen dat narratief
Dat narratief is zelden neutraal.
Het biedt houvast, maar het fixeert ook.
Van: dit is mij overkomen
Naar: dit definieert wie ik ben
Dat is geen mislukking van therapie, maar een bijproduct van betekenisgeving.
Slachtofferschap: van toestand naar positie
Slachtofferschap begint als beschrijving van een gebeurtenis.
Maar het kan eindigen als identiteit.
Het verschil is cruciaal.
· Slachtoffer als toestand: mij is iets aangedaan
· Slachtoffer als identiteit: ik bén iemand aan wie iets is aangedaan
In dat tweede geval wordt slachtofferschap niet langer iets dat men heeft meegemaakt, maar iets dat men is.
En dat heeft gevolgen.
Waarom slachtofferschap psychologisch aantrekkelijk kan worden
Dit is waar veel analyses stoppen uit angst voor misinterpretatie. Toch is het noodzakelijk dit te benoemen, zonder schuldtoeschrijving en zonder romantisering.
Slachtofferschap kan — onder bepaalde omstandigheden — psychologisch aantrekkelijk zijn omdat het:
· verantwoordelijkheid reduceert
· morele immuniteit biedt
· kritiek neutraliseert
· aandacht legitimeert
· erkenning garandeert
Dat maakt het geen leugen. Het maakt het functioneel.
Zoals Ernest Becker liet zien: mensen zoeken betekenisstructuren die existentiële angst dempen. Slachtofferschap externaliseert oorzaak en legitimeert lijden.
Of harder:
wie slachtoffer is, hoeft minder uit te leggen.
Slachtofferschap als morele vrijbrief
In morele economieën — en dat zijn moderne samenlevingen — fungeert slachtofferschap als een krachtige valuta.
Het verleent:
· spreekrecht
· uitzonderingspositie
· bescherming tegen tegenargumenten
“Dit is mijn ervaring” wordt dan geen beschrijving, maar een afsluitend argument.
Niet omdat het onwaar is, maar omdat het onaantastbaar wordt verklaard.
Hier verschuift slachtofferschap van erkenning naar autoriteit.
Therapie en de productie van subjecten
Therapietaal is geen neutraal hulpmiddel. Zij maakt mensen tot bepaalde soorten subjecten.
Wanneer iemand leert spreken in termen van:
· trauma
· triggers
· veiligheid
· heling
· grenzen
leert hij niet alleen woorden, maar ook een rol.
Hier is Michel Foucault onvermijdelijk: discours produceert subjectiviteit. Wie de taal beheerst, bepaalt wat iemandis.
Therapie beschrijft niet alleen innerlijke toestanden, zij structureert mogelijke identiteiten.
Van ervaring naar diagnose naar identiteit
Het traject is vaak voorspelbaar:
1. Ervaring: “Dit was verwarrend/pijnlijk.”
2. Duiding: “Dit was grensoverschrijding/trauma.”
3. Identiteit: “Ik ben iemand met trauma.”
Nogmaals: dit hoeft niet onjuist te zijn. Maar het is ook niet onschuldig.
Identiteiten hebben traagheid. Ze bieden:
· stabiliteit
· verklaringskracht
· sociale leesbaarheid
Maar ze beperken ook:
· handelingsvrijheid
· experimenteerruimte
· toekomstvariatie
Therapie die blijft benoemen zonder loslaten, consolideert wat zij zegt te behandelen.
Waarom herstel vaak stopt vóór autonomie
Een ongemakkelijke observatie: veel therapieën zijn succesvol wanneer klachten verminderen, niet wanneer agency toeneemt.
Het doel is vaak:
· minder angst
· minder spanning
· betere afstemming
· meer veiligheid
Dat zijn legitieme doelen. Maar ze zijn conservatief.
Radicale autonomie — het vermogen jezelf als oorzaak te verdragen — is geen standaardtherapeutisch eindpunt. Autonome mensen zijn lastig: ze stellen vragen, accepteren geen simpele verklaringen en gebruiken therapietaal niet zoals bedoeld.
Nietzsche zou hier grimmig glimlachen.
Slachtofferschap als stabiele eindpositie
Daarom eindigen sommige therapeutische trajecten niet in bevrijding, maar in stabilisatie.
De cliënt:
· begrijpt zichzelf beter
· voelt zich erkend
· ervaart minder chaos
Maar blijft:
· afhankelijk van het narratief
· gehecht aan de identiteit
· voorzichtig binnen veilige kaders
Niet omdat hij niet verder kan, maar omdat verder gaan kosten heeft: verlies van erkenning, verlies van morele bescherming, verlies van verhaal.
