DE MENS VERDWIJNT NIET, HET VERHAAL WEL 

Dementie als ontmaskering van het zelf

Wanneer verdwijnt een mens?

Geachte lezer,

Dit is geen stuk over herinneringen.
Ook niet over dementie.
En zeker niet over troost.

Dit essay gaat over iets ongemakkelijkers:
wat er van een mens overblijft wanneer herinnering, narratief en herkenbaarheid wegvallen — en wie er dan eigenlijk iets verliest.

De tekst stelt geen oplossingen voor en biedt geen morele leuning. Hij observeert. Hard. Soms pijnlijk precies.
Niet vanuit zorg, maar vanuit werkelijkheid.

Wie gelooft dat “de mens zichzelf blijft” zal zich hier ongemakkelijk bij voelen.
Wie bereid is te twijfelen aan het idee van een stabiel ik, zal zichzelf erin tegenkomen.

Lees dit niet om het eens te worden.
Lees het om te zien wat er gebeurt wanneer we ophouden met redden.

Peter Koopman

“Wie zijn die mensen, en waar is mijn paard?”

HERINNERING

Het eerste wat een mens doet zodra hij bestaat, is waarderen. Niet denken, niet reflecteren, maar selecteren: dit is relevant, dat niet. Elk organisme doet dat. Wie het naliet, ligt al millennia als genetisch voetnootje in de vergetelheid. Waarderen is geen luxe, het is een overlevingsreflex.

Daar wringt meteen het probleem. Wij leven voorwaarts, maar begrijpen alles achterwaarts. Elke beslissing is post hoc, elk inzicht een reconstructie. Wat we “keuze” noemen is meestal een rechtvaardiging achteraf, opgepoetst tot toekomstverwachting. Die verwachting is gebaseerd op herinneringen. En daar begint het glibberen.

“We zijn onze herinneringen”, wordt er dan gezegd. Dat klinkt diepzinnig, maar het is vooral ongemakkelijk. Want herinneringen zijn geen archief, maar een montage. Ze worden telkens herschreven, aangepast aan het verhaal dat we nú nodig hebben. Het geheugen bewaart niet wat was, maar wat bruikbaar is. De mens is dus niet alleen feilbaar, hij is structureel onbetrouwbaar – vooral voor zichzelf.

Dat we niet in het heden leven maar voortdurend vanuit het verleden opereren, heeft een bijwerking waar zelden bij wordt stilgestaan: we hebben geen idee wat we werkelijk waarderen zolang het er is. Waarde wordt pas zichtbaar bij verlies. Niet omdat het object verandert, maar omdat het verhaal instort.

“You don’t know what you got until it’s gone” is geen sentiment, maar een cognitieve wetmatigheid.

Ironisch genoeg geldt dit voor alles behalve het geheugen zelf. Dat wantrouwen we zelden, terwijl het ons consequent misleidt. We koesteren herinneringen alsof ze waarheid bevatten, terwijl ze vooral betekenis bevatten. En betekenis is flexibel, opportunistisch en contextgevoelig.

Misschien is dat de wrange kern: de pijn van gemis is geen bewijs van wat was, maar van wat we onszelf hebben verteld. En toch is die pijn waardevol. Niet omdat hij waar is, maar omdat hij intens is. In die zin is verlies een vorm van rijkdom. Zelfs – of juist – wanneer het gebaseerd is op een illusie.

De mens leeft niet van waarheid. Hij leeft van herinneringen die net geloofwaardig genoeg zijn om morgen weer op te staan.

VERGETEN

Wat vergeten wordt, verdwijnt niet zomaar. Het verliest zijn functie. Vergeten is geen defect, het is een selectieproces. Net als herinneren. Het brein is geen museum, het is een slachthuis: wat geen nut meer heeft voor oriëntatie, overleving of sociale positionering wordt afgevoerd. Soms geruisloos. Soms met geweld.

In de loop van de tijd verdwijnen details, daarna verbanden, vervolgens personen, en uiteindelijk de samenhang. Wat overblijft is geen “verarmde herinnering”, maar een andere configuratie van betekenis. Dat is ongemakkelijk, want het suggereert dat identiteit geen vaste kern heeft, maar een tijdelijk werkmodel is.

Daar raakt het aan dementie. Niet als ziektebeeld, maar als existentieel experiment waar niemand vrijwillig aan meedoet. Bij dementie verdwijnt niet eerst het lichaam, maar het narratief. De chronologie valt uit elkaar. Namen lossen op. Rollen vervagen. De sociale spiegel breekt. En dan komt de vraag die niemand hardop durft te stellen:
Is deze mens er nog?

Voor de omgeving vaak niet. Want “de oude hij” of “de echte zij” is weg. Maar wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Dat de persoon die ooit voldeed aan onze verwachtingen, onze herinneringen en onze interactiepatronen verdwenen is. Met andere woorden: niet het ik is weg, maar het herkenningspunt.

Hier wordt het pijnlijk helder: het ik dat wij verdedigen, is grotendeels een constructie op basis van anderen. Rollen, bevestiging, correctie, sociale feedback. We zijn wie we zijn omdat anderen ons zo behandelen. Het zelf is geen essentie, maar een knooppunt van relaties, herinneringen en herhaalde interpretaties.

John Locke probeerde het nog te redden door identiteit te koppelen aan geheugen: continuïteit van herinnering als basis van het zelf. Elegant, maar fataal kwetsbaar. Want als geheugen faalt, faalt dan ook het mens-zijn? Dan zou dementie gelijkstaan aan existentiële verdamping. Dat is moreel ongemakkelijk, maar filosofisch consequent.

David Hume was eerlijker: hij vond nergens een stabiel zelf, alleen een bundel waarnemingen, gevoelens en indrukken. Geen kern, geen ziel, geen vaste ik. Alleen flux. Dementie is in dat licht geen afwijking, maar een versnelde blootlegging van hoe het altijd al was.

De weerstand tegen deze gedachte is begrijpelijk. Zonder stabiel zelf geen verantwoordelijkheid, geen trots, geen schuld, geen heldendom. Maar biologisch gezien is er geen verplichting tot consistentie. Het organisme wil functioneren. Het verhaal komt later.

Dat brengt ons bij de ongemakkelijke kernvraag:
Definieert het zelf dat je hebt opgebouwd — met hulp van anderen — werkelijk de essentie van mens-zijn?

Waarschijnlijk niet. Het definieert hooguit je sociale bruikbaarheid binnen een bepaalde context en tijdspanne. Wanneer die context wegvalt — pensioen, isolatie, ziekte, ouderdom — blijkt hoe dun de laag was.

Wat resteert bij dementie is vaak iets dat we moeilijk plaatsen: emotie zonder verhaal, affect zonder autobiografie, angst of rust zonder verklaarbare oorzaak. En toch reageert het lichaam, zoekt nabijheid, schrikt, ontspant. Dat wijst op iets fundamentelers dan identiteit: aanwezigheid zonder narratief.

Misschien is dat de harde conclusie die we liever vermijden:
mens-zijn zit niet in wie je denkt te zijn, maar in het feit dat je überhaupt nog iets ervaart.

Het zelf is een interface. Handig. Efficiënt. Maar vervangbaar.
Wanneer het wegvalt, verdwijnt niet de mens — alleen het verhaal waarmee wij hem konden plaatsen.

En dat is uiteindelijk het meest confronterende verlies. Niet voor degene die vergeet, maar voor degene die achterblijft en zijn eigen spiegel ziet barsten.

MACHT

Niet macht als politiek begrip, maar macht als definitierecht.

Wie bepaalt wanneer iemand “zichzelf verliest”?
Wie beslist dat een ik verdwenen is?
Wie heeft het gezag om te zeggen: dit leven is minder leven geworden?

Dat oordeel ligt zelden bij degene die vergeet. Het ligt bij de omgeving. Bij familie. Bij zorg. Bij instituties. Bij protocollen. Bij dossiers. Bij goedbedoelende mensen met formulieren. Het zelf verdwijnt dus niet alleen door geheugenverlies, maar door overname van interpretatie.

Erving Goffman liet al zien hoe identiteit ontstaat in interactie, in rollen en verwachtingen. Dementie is in dat opzicht geen innerlijke instorting, maar een sociale degradatie: men wordt herleid tot patiënt, casus, probleem. Niet omdat men niets meer is, maar omdat men niets meer oplevert binnen het spel.

Daar zit het ongemakkelijke biologische residu:
mens-zijn blijkt pas onvoorwaardelijk zolang iemand nog functioneel interpreteerbaar is.