11. De tweede grote fictie
De tweede grote fictie luidt:
Dat therapie vanzelf leidt tot autonomie.
In werkelijkheid leidt zij vaak tot betere aanpassing binnen bestaande kaders.
Dat is geen falen.
Maar het is ook geen bevrijding.
Overgang naar Deel III
Waar slachtofferschap een stabiele identiteit wordt, ontstaan structuren die haar beheren. En waar structuren ontstaan, verschijnen instituties.
Niet als vijand, maar als logische volgende stap.
In Deel III trek ik dit door naar:
Instituten → kwetsbaarheid → heling als conformiteit
Daar wordt zichtbaar waarom kwetsbaarheid zo zorgvuldig wordt gekoesterd — en waarom echte weerbaarheid zelden het doel is.
DEEL III
Instituten → Kwetsbaarheid → Heling als Conformiteit
Ditis het punt waarop individuele psychologie definitief overgaat insysteemlogica. Hier wordt zichtbaar waarom dit alles niet ontspoort, maar juist zo soepel loopt.
Van individu naar casus: waar instituties binnenkomen
Zodra een ervaring stabiel wordt benoemd — trauma, kwetsbaarheid, onveiligheid — verliest zij haar particuliere karakter. Ze wordt herkenbaar, classificeerbaar en daarmee hanteerbaar.
Dat is het moment waarop instituties noodzakelijk worden.
Niet omdat zij kwaadwillend zijn, maar omdat zij doen waarvoor zij bestaan: ordenen, beheren, normaliseren.
Wat begint als persoonlijk lijden, eindigt als casus.
Niet langer:
“Dit is mij overkomen.”
Maar:
“Dit valt binnen categorie X.”
Dat maakt hulp mogelijk — en autonomie duurder.
Kwetsbaarheid als bestuurbare grondstof
Kwetsbaarheid is geen probleem voor instituties. Het is een grondstof.
Kwetsbaarheid:
· legitimeert interventie
· rechtvaardigt expertise
· creëert afhankelijkheid
· stabiliseert rollen (helper ↔ geholpen)
Een kwetsbaar subject is voorspelbaar. Het vraagt zorg, bescherming, begeleiding. Het past in schema’s, trajecten en protocollen.
Michel Foucault wees hier al op: moderne macht werkt niet primair door repressie, maar doorzorg. Door definiëren wat kwetsbaar is, definieert men ook wat herstel is.
Wie bepaalt wat kwetsbaarheid betekent, bepaalt wat een mensmoet worden.
Waarom kwetsbaarheid aantrekkelijk is voor systemen
Systemen hebben drie voorkeuren:
1. voorspelbaarheid
2. schaalbaarheid
3. legitimeerbaarheid
Kwetsbaarheid scoort op alle drie.
· Zij is herkenbaar
· Zij vraagt om hulp
· Zij rechtvaardigt voortbestaan
Autonomie daarentegen is rommelig. Autonome mensen:
· wijken af zonder uitleg
· weigeren standaardoplossingen
· gebruiken geen erkende taal
Dat maakt hen slecht beheersbaar.
Nietzsche zou zeggen: instituties houden van gekwetste mensen, niet van vrije.
Heling als herstel van leesbaarheid
Wat betekent “heling” in institutionele context?
Zelden betekent het:
“radicaal eigenaarschap over het eigen bestaan.”
Vaker betekent het:
“weer functioneren binnen acceptabele marges.”
Een geheeld individu:
· past weer binnen sociale verwachtingen
· veroorzaakt minder frictie
· is emotioneel voorspelbaarder
· vraagt minder aanpassing van de omgeving
Heling is daarmee geen existentiële categorie, maar een relationele: het individu is weer leesbaar.
Conformiteit is hier geen scheldwoord, maar een criterium.
De stille norm achter zorg en therapie
Zorgsystemen zijn normatief, ook als zij dat ontkennen. Ze hebben impliciete eindpunten:
· emotionele regulatie
· relationele afstemming
· risicoreductie
· sociale participatie
Deze doelen klinken neutraal, maar ze drukken voorkeuren uit: rust boven frictie, stabiliteit boven experiment, veiligheid boven waarheid.
Wie blijvend boos is, is “niet geheeld”.
Wie schaamte weigert, is “ontkennend”.
Wie autonomie verkiest boven verbondenheid, is “vermijdend”.
Zo wordt afwijking opnieuw gedefinieerd — niet als zonde, maar als onverwerkt.
Waarom heling vaak stopt vóór agency
Agency — het vermogen jezelf als oorzaak te verdragen — is geen institutioneel doel. Niet omdat het slecht is, maar omdat het onpraktisch is.