Wat we dus vergeten in deze hele discussie, is dat identiteit niet alleen verdwijnt door geheugenverlies, maar ook door onttrekking van aandacht. Aandacht is erkenning. Erkenning is bestaansrecht. Zonder aandacht resteert alleen lichaam in ruimte.

En hier wordt het echt oncomfortabel:
misschien is dementie geen verlies van het zelf, maar een onthulling van hoe dun dat zelf altijd al was — gedragen door voortdurende bevestiging van anderen.

Martin Heidegger zou zeggen: we zijn geen dingen met eigenschappen, maar een zijn-in-de-wereld. Wanneer die wereld verdwijnt of ons loslaat, verdampt het verhaal. Niet omdat het onwaar was, maar omdat het nooit zelfstandig bestond.

Er is nóg iets wat zelden wordt benoemd: stilte.
Niet als gebrek, maar als toestand.
Wanneer taal, herinnering en narratief wegvallen, blijft er soms iets over dat niet te duiden is, maar wel aanwezig: blik, ritme, ademhaling, aanraking. Geen identiteit, geen geschiedenis, geen toekomst — alleen nu. Dat maakt het voor buitenstaanders ondraaglijk leeg, maar het is niet evident dat het voor de betrokkene zo ervaren wordt.

Dat brengt ons bij een slotvraag die nog venijniger is dan de vorige:

Is het zelf iets wat je hebt — of iets wat anderen nodig hebben om jou te verdragen?

Als het tweede waar is, dan is dementie geen persoonlijke tragedie, maar een sociale onthulling. Een moment waarop zichtbaar wordt hoezeer menswaardigheid gekoppeld is aan herkenbaarheid, coherentie en bruikbaarheid.

Wat essentieel ontbreekt, en wat je hier nog kunt toevoegen, is dus dit:
niet de angst om jezelf te verliezen, maar de angst niet meer gelezen te kunnen worden.

En misschien is dát de diepste reden dat we zo krampachtig vasthouden aan herinneringen, identiteit en narratief. Niet omdat ze ons definiëren, maar omdat ze ons beschermen tegen het moment waarop niemand meer weet wat hij met ons aan moet.

Dat is geen moreel oordeel.
Dat is een observatie.

Inhoud: expliciet, zonder didactisch gelul

Wat wordt hier beweerd?

1.     De mens waardeert vóór hij begrijpt

2.     Herinneringen zijn reconstructies, geen archief

3.     Identiteit is narratief en sociaal afhankelijk

4.     Dementie ontmantelt niet de mens, maar het verhaal

5.     Wat verdwijnt is herkenbaarheid, niet aanwezigheid

6.     Macht ligt bij degene die betekenis toekent

Kernvraag 

Definieert het geconstrueerde ik de essentie van mens-zijn — of slechts onze omgang met elkaar?

Argumentstructuur (verkort)

·       Premisse: geheugen = reconstructie

·       Gevolg: identiteit = instabiel

·       Casus: dementie toont dit versneld

·       Analyse: verlies is primair sociaal

·       Conclusie: mens-zijn ≠ narratief zelf

Wat is bewezen, wat niet?

Aannemelijk gemaakt

·       Dat identiteit geen vaste kern heeft

·       Dat betekenis afhankelijk is van sociale lezing

·       Dat dementie narratief verlies is

Niet bewezen (en ook niet geclaimd)

·       Dat ervaring volledig verdwijnt

·       Dat er “niets” overblijft

·       Dat dit moreel wenselijk of onwenselijk is

Wat de tekst weigert

·       Troost

·       Essentie

·       Verzoening

Literatuurlijst 

Filosofie & identiteit

  • John Locke – An Essay Concerning Human Understanding
  • David Hume – A Treatise of Human Nature
  • Martin Heidegger – Sein und Zeit

Psychologie & geheugen

  • Daniel Kahneman – Thinking, Fast and Slow
  • Elizabeth Loftus – Eyewitness Testimony
  • Antonio Damasio – Self Comes to Mind

Sociale identiteit & macht

  • Erving Goffman – The Presentation of Self in Everyday Life
  • Michel Foucault – The Birth of the Clinic

Existentiële rand

  • Ernest Becker – The Denial of Death
  • Thomas Metzinger – Being No One

Ook interessant voor jou!