Een agentisch mens:
· neemt verantwoordelijkheid zonder mandaat
· accepteert geen simpele verklaringen
· beweegt buiten protocollen
Dat is lastig voor systemen die draaien op standaardisatie.
Kwetsbaarheid kan men begeleiden.
Agency niet.
Daarom eindigt heling vaak bij:
· symptoomreductie
· narratieve stabiliteit
· acceptatie van kaders
Niet bij bevrijding.
Waarom “weerbaar maken” zelden serieus wordt nagestreefd
“Weerbaarheid” klinkt aantrekkelijk, maar is institutioneel riskant.
Een weerbaar mens:
· vraagt minder zorg
· legitimeert minder beleid
· accepteert minder toezicht
· heeft minder behoefte aan begeleiding
Dat ondermijnt precies datgene waarop veel instituties draaien: permanente relevantie.
Daarom wordt weerbaarheid vaak hervertaald naar:
· coping
· zelfzorg
· aanpassing
Niet naar: incasseringsvermogen zonder verhaal.
Kwetsbaarheid als morele munt
In morele economieën fungeert kwetsbaarheid als valuta. Zij verleent:
· spreekrecht
· bescherming
· morele autoriteit
Instituten faciliteren dit niet uit cynisme, maar omdat het werkt. Kwetsbaarheid maakt claims begrijpelijk en verdedigbaar.
Maar wie zich uit kwetsbaarheid losmaakt, verliest die munt.
Autonomie betaalt slecht.
De derde grote fictie
De derde grote fictie luidt:
Dat zorg, therapie en instituties primair gericht zijn op bevrijding.
In werkelijkheid zijn zij gericht op stabilisatie.
Dat is geen kwaadaardigheid. Het is systeemlogica.
Maar het verklaart waarom radicale vrijheid zelden het eindpunt is.
Overgang naar Deel IV
Wat resteert na stabilisatie is een ongemakkelijke keuze:
· verder leven binnen een betekenisvol maar beperkend kader
· of het kader verlaten en de last van eigenaarschap dragen
Dat is geen therapeutische beslissing, maar een existentiële.
In Deel IV maak ik die sprong expliciet:
Agency → geluk → weerbaarheid → mislukking als bevrijding
Daar eindigt dit hoofdstuk niet met troost, maar met een rekening.
DEEL IV
Agency → Geluk → Weerbaarheid → Mislukking als Bevrijding
Agency, ontdaan van romantiek
Agency is het meest verkeerd begrepen begrip in het moderne mensbeeld.
Het wordt verkocht als vrijheid, autonomie, zelfbeschikking. Dat is marketing.
In werkelijkheid is agency iets veel ongemakkelijkers:
het vermogen jezelf als oorzaak te verdragen,
zonder vangnet van verhaal, moraal of excuus.
Niet: ik mocht kiezen
Maar: ik handelde — en wat daaruit volgt is van mij
Hier klinkt de stem van Friedrich Nietzsche. Niet als pose, maar als diagnose. Nietzsche zag scherp dat de mens liever onschuldig is dan vrij. Moraal, slachtofferschap en betekenisstructuren zijn middelen om verantwoordelijkheid te ontlopen, niet om haar te dragen.
Agency betekent:
· geen ultieme rechtvaardiging
· geen morele vrijbrief
· geen therapeutisch eindpunt
Alleen eigenaarschap.
Waarom agency en geluk structureel botsen
De moderne mens is geobsedeerd door geluk. Niet als bijproduct, maar als doel. Dat maakt agency verdacht.
Geluk vraagt:
· stabiliteit
· bevestiging
· voorspelbaarheid
· sociale aansluiting
Agency vraagt:
· onzekerheid
· frictie
· verlies van erkenning
· handelen zonder garantie
Dat zijn geen complementen, maar rivalen.
Wie agency serieus neemt, offert iets op: comfort, rust, soms zelfs sociale acceptatie. Niet omdat hij masochistisch is, maar omdat waarheid zelden comfortabel is.
Of scherper:
geluk is vaak het emotionele dividend van aanpassing.
agency is het psychologische gevolg van weigering.
Nietzsche wist dit al: de vrije geest is geen gelukkige geest, maar een weerloze — onbeschermd door illusies.
Waarom “weerbaar maken” geen populair einddoel is
Weerbaarheid wordt graag genoemd, maar zelden nagestreefd. Dat is geen toeval.
Een weerbaar mens:
· kan tegenslag verdragen zonder narratief
· heeft geen voortdurende erkenning nodig
· externaliseert falen minder
· vraagt minder zorg, toezicht en begeleiding
Dat maakt hem psychologisch robuust — en institutioneel lastig.
Weerbaarheid is:
· slecht meetbaar
· moeilijk schaalbaar
· nauwelijks subsidieerbaar
Kwetsbaarheid levert data op.
Weerbaarheid levert stilte.
Daarom wordt weerbaarheid vaak vertaald naar “coping”, “zelfzorg” of “leren vragen om hulp”. Allemaal nuttig, maar iets anders. Weerbaarheid in strikte zin is het vermogen niet in te storten zonder uitleg.
Dat is geen aantrekkelijk product.
De paradox van mislukking
Hier komt het punt dat veel theorieën overslaan en dat de praktijk hardnekkig bevestigt:
sommige mensen worden pas vrijer na mislukking.
Niet ondanks, maar dankzij.
Zolang iemand succesvol functioneert binnen verwachtingen, zit hij vast in:
· reputatie
· status
· rol
· toekomstprojecties
Mislukking sloopt dat. Onvrijwillig, vaak genadeloos.
Maar met het instorten van het narratief verdwijnt ook:
· de noodzaak tot zelfrechtvaardiging
· de angst voor oordeel
· de druk om te voldoen
Wat overblijft is kaal handelen.
Nassim Nicholas Taleb zou zeggen: sommige systemen — en sommige mensen — worden pas vrij wanneer ze hun fragiele optimalisatie verliezen. Mislukking kan een einde maken aan statusstress, zoals ook Robert Sapolsky laat zien.
Niet omdat falen goed is.
Maar omdat het illusies beëindigt.
Vrijheid zonder applaus
De vrijheid die hieruit ontstaat is geen heroïsche vrijheid. Ze is stil, soms kaal, vaak eenzaam.
Geen:
· morele superioriteit
· slachtoffermoraal
· therapeutisch narratief
Wel:
· handelen zonder rechtvaardiging
· keuzes zonder betekenisgarantie
· leven zonder belofte op geluk
Dit is geen aanbeveling. Het is een constatering.
Niet iedereen kan dit verdragen. Niet iedereen hoeft dit te verdragen. Maar wie het doet, ervaart iets zeldzaams: handelingsvrijheid zonder verwachting.
Geen geluk.
Wel rust.
De eindbalans
We begonnen bij verkrachting — niet om te choqueren, maar om te tonen wat er gebeurt wanneer agency volledig wordt ontnomen. We eindigen bij agency — niet als ideaal, maar als last.
De lijn is consistent:
· Verkrachting vernietigt agency
· Betekenisgeving fixeert ervaring
· Schuld en schaamte verankeren het verhaal
· Therapie stabiliseert identiteit
· Instituties beheren kwetsbaarheid
· Heling herstelt leesbaarheid
· Agency blijft over als restpost
En die restpost is duur.
De laatste fictie
De laatste grote fictie luidt:
Dat de mens vrijheid nastreeft.
De mens streeft betekenis na.
Vrijheid is slechts aanvaardbaar zolang zij betekenis oplevert.
Wanneer vrijheid betekent:
geen excuus, geen verhaal, geen vangnet —
haakt men af.
Niet uit zwakte.
Maar uit kostenbewustzijn.
Slotzin (zonder verlossing)
De mens wil zich goed voelen over zijn leven.
De autonome mens wil weten dat het het zijne is.
Dat eerste levert geluk op.
Dat tweede kost alles.
En precies daarom is agency zeldzaam —
niet omdat zij onbereikbaar is,
maar omdat te veel mensen de rekening kunnen lezen
nog vóór ze haar willen betalen.
< 0 >
UITGEBREIDE LITERATUURLIJST (APA-STIJL)
Filosofie & Existentialisme
· Friedrich Nietzsche. (1887). Zur Genealogie der Moral.
· Friedrich Nietzsche. (1882). Die fröhliche Wissenschaft.
Psychologie & Emotietheorie
· Lisa Feldman Barrett. (2017). How Emotions Are Made.
· Daniel Kahneman. (2011). Thinking, Fast and Slow.
· Antonio Damasio. (1994). Descartes’ Error.
Trauma & Narratief
· Judith Herman. (1992). Trauma and Recovery.
· Jerome Bruner. (1990). Acts of Meaning.
· Elizabeth Loftus. (2005). Planting Misinformation in the Human Mind.
Sociale & Institutionele Analyse
· Michel Foucault. (1975). Surveiller et punir.
· Michel Foucault. (1982). The Subject and Power.
· Erving Goffman. (1959). The Presentation of Self in Everyday Life.
Evolutie, Stress & Weerbaarheid
· Robert Sapolsky. (2004). Why Zebras Don’t Get Ulcers.
· Ernest Becker. (1973). The Denial of Death.
· Nassim Nicholas Taleb. (2012). Antifragile.